Régime particulier d'imposition de la marge bénéficiaire applicable aux véhicules d’occasion · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 3 novembre 2021

Rechercher
Texte en néerlandais

Régime particulier d'imposition de la marge bénéficiaire applicable aux véhicules d’occasion

https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-particulier-imposition-marge-beneficiaire-cour-appel-bruxelles-2021-11-03-3c9e

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
3 novembre 2021

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

180 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles du 03.11.2021

WF 701-15-15/059473

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Régime particulier d'imposition de la marge bénéficiaire applicable aux véhicules d’occasion – Force majeure

Dispositions légales

Article 58, §4, du Code de la TVA

Arrêté royal n° 53 du 23 décembre 1994 relatif au régime particulier d'imposition de la marge bénéficiaire applicable aux biens d'occasion, objets d'art, de collection ou d'antiquité

Résumé

1) Les faits et les antécédents de procédure

La partie adverse est active dans le commerce de véhicules d’occasion. Lors d’un contrôle fiscal, diverses infractions ont été constatées. Un accord à l’amiable a pu être conclu sur l’ensemble de ces infractions à l’exception des infractions relevées concernant l’application du régime particulier d'imposition de la marge bénéficiaire applicable aux véhicules d’occasion. Ces infractions au régime de la marge bénéficiaire ont été consignées dans un procès-verbal dressé par l’administration.

Sur base de ce procès-verbal, une contrainte a été rédigée, visée et rendue exécutoire. La partie adverse a déposé une requête fiscale au greffe du tribunal de première instance néerlandophone de Bruxelles. Le juge siégeant en première instance a déclaré la demande recevable mais non fondée. L’assujettie a déposé un recours en appel contre ce jugement.

2) L’arrêt de la cour d’appel

* Le régime particulier d'imposition de la marge bénéficiaire

Pour pouvoir appliquer le régime de la marge bénéficiaire pour les voitures, conformément à l'article 58, § 4, du Code de la TVA, l'assujetti doit démontrer que son fournisseur est une personne non assujettie ou un assujetti qui n'a pu exercer aucun droit à déduction ou aucun droit à restitution de la TVA acquittée au moment de l'achat, de l'acquisition intracommunautaire ou de l'importation du moyen de transport. Une copie du certificat d'immatriculation du véhicule établi au nom du fournisseur constitue un moyen de preuve important à cet égard.

L’assujettie n'est pas en mesure de produire le certificat d'immatriculation établi au nom du fournisseur pour un certain nombre de factures émises. Pour ces ventes, seule une liste de stock a été présentée par la partie adverse. La cour constate que la partie adverse n'apporte pas les preuves nécessaires pour démontrer que les ventes satisfassent aux conditions d'application du régime de la marge bénéficiaire. En outre, la Cour d'appel confirme également que la simple présentation d'une liste de stock est insuffisante comme moyen de preuve.

* La force majeure

La partie adverse a invoqué un cas force majeure en raison de la maladie affectant la personne responsable de son administration et de sa comptabilité. La cour d'appel constate que la partie adverse ne peut pas démontrer que cela avait eu une quelconque influence sur la tenue de sa comptabilité. En outre, la cour d'appel souligne également qu'une maladie n'est en principe pas un facteur permettant de décider qu’il y a un cas de force majeure.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Arrest van het hof van beroep te Brussel, d.d. 03.11.2021

Rol: 2017/AF/257

INZAKE

A.Y.BVBA, ON 088...70, met maatschappelijke zetel te ..., appellant, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ...

TEGEN:

De BELGISCHE STAAT - Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal (gewestelijk) directeur van het centrum KMO Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan nr. 50/ B3404, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ...

In deze zaak spreekt het hof, na beraad, volgend arrest uit in openbare zitting :

Voorgaanden en vorderingen

Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid :

- het vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel (33° kamer) van 3 april 2017 (2015/4351/A), op tegenspraak uitgesproken, waarvan geen betekeningsakte wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van appellante, neergelegd ter griffie van het hof op 16 augustus 2017;

- de conclusies, syntheseconclusies en syntheseconclusies van geïntimeerde neergelegd ter griffie op respectievelijk 24 oktober 2017, 26 februari 2018 en op 6 augustus 2021;

- de conclusies van appellante neergelegd ter griffie op 29 juli 2021;

- de stukken van geïntimeerde (het administratief dossier van de Belgische Staat : hierna : "A.D.") neergelegd ter griffie van het hof op 26 februari 2018 en

- de stukken van appellante neergelegd op 8 september 2021.

Procedure in eerste aanleg

Bij verzoekschrift neergelegd op 26 oktober 2015 stelde appellante een vordering in rechte in tegen geïntimeerde en vorderde de BTW vordering vervat in het dwangbevel met RCIV n° 500/1344/56928 uitgevaardigd op 4 december 2014, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5 december 2014 en betekend aan appellante op een niet medegedeelde datum nietig te verklaren en de Belgische Staat te veroordeling tot terugbetaling van alle op grond ervan ten onrechte ontvangen sommen.

Geïntimeerde concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

Bij vonnis van 3 april 2017 verklaarde de eerste rechter de vordering van appellante ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde appellant tot de kosten van het geding.

Procedure voor het hof

Middels verzoekschrift neergelegd op 16 augustus 2017 stelt appellante hoger beroep in tegen voormeld eindvonnis van 3 april 2017 en vordert de hervorming van het bestreden vonnis, de gegrondverklaring van de oorspronkelijke vordering en zodoende de vernietiging van de BTW vordering vervat in het dwangbevel met RCIV n° 500/1344/56928 uitgevaardigd op 4 december 2014, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5 december 2014 en betekend aan appellante op een niet medegedeelde datum

Appellante vordert ook de verlaging van de erin vervatte bedragen te bevelen.

Geïntimeerde concludeert tot de onontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep.

Relevante feiteliike gegevens

Samengevat zijn volgende feiten van belang voor de behandeling van voorliggend geschil. Appellante is een vennootschap die hoofdzakelijk tweedehandswagens aan particulieren verkocht.

Op 13/09/2013, 11/04/2014 en 25/08/2014 werden diverse correctieopgaves aan appellante opgestuurd omtrent de voorwaarden vereist voor de aanrekening van BTW op de marge in geval van verkoop van tweedehands wagens (art. 58, §4 W.BTW).

Appellante zou voor een aantal verkopen niet voldoen aan de voorwaarden.

Appellante was hiermee telkens slechts deels akkoord.

Op 27/11/2014 werd dan ten aanzien van appellante een proces-verbaal opgesteld, waarin werd vastgesteld dat appellante verschuldigd was:

BTW:

Verminderde proportionele geldboete: € 36.177,44

Interesten vanaf 21/01/2012. € 3.610,00;

Op 04/12/2014 werd voor dit bedrag een dwangbevel met referentie nr. 500/1344/56928 opgesteld; geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 05/12/2014.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 26 oktober 2015 stelde appellante tenslotte een vordering in rechte in tegen geïntimeerde waarbij het dwangbevel wordt aangevochten. Die vordering resulteerde in het bestreden vonnis.

Noch appellante noch haar raadsman waren bij de behandeling van de zaak voor de eerste rechter aanwezig. De zaak was vastgesteld op grond van art. 747 Ger. W. en werd op verzoek van geïntimeerde behandeld (vgl. art. 747§2 al. 6 Ger. W.).

Het hoger beroep van appellante is gericht tegen het bestreden vonnis.

In rechte

Standpunt appellante

Appellante voert in haar syntheseconclusies volgende middelen aan

- het hoger beroep van appellante is wel degelijk ontvankelijk;

- er is overmacht voorhanden inzake;

- naar best vermogen werden de stocklijsten medegedeeld op 16 juli 2013 als bewijs van toepassing van de BTW volgens winstmarge.

Standpunt geïntimeerde

Geïntimeerde argumenteert dat:

- de eerste rechter heeft alle argumenten van appellante ten gronde onderzocht,

- er was niet aan de voorwaarden voor de toepassing van de margeregeling voldaan. In tegenstelling tot hetgeen appellante beweert kan de stocklijst alleen niet het bewijs leveren dat de verkopen onder de margeregeling vallen.

- het feit dat de zus van de zaakvoerder die de boekhouding deed aan een belangrijke inzinking leed vormt geen overmacht. Er wordt geen bewijs bijgebracht van invloed van die ziekte op de boekhouding van de vennootschap. Er werd door de controleur rekening gehouden met alle stukken die werden voorgelegd en er werd voldoende tijd gegeven om de ontbrekende stukken op te zoeken.

- het is niet zo dat verschillende stukken ter beschikking van controleur zouden zijn gelaten maar dat die geen contact meer zou hebben genomen met de belastingplichtige en een onmiddellijk een regularisatieopgave zou hebben opgesteld. Er was een uitgebreide correspondentie tussen de administratie en de belastingplichtige.

- de controleur heeft om toch maar tot enig akkoord te kunnen komen de facturen waarvoor men een inschrijvingsbewijs van het voertuig als enig bewijs kon voorleggen, maar zonder attest, aanvaard als voldoende bewijs om de winstmarge te kunnen toepassen. Verder is het normaal dat de fiscale administratie een naheffing oplegt indien het na een jaar en tien maanden niet tot een akkoord komt met de belastingplichtige.

Beoordeling

Ontvankeliikheid

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist door geïntimeerde.

Nu er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn, is het tijdig en regelmatig ingesteld hoger beroep ontvankelijk.

Gegrondheid

1

Wat de door de Belgische Staat opgeworpen onontvankelijkheid wegens gebrek aan motivatie van het gedinginleidend verzoekschrift betreft is het hof met de eerste rechter van oordeel dat de vordering van appellante ontvankelijk is.

De gedinginleidende akte is een tegensprekelijk verzoekschrift.

Artikel 1034ter, 4° Ger. W. bepaalt dat het verzoekschrift op straffe van nietigheid het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering bevat.

De verplichting om in de dagvaarding het onderwerp en de middelen te vermelden, heeft in het bijzonder tot doel de rechten van verdediging te waarborgen. De verweerder moet immers aan de hand van de dagvaarding weten wat van hem wordt gevorderd en waarom zulks gebeurt (vgl. FETTWEIS, A., Manuel de procédure civile, Luik, 1987, nrs. 196 en 199).

Met de woorden "korte samenvatting van de middelen" wordt niet de opgave van de rechtsregels waarop de vordering zou steunen bedoeld.

Het volstaat de feitelijke gegevens aan te voeren die aan de vordering ten grondslag liggen, omdat de rechter, met eerbiediging van de rechten van verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgedragen feiten, zonder het voorwerp noch de oorzaak van de vordering te wijzigen, de rechtsregels moet toepassen op grond waarvan hij de vordering zal inwilligen of ze zal afwijzen (vgl. Cass., 24 november 1978, Arr. Cass., 1978-1979, 341);

In het verzoekschrift inzake wordt het onderwerp en de middelen van de vordering weergegeven namelijk het betwisten van het dwangbevel en de ermee gevorderde bedragen aan BTW.

Samen met geïntimeerde dient vastgesteld te worden dat het verzoekschrift inderdaad zeer summier gemotiveerd is, maar (zoals de eerste rechter terecht overwoog) dat het voorwerp en de discussiepunten omschreven zijn.

De Belgische Staat heeft zich hieromtrent ook kunnen verweren, zodat er geen belangenschade is (vgl. art. 861 Ger.W.). Er is dus geen reden om het verzoekschrift nietig te verklaren.

Daar voor het overige geen gronden van niet ontvankelijkheid worden opgeworpen of vastgesteld, is de vordering ontvankelijk.

2

Appellante is een BTW - belastingplichtige. Dit wordt niet betwist.

De BTW plicht bestaat immers van zodra er sprake is van een economische activiteit, al dan niet met winstoogmerk, die op een regelmatige en zelfstandige wijze wordt uitgeoefend (vgl. artikel 4 WBTW).

3

Door artikel 58, § 4 van het WBTW werd, conform de richtlijn 94/5/EG van 4 februari 1994, een bijzondere regeling ingevoerd voor de belastingheffing over de winstmarge (winstmargeregeling) gerealiseerd door belastingplichtige wederverkopers van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten. Het KB nr. 53 regelt de uitvoering van artikel 58, § 4 van het WBTW.

De belastingplichtige wederverkoper dient voor zijn aankopen of voor de consignatiezendingen een aankoopborderel uitreiken, tenzij de verkoper tot uitreiking van een factuur verplicht is (kleine onderneming of andere belastingplichtige wederverkoper). Deze documenten moet hij inschrijven in een aankoopregister of afzonderlijk in zijn aangepast boek voor inkomende facturen. De goederen waarvoor hij niet kan aantonen dat hij ze gekocht heeft van de voornoemde personen, worden geacht verkregen te zijn onder de normale regeling.

Aanschrijving nr. 95/002 preciseert in dit verband (vgl. nr. 67 aanschrijving 95/002) :

"De bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge kan door de belastingplichtige wederverkoper slechts worden toegepast op voorwaarde dat hij:

1 ° een aankoopborderel uitreikt aan zijn leverancier om de aankoop van de bedoelde tweedehandse vervoermiddelen bij die leverancier vast te stellen, behoudens indien deze er zelftoe gehouden is hem een factuur of een als zodanig geldend stuk uit te reiken;

2° kan bewijzen, door alle middelen van het gemene recht doch uitgezonderd de eed, dat

zijn leverancier één van de personen is opgesomd onder nr. 8 en dat deze geen enkel recht op vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft kunnen uitoefenen bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van het vervoermiddel dat hij verkoopt aan de belastingplichtige wederverkoper;

3 ° een kopie bewaart van het inschrijvingsbewijs van het vervoermiddel in de gevallen waar

overeenkomstig de reglementering betreffende de inschrijving van motorvoertuigen een inschrijvingsbewijs is vereist;

4 ° een aankoopregister houdt met de aankopen van de tweedehandse vervoermiddelen (z. nrs. 77 tot 79);

5 ° een vergelijkingsregister houdt (z. nr. 82);

6° de tweedehandse vervoermiddelen die hij koopt individualiseert;

7° voor de verkopen van tweedehandse vervoermiddelen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, een afzonderlijke boekhouding voert of, indien hij geen afzonderlijke boekhouding voert, deze handelingen inschrijft in afzonderlijke kolommen in zijn boek voor uitgaande facturen en in zijn dagboek van ontvangsten."

Het nummer 72 van voormelde aanschrijving preciseert

"Eén der elementen die bijdragen tot het leveren van het bewijs dat het vervoermiddel werd verkregen van één der beoogde personen is de voorlegging van een door de leverancier ondertekend attest, of een kopie ervan.

Op het tijdstip van de levering van het vervoermiddel door de leverancier (niet­ belastingplichtige of belastingplichtige, beoogd onder nr. 8) aan de belastingplichtige wederverkoper, dient deze laatste een formulier van attest (z. model in bijlage IV) te overhandigen aan de leverancier.

In dit attest bevestigt de leverancier zijn hoedanigheid (particulier, niet-belastingplichtige rechtspersoon, enz..., z. nr. 8} en verklaart hij dat hij geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft kunnen uitoefenen bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van het vervoermiddel dat hij aan de belastingplichtige wederverkoper levert.

Na het attest te hebben ingevuld en ondertekend, geeft de leverancier het formulier terug aan de belastingplichtige wederverkoper. Deze dient het, samen met een kopie van het inschrijvingsbewijs van het vervoermiddel in de gevallen waar overeenkomstig de reglementering betreffende de inschrijving van motorvoertuigen een inschrijvingsbewijs is vereist, te bewaren als bijlage bij het dokument opgesteld om de aankoop vast te stellen (aankoopborderel of factuur)."

Uit het dossier blijkt dat appellante niet bewijst dat voldaan is aan de voorwaarden om te kunnen genieten van de margeregeling van art. 58, §4 W.BTW.

In tegenstelling tot hetgeen appellante beweert kan de "stocklijst" alleen niet het bewijs leveren dat de verkopen onder de margeregeling vallen.

De verschuldigde BTW werd dus correct vastgesteld door de fiscale administratie. Over wettelijk verschuldigde bedragen kunnen geen "overeenkomsten" worden afgesloten.

4

Zonder ook maar één enkel bewijs van de invloed van "de ziekte van de zus van de zaakvoerder van appellante" op de boekhouding van de vennootschap kan er door de fiscale administratie geen rekening worden gehouden met die feiten.

Overigens is een ziekte "op zich" in principe geen factor die tot overmacht laat besluiten.

Bovendien blijkt uit het dossier dat er weliswaar sprake is van een depressie in 2013 terwijl er briefwisseling (e-mail verkeer) in 2014 werd gevoerd met uitwisseling van documenten en dit terwijl de beslissing van naheffing pas op 28 november 2014 werd verstuurd. Er kan dan bezwaarlijk sprake zijn van overmacht.

5

Uit vorenstaande vaststellingen en overwegingen volgt dat het hoger beroep ongegrond is.

Aangaande de kosten en de rechtsplegingsvergoeding

Gezien het voorgaande dient appellante te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, begroot op de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van geïntimeerde, zijnde het geïndexeerd basistarief zoals vastgesteld bij K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Uit het dossier blijkt dat partiien het erover eens zijn dat de waarde van de vordering zich situeert in de schiif van €40.000 - €60.000 en dat het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding o p €3.250 dient te worden begroot.

Dispositif

OM DEZE REDENEN, HET HOF,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis in zijn geheel,

Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde begroot op de rechtsplegingvergoeding van€ 3.250.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de fiscale kamer "6N" van het hof van beroep te Brussel, op 3 november 2021, alwaar aanwezig waren en zitting namen :

Ondertekeningen

Décision jointe par le SPF

Jugement du tribunal de première instance

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

NEDERLANDSTALIGE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG BRUSSEL, 33ste kamer Vonnis

Datum van uitspraak 3 april 2017

In de zaak van:

De B.V.B.A. A.Y., met maatschappelijke zetel te ... en KBO-nr. 088...70, met als raadsman mr. ..., advocaat met kantoor te ...; die niet verschijnt ter zitting,

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, F.O.D. Financiën, in persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12 voor wie optreedt de Adviseur-generaal, Gewestelijke Directeur van het KMO-Centrum Brussel 1, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3404, verwerende partij, vertegenwoordigd door mevrouw X, attaché;

In deze zaak, in beraad genomen op 06/03/2017, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:

Gelet op:

■ het tegensprekelijk verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 26/10/2015;

■ de beschikking overeenkomstig artikel 747 Ger.W. van 04/12/2015;

■ de eerste conclusies, de aanvullende conclusies en de syntheseconclusie voor verweerder, neergel_egd ter griffie op respectievelijk 29/03/2016, 30/09/2016 en 30/01/2017;

■ de besluiten en de aanvullende en synthesebesluiten voor eiseres, neergelegd ter griffie op respectievelijk 14/07/2016 (per fax, in origineel op 15/07/2016) en 01/12/2016 (per fax, in origineel op 05/12/2016); en

■ de stukken van verweerder, neergelegd ter griffie op 30/01/2017.

Gehoord de vertegenwoordiger van verweerder iri de openbare terechtzitting van 06/03/2017, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. Eiseres verscheen niet ter zitting van 06/03/2017, waarop de zaak bij beschikking van 04/12/2015 was vastgesteld. Op 06/03/2017 verzocht de raadsman van eiseres om een uitstel om reden van een ziekenhuisopname. Verweerder vorderde evenweI ter zitting de zaak in beraad te nemen.

Aangezien de zaak regelmatig werd vastgesteld op de zitting van 06/03/2017 bij beschikking op grond van art. 747 Ger.W., dient_ op vordering van verweerder de zaak behandeld te worden en is de zaak op tegenspraak ten aanzien van eiseres (art. 747, 92, al. 6 Ger.W.).

I. FEITEN

2. Op basis van de beperkte stukken die beschikbaar zijn, kunnen de voor huidig geding relevante feiten als volgt samengevat worden. Opgemerkt moet worden dat de feitelijke uiteenzetting van verweerder niet wordt betwist.

Op 13/09/2013, 11/04/2014 en 25/08/2014 werden diverse correctieopgaves aan eiseres opgestuurd omtrent de voorwaarden vereist voor de aanrekening van BTW op de marge in geval van verkoop van tweedehands wagens (art. 58, §4 W.BTW). Eiseres zou voor een aantal verkopen niet voldoen aan de voorwaarden. Eiseres was hiermee telkens slechts deels akkoord.

Op 27/11/2014 werd dan ten aanzien van eiseres een proces-verbaal opgesteld (bijlage bij verzoeksèhrift), waarin werd vastgesteld dat eiseres verschuldigd was:

BTW:

Verminderde proportionele geldboete: € 36.177,44

Interesten vanaf 21/01/2012. € 3.610,00;

Op 04/12/2014 werd voor dit bedrag een dwangbevel met referentie nr. 500/1344/56928 opgesteld; geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 05/12/2014.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 26/10/2015 wordt dit dwangbevel aangevochten.

ll. VOORWERP VAN DE VORDERING

3. Eiseres biedt ter afsluiting van de discussie aan een bedrag van € 35.000,00 (min de reeds betaalde€ 9.000,00) te betalen als dading.

Verweerder besluit tot de onontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering van eiseres en eiseres te veroordelen tot betaling van de bedragen opgenomen in het betwiste beslissing tot naheffing.

III. BEOORDELING

III.1. De ontvankelijkheid

4.

4.1. Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de_ vordering van eiseres omdat het verzoekschrift niet gemotiveerd is.

4.2. Het verzoekschrift dient onder meer te bevatten op straffe van nietigheid: het voorwerp en een korte samenvatting van de middelen van de vordering (art. 1034ter, 4° Ger.W.). Samen met verweerder dient vastgesteld te worden dat het verzoekschrift inderdaad zeer summier gemotiveerd is, doch dat het voorwerp en de discussiepunten omschreven zijn. Verweerder heeft zich hieromtrent ook kunnen verweren, zodat er geen belangenschade' is (art. 861 Ger.W.). Er is dus geen reden om het verzoekschrift nietig te verklaren.

Daar voor het overige geen gronden van niet ontvankelijkheid worden opgeworpen of vastgesteld, is de vordering ontvankelijk.

III.2. Ten gronde

5. Eiseres bewijst niet dat voldaan is aan de voorwaarden om te kunnen genieten van de margeregeling van art. 58, §4 W.BTW. De verschuldigde BTW werd dus correct vastgesteld. Over wettelijk verschuldigde bedragen kunnen geen overeenkomsten afgesloten worden, laat staan dat dit door de rechtbank zou kunnen vastgesteld worden.

De betaling die eiseres aanvoert, handelt klaarblijkelijk over een andere schuld.

De vordering van eiseres is bijgevolg niet gegrond en zij wordt veroordeeld tot betaling van de in het betwiste dwangbevel opgenomen bedragen.

IV. DE KOSTEN

6. De vordering van eiseres is ongegrond, zodat eiseres veroordeeld wordt tot de kosten van het geding.

Verweerder werd niet bijgestaan door een advocaat zodat verder geen kosten te begroten zijn.

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak, op tegenspraak in toepassing van art. 747, §2, al. 6 Ger.W. ten aanzien van eiseres,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch niet gegrond,

Veroordeelt eiseres tot betaling van de bedragen opgenomen in de beslissing tot naheffing van 28/11/2014,

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, niet verder te begroten,

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 3 april 2017.

Waar aanwezig waren en zitting namen:

Ondertekeningen

Textes cités

2
CTVA art. 585 occurrences
CTVA art. 41 occurrence

Décisions similaires

8