Le texte de ce document est en néerlandais.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 02.11.2010
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep te Gent - 5e kamer
Nr.2009/AR/1705
in de zaak van :
J. B.V.B.A.,
met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,
appellante,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. E. loco mr. V. M., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging van de Administratie van de Invordering, sector BTW, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het Btw-Ontvangkantoor te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. S. L., advocaat te …, …,
spreekt het Hof het volgend arrest uit:
Bij verzoekschrift neergelegd de appellante tijdig en regelmatig tegen het vonnis uitgesproken op 8 vierde kamer van de Rechtbank van Brugge, waarbij haar fiscale vordering werd afgewezen. Deze vordering strekte ertoe deze ontvankelijk en gegrond te doen verklaren en opnieuw wijzende het initiële bezwaar van 6 december 2006 ontvankelijk en gegrond te doen verklaren en de geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van de door de appellante gedane betalingen, meer de wettelijke intresten en de kosten.
Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis te doen vernietigen en opnieuw wijzende haar oorspronkelijke vordering in te willigen met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen.
Op haar beurt vordert de geïntimeerde het bestreden vonnis te bevestigen en de appellante te veroordelen in de kosten.
De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
Feitelijke gegevens
Appellante, J. BVBA is voor haar economische activiteiten zijnde, het herstel en onderhoud van computers en de handel in vijverbenodigdheden en toebehoren, tuinbenodigdheden, bloemen en planten als Btwbelastingplichtige geregistreerd.
Op 31 januari 2006 en 30 oktober 2006 werd door het A.O.I.F., sector BTW te Brugge, een beperkte controle uitgevoerd teneinde de juiste toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting toegevoegde waarde na te gaan.
Hiertoe werd aan appellante gevraagd op grond van artikel 61 §1 W.BTW inzage te verlenen van de boeken en stukken die zij overeenkomstig artikel 60 W.BTW moet bewaren en die betrekking hebben op de handels- en/of beroeps werkzaamheden uitgeoefend tijdens de periode van 1 januari 2003 - 31 december 2004.
De overtredingen vastgesteld tijdens de uitgeoefende controleverrichtingen in een correctieopgave van 27 november 2006, betreffen ondermeer
1) inbreuken op de aftrekregeling (toepassing van artikel 45, § 1 W.BTW en artikel 3 van het Koninklijk Besluit nr. 3);
2) inbreuken op de toepassing van de verlegging van de heffing (toepassing artikel 51 W.BTW en artikel 20 van het Koninklijk Besluit nr. 1);
3) overtredingen inzake de intracommunautaire leveringen (toepassing artikel 25ter W.BTW).
De vastgestelde overtredingen werden opgenomen in het proces-verbaal van 15 december 2006. Op 18 december 2006 werd door de e.a. inspecteur van het Btw-Ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd dat op 19 december 2006 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door de e.a. inspecteur, daartoe aangewezen door de Gewestelijke directeur van de BTW te Brugge. Het dwangbevel werd op 20 december 2006 bij aangetekend schrijven aan de appellante ter kennis gebracht voor een bedrag van … EUR, zijnde … EUR verschuldigde BTW en … EUR geldboete, te vermeerderen met de wettelijke en moratoire interesten.
De appellante had een bedrijfsgebouw opgericht met woongelegenheid waarin de BVBA A. gevestigd is. Tussen de appellante en de BVBA A. werd een overeenkomst afgesloten getiteld "huurovereenkomst" op 21 november 2003. Bij overeenkomst van 24 februari 2004 werd het woongedeelte uitgesloten.
De appellante stelde gerechtigd te zijn op aftrek van BTW omdat de overeenkomst een terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen tot voorwerp heeft. De geïntimeerde daarentegen stelt dat het een onroerende verhuur betreft, zijnde een van BTW vrijgestelde handeling.
Nadat een dwangbevel werd betekend werd door de appellante verzet aangetekend dat bij het bestreden vonnis werd afgewezen op grond van onder meer de overschrijding van de 10% regel. De opslag bedraagt meer dan 10% van de totale oppervlakte van het gebouw.
Door de appellante werd hoger beroep aangetekend. Het is deze betwisting die aan de oorsprong ligt van het geschil.
Beoordeling
1.M.b.t. de motiveringsplicht
Het dwangbevel is een bestuurshandeling zoals omschreven in artikel 1, eerste gedachtestreepje van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen nl. een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur.
Zodoende dient dit dwangbevel krachtens artikel 2 van de wet van 29.07.1991 uitdrukkelijk te worden gemotiveerd. Artikel 3 van de wet van 29.07.1991 bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat die motivering afdoende moet zijn. Met dit laatste wordt bedoeld dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen.
Te dezen wordt in het proces-verbaal van 15.12.2006, bijlage bij het dwangbevel, telkens afdoende aangegeven om welke redenen de Btw-aftrek wordt verworpen. Er wordt tevens aangegeven welke wettelijke bepalingen dienen te worden toegepast en waarom.
De juiste en draagkrachtige, feitelijke en juridische redenen zijn vermeld zodat in de gegeven omstandigheden het dwangbevel afdoende gemotiveerd is.
2. De betwisting tussen de partijen betreft het feit of de overeenkomst tussen de appellante en de BVBA A. als een onroerende verhuur dient te worden gekwalificeerd waarop de vrijstelling van artikel 44, §3, 2 W.BTW van toepassing is (standpunt van de Belgische Staat) dan wel als een terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan artikel 18, § 1, tweede al., 9° W.BTW (stelling van de appellante).
Voorafgaandelijk moet nog worden gesignaleerd dat het proces-verbaal opgesteld op 15 december 2006 geldt tot bewijs van het tegendeel. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de BVBA A. als activiteit heeft het assembleren en fabriceren van alle onderdelen in plastiek bestemd voor aquariums.
De vrijstelling voor onroerende verhuur voorzien bij artikel 44, § 3, 2° Btw-wetboek en artikel 13 B. b van de zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG Raad 17 mei 1977 vormt een uitzondering op het algemene beginsel dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, en moet strikt worden uitgelegd (zie bijvoorbeeld HvJ, dd. 11.6.2009, C- 572/07, inzake RLRE Tellmer Property sro tegen Financnî reditelstvî v Ûstî nad Labem, cijfer 16). Dit beginsel van strikte uitlegging betekent evenwel niet dat de bewoordingen die ter omschrijving van de vrijstellingen van artikel 13 van de Zesde Richtlijn zijn gebruikt aldus moeten worden uitgelegd dat zij geen effect meer sorteren. Deze dienen te worden uitgelegd in het licht van hun context en van de doelstellingen en algemene opzet van de Zesde Richtlijn, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de ratio legis van de betrokken vrijstelling (zie bijvoorbeeld HvJ, dd. 16.10.2008, C- 253/07, inzake van Canterbury Hockey Club, Canterbury Ladies Hockey Club tegen The Commissioners for Her Majesty's Revenue and Customs, cijfer 17-1).
Verhuur van onroerende goederen in de zin van artikel 13, B.b, van de Zesde richtlijn bestaat in wezen daarin dat een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan, en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten (zie bijvoorbeeld HvJ, dd. 11.6.2009, C-572/07, inzake van RLRE Tellmer).
Uit voormelde definitie kunnen vijf essentiële kenmerken worden gedistilleerd :
- de overeengekomen tijdsduur;
- de vergoeding;
- het verlenen van een gebruiksrecht;
- een onroerend goed;
- de aard van het gebruiksrecht als eigenaar en ieder ander daarvan uit te sluiten.
Volgens de overeenkomst dd. 21.11.2003 gesloten tussen de appellante en de BVBA A. werd een huurovereenkomst gesloten voor een magazijn met burelen, gelegen te …, … tegen een maandelijkse vergoeding van … EUR. Tevens werd de overeenkomst afgesloten voor een periode van negen jaar, opzegbaar bij het einde van het derde en het zesde jaar. Aangenomen kan worden dat op basis van de overeenkomst de BVBA A. gerechtigd is ieder ander van het genot van het onroerend goed uit te sluiten.
In acht genomen deze gegevens komt het Hof tot het besluit dat de terbeschikkingstelling van het bedoelde deel van het onroerend goed aan de definitie van onroerende verhuur voldoet.
3. In overeenstemming met de Zesde Richtlijn heeft de Belgische Wetgever uitdrukkelijke uitsluitingen van de vrijstelling van onroerende verhuur onder meer wanneer het gaat om een terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen.
Naar Belgisch recht gaat het dan toch niet om een onroerende verhuur maar om een dienst (artikel 18, §1, lid 2, 9 en artikel 44, §3, 2 ,a tweede gedachtestreepje Btw-wetboek). Wat dit laatste aspect betreft past de geïntimeerde een administratieve tolerantie toe in die zin dat wanneer de oppervlakte van het kantoor van de opgeslagen goederen niet meer dan 10% van de totale oppervlakte van het gebouw bedraagt het nog steeds een terbeschikkingstelling van bergruimte betreft. Daarbij zou de eerste rechter enkel uitgegaan zijn van de bouwplannen en niet van de werkelijke situatie.
Ook indien men de onroerende verhuur (als uitzondering op de Btw-onderworpenheid) strikt interpreteert en de terbeschikkingstelling van de bergruimte voor opslag van goederen (als uitzondering op deze uitzondering, die terug leidt tot de Btw-onderworpenheid) ruim interpreteert, kan men op grond van de zojuist aangehaalde gegevens niet anders dan tot het besluit komen dat de terbeschikkinggestelde ruimte niet uitsluitend voor opslag van goederen en aan activiteiten aan die opslag verbonden, wordt aangewend, maar ook voor activiteiten die met verkoop verband houden.
Overeenkomstig de administratieve beslissing is de terbeschikkingstelling van bergruimten voor het opslaan van goederen slechts aan BTW onderworpen indien de terbeschikkingstelling betrekking heeft op afzonderlijke gebouwen die uitsluitend als bergruimte voor het opslaan van goederen zijn ontworpen of ingericht en als zodanig kunnen worden gebruikt.
Uit het proces-verbaal van 15 december 2006 wordt het verhuurde pand door de huurder gebruikt als maatschappelijke en als administratieve zetel van de onderneming. Dit is de plaats waar de BVBA A. haar boekhouding en haar aan- en verkoopactiviteiten voert alsook haar administratie. De huurovereenkomst slaat bovendien op een magazijn met burelen.
Uit het P.V. blijkt bovendien dat door de huurster niet alleen goederen zijn opgeslagen doch dat daar ook productiehandelingen werden gesteld. Afgezien van de overschrijding van de 10% tolerantie worden deze ruimten niet uitsluitend gebruikt voor beheer van de opgeslagen goederen doch ook voor de exploitatie van een handelsvennootschap. Derhalve heeft de administratie terecht het ter beschikking gestelde gebouw als een van BTW vrijgestelde huur beschouwd. Het gaat namelijk over een "actieve" overeenkomst die een uitgebreide dienstverlening bevat en waar meer dan een "opslag van goederen" heeft plaats gevonden. De verwijzing naar "fabricage en assemblage" wordt door de appellante niet weerlegd en afgedaan als niet van belang. De koop-verkoop gebeurt door een netwerk van verdelers. Evenmin wordt ontkend dat ook ter plaatse wordt verkocht.
4. De appellante moet als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden tot de gerechtskosten. Aangezien de waarde van de vordering zich situeert tussen … en … EUR bedraagt de rechtsplegingsvergoeding … EUR.
Dispositif
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch wijst het af als ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.
Veroordeelt de appellante in de gerechtskosten begroot aan de zijde van iedere partij op een rechtsplegingsvergoeding van … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op TWEE NOVEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.