Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Corps de la décision
ARRET G 00/11
Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 22.03.2000
Recours appel - Consignation
Un assujetti intente un appel à l'encontre d'un jugement du tribunal de première instance, parce qu'il estimait non fondée l'action de l'Administration de la T.V.A pour des motifs liés à des vices de procédure. Conformément à l'article 92 du C.TVA, l'assujetti fut prié de consigner les sommes contestées, en ce que l'appel aurait pu être purement dilatoire, que les droits du Trésor auraient été mis en danger et que ceux-ci ne pouvaient être sauvegardés d'aucune autre manière. L'unique immeuble de la société était déjà grevé d'une inscription hypothécaire qui excédait la valeur du bien. La cour estime que la requête en consignation est régulière et suffisamment motivée et que l'assujetti n'ayant donné aucune suite à cette requête, l'appel était irrecevable.
13° Kamer
Alleenrechtsprekend Kamervoorzitter: Dhr. L. Gallet
Griffier: Dhr. C. Sonneville
Partij: Feric B.V.B.A. t. De Belgische Staat
Rolnr.: 1997/AR/1016
Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 17 april 1997 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 3 maart 1997 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vijfde kamer.
Er wordt geen bewijs van betekening van dit vonnis voorgelegd.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
De procedure voor het Hof
De rechtsdag werd bepaald met toepassing van art. 750 § 2 Ger. W. De appellante is niet verschenen ter terechtzitting, noch iemand voor haar.
Daar de appellante voor het Hof geconcludeerd heeft, wordt het huidig arrest verleend op tegenspraak.
De feiten en de retroacta
Het werd niet betwist dat de appellante BTW verschuldigd was voor de periode van 20 november 1987 tot 20 april 1988 en dat deze BTW niet werd betaald, noch geheel, noch gedeeltelijk.
De appellante hield echter voor dat de verjaring van de vordering van de administratie normaliter zou ingetreden zijn in de maand april 1993 en dat, ingevolge de toezending van een dwangbevel op 3 mei 1990, de verjaring werd bereikt op 3 mei 1995.
De appellante betwistte niet dat haar op 8 september 1994 een aangetekende brief, met dwangbevel, werd toegestuurd. Zij beweerde echter dat deze brief niet was ondertekend, zodat hij ongeldig was en geen stuiting kon uitmaken. Daaruit leidde zij af dat de vordering van de administratie verjaard was.
De administratie beweerde dat het origineel van de aangetekende brief dd. 8 september 1994 wel ondertekend was en vroeg dat de appellante het haar toegestuurde origineel van deze brief zou voorleggen; zij stelde ook een tegeneis wegens tergend en roekeloos geding en vorderde uit dien hoofde een schadevergoeding van 20.000 fr.
De appellante legde het haar toegestuurde exemplaar van het aangetekend schrijven niet voor en steunde haar bewering op het dubbel van de brief, dat zich in het dossier van de administratie bevond.
De eerste rechter overwoog dat de appellante het haar toegestuurde exemplaar niet voorlegde, dat het niet ongebruikelijk was dat het dubbel niet ondertekend werd en dat het zelfs niet vereist was dat de brief werd ondertekend omdat de naam van de afzender duidelijk was aangebracht. Hij oordeelde dat de vordering niet verjaard was, zodat het verzet niet gegrond was en willigde de tegeneis in.
Het hoger beroep
In de beroepsakte herhaalde de appellante de argumenten welke zij aan de eerste rechter had voorgelegd.
Bij aangetekend schrijven dd. 3 juni 1997 werd aan de appellante gevraagd de verschuldigde bedragen te consigneren overeenkomstig art. 92, tweede lid BTW-wet.
De appellante gaf geen gevolg aan dit verzoek.
De administratie riep vervolgens in dat het hoger beroep niet ontvankelijk is wegens het ontbreken van consignatie.
De appellante bestrijdt deze bewering en stelt dat het hoger beroep - in strijd met wat de administratie voorhoudt - niet dilatoir is om de enkele reden dat geen nieuwe argumenten worden ingeroepen en dat elke rechtsonderhorige het recht heeft de argumenten welke werden afgewezen door de eerste rechter voor te leggen aan de hogere rechtsmacht.
Beoordeling
In het verzoek tot consignatie werd ingeroepen dat het hoger beroep dilatoir was, dat de rechten van de Schatkist in gevaar waren en dat ze op geen enkele andere manier veilig konden gesteld worden omdat het enig onroerend goed van de vennootschap reeds was belast met een hypothecaire inschrijving welke de waarde van dit goed te boven ging.
Het dilatoir karakter van het hoger beroep kan inderdaad worden afgeleid uit het feit dat de appellante - welke als enige haar bewering inzake de niet-ondertekening van het aangetekend schrijven dd. 8 september 1994 kan (en moet) bewijzen - zowel voor de eerste rechter als thans voor het Hof, nalaat dit schrijven (hetzij in origineel, hetzij in een fotokopie) voor te brengen, terwijl zij anderzijds de principiële gegrondheid van de BTW-schuld niet betwist.
Het verzoek tot consignatie was derhalve regelmatig en afdoende gemotiveerd.
En daar de appellante geen gevolg heeft gegeven aan dit verzoek, is het hoger beroep niet ontvankelijk.
Dispositif
Op deze gronden,
het Hof,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk bij gebrek aan consignatie.
Veroordeelt de appellante tot de kosten van de aanleg in haren hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en in hoofde van de geïntimeerde begroot op 16.800 fr. rechtsplegingsvergoeding, volgens opgave.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.