Prestations de services d’une agence de voyages · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 2013/7036/A 31 mai 2016

Rechercher
Texte en néerlandais

Prestations de services d’une agence de voyages

https://juriel.be/fr/jurisprudence/prestations-services-agence-voyages-regime-tribunal-bruxelles-2016-05-31-8fa3

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Numéro de rôle
2013/7036/A
Date
31 mai 2016

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

124 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles dd. 31.05.2016 (2013/7036/A)

WF 713-15-13/030251

[Favorable à l’administration]

Taxe sur la valeur ajoutée – Prestations de services d’une agence de voyages – Régime de la marge brute des agences de voyages – Dommages et intérêts

Dispositions légales

Article 1er, § 7, du Code de la TVA

Article 21ter du Code de la TVA

Article 29, § 2, du Code de la TVA

Article 45, § 4, du Code de la TVA

Arrêté royal n° 35 établissant une base forfaitaire d'imposition à la taxe sur la valeur ajoutée de la marge brute des agences de voyages

Article 1382 du Code civil

Synthèse

1. Les faits

Une demande en dommages et intérêts, fondée sur l’article 1382 du Code civil, a été diligentée contre l’Etat belge par les requérants, actionnaires et administrateurs-délégués d’une société anonyme, active dans l’industrie du voyage. Cette société a été déclarée en faillite. Elle était un tour-opérateur qui commercialisait des voyages pour un prix forfaitaire « all inclusive » à destination d’endroits situés en dehors de l’Union européenne. Ces voyages n’étaient pas vendus directement à des voyageurs particuliers mais étaient commercialisés par le biais d’intermédiaires. La société considérait que sur la base de la réglementation, elle devait soumettre ses prestations à la TVA. Toutefois, selon elle, l’Etat belge n’a jamais pris une position claire à ce sujet. Du fait qu’elle soumettait ses opérations à la TVA, elle s’est retrouvée dans une position concurrentielle difficile face aux autres agences de voyages qui facturaient sans TVA. A cause de cela elle estimait avoir subi de lourds dommages financiers qui ont eu pour conséquence qu’elle a été déclarée en faillite en 2012.

Les parties requérantes allèguent que l’Etat belge a commis une faute qui a mené la société anonyme à la faillite. Suite à cette faillite, les actions de la société ont perdu toute leur valeur ce qui leur a occasionné un dommage.

Il ressort de l’arrêt C-599/12 de la CJUE du 13 mars 2014 que l’Etat belge pouvait soumettre à la taxe sur la valeur ajoutée les opérations des agences de voyages relatives à des voyages effectués en dehors de l’Union européen.

2. Position de l’Etat belge

L’Etat belge considère qu’il n’y a pas eu de faute commise et qu’il a appliqué correctement et régulièrement la loi. Le dommage subi par les parties requérantes ne peut pas lui être imputé. Les autres tour-opérateurs qui ont exécuté des opérations similaires et qui pensaient pouvoir invoquer l’exemption de la TVA ont été contrôlés et les actions en recouvrement qui en ont résulté ont été exécutées. Il ressort clairement de l’arrêt 12/AR/2278 de la cour d’appel de Bruxelles du 4 novembre 2015 que la société n’est pas un intermédiaire et qu’il n’est pas possible de concevoir que l’on puisse intervenir en tant qu’intermédiaire lors de la vente de voyages qu’on organise soi-même.

3. Jugement

Il existe en l’espèce un dommage consécutif à la perte de valeur des actions suite au préjudice occasionné au patrimoine. En ce qui concerne le dommage qui résulte de la répercussion du préjudice du patrimoine sur la valeur des actions (dommage qualifié de dommage secondaire), l’actionnaire ne dispose pas d’action en responsabilité. L’actionnaire ne peut pas engager une demande d’indemnisation parce qu’entre l’actionnaire requérant et l’auteur du dommage il y a un patrimoine distinct. Les actionnaires ne disposent pas d’action en justice indépendante en ce qui concerne le préjudice occasionné au patrimoine.

En outre, le tribunal souligne que la cour d’appel de Bruxelles dans l’arrêt du 4 novembre 2015, déjà cité, a jugé, à juste titre, que la TVA devait être appliquée aux prestations de voyages en question (il n’existe pas d’exemption pouvant être appliquée).

L’action des parties requérantes est, dès lors, déclarée non fondée.

Observation

La décision est coulée en force de chose jugée.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel

dd. 31.05.2016

(2013/7036/A)

In zake van:

1. De heer E. V. C.. wonende te …, …

2. De EBVBA M.. met maatschappelijke zetel te …, … KBO nr. …

EISENDE PARTIJEN, Beiden vertegenwoordigd door Mr. M. L., advocaat met kantoor te …, … in aanwezigheid van de heer E. V. C., voornoemd.

Tegen:

De BELGISCHE STAAT. Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW in de persoon van de Minister van Financiën voor wie optreedt de EA Inspecteur van het BTW controlekantoor Lier, met kantoor te …, …

VERWERENDE PARTIJ, Vertegenwoordigd door Mr. J. H., advocaat met kantoor te …, …

In deze zaak, in beraad genomen op 16/02/2016, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:

Gelet op:

• de dagvaarding betekend op 27/05/2013;

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, §2 van het gerechtelijk wetboek van 23/09/2014;

• de conclusies, samenvattende conclusies en laatste samenvattende conclusies voor verweerder, neergelegd ter griffie op 14/01/15, 18/09/15 en op 18/12/15;

• de conclusies, syntheseconclusies en syntheseconclusies voor eisende partijen, neergelegd ter griffie op 23 & 24/03/15, 20/07/15 en op 23 & 26/11/15;

• de stukken voor eisende partij, neergelegd ter griffie op 12/02/15;

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 16/02/16, waarna de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

Huidig geding heeft betrekking op een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W., uitgaande van eisende partijen en gericht tegen de Belgische Staat.

Partijen waren aandeelhouders en gedelegeerd bestuurder bij N.V. O., een vennootschap actief in de reissector.

Bij vonnis van 23 januari 2012 werd de NV O. voor de Rechtbank van Koophandel te Mechelen, op bekentenis, in staat van faillissement verklaard.

De NV O. was als vennootschap actief in de reissector, meer-bepaald als touroperator met het oog op de organisatie van “pakketreizen - all inclusive" bestaande uit vluchten, hotel, vervoer van en naar, eten en drinken,...). Deze pakketreizen bestonden hoofdzakelijk uit bestemmingen die plaatsvonden buiten de Europese Unie. De pakketreizen werden niet verkocht aan particuliere reizigers maar er werd steeds met een tussenpersoon gewerkt. In de periode 2006-2010 stelden zich voor O. praktische problemen m.b.t. de (al dan niet) toepassing van B.T.W. t.a.v. pakketreizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie.

Voor bepaalde actoren in de reissector, met name voor de reisbureaus, is een van de algemene BTW principes afwijkende regeling voorzien door de Europese Unie. Er is voorzien in een bijzondere margeregeling. In bepaalde omstandigheden zijn voor deze reisbureaus ook specifieke Btw-vrijstellingen voorzien. Op grond van de Europese regelgeving ter zake, diende België deze specifieke Btw-regeling voor reisbureaus om te zetten in de Belgische BTW reglementering. De wijze waarop België deze omzetting in eerste instantie heeft gedaan en vervolgens heeft becommentarieerd in de Circulaire nr. 33 van 8 november 1978, werd fel bekritiseerd door de Europese Commissie. België heeft daarop bij twee Koninklijke Besluiten van 28 december 1999 de Belgische BTW reglementering aangepast vanaf 1 januari 2000. De aanpassing van de Circulaires ter zake werd reeds aangekondigd in 2000. Doch dit liet op zich wachten, ondanks verschillende vragen vanuit de sector betreffende overgangsregelingen, facturatieverplichtingen, toepassing van eventuele vrijstellingen, enz.

Meerdere rechtstreekse vragen van O. NV in 2005 en 2006 (vanwege raadslieden en bij monde van Dhr. E. V. C. als afgevaardigd bestuurder van O. NV) hieromtrent betreffende de specifieke situatie bleven onbeantwoord (vgl. stukken eisende partijen : 6-10).

Verwerende partij liet na om een duidelijk standpunt in te nemen, ook niet na deze herhaaldelijke vragen, en ook niet na schriftelijke vraag van de vakorganisatie Association of Belgian Tour Operators (ABTO).

N.V. O. meende dan maar dat ze aan de hand van de (wel) ter beschikking zijnde reglementering en andere bronnen BTW diende aan te rekenen en af te dragen aan de Belgische schatkist over haar handelingen ten aanzien van pakketreizen die plaatsvonden buiten de Europese Unie.

Andere actoren in de reissector die gelijkaardige handelingen verrichtten als O. NV meenden op grond van dezelfde reglementering en bronnen vrijgesteld te zijn van BTW ten aanzien van de door hen te verrichten handelingen voor pakketreizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie.

Om deze concurrentieverstoring te beëindigen en duidelijkheid te krijgen omtrent het BTW statuut had O. NV op 25 maart 2008 een vordering ingesteld bij de Stakingsrechter te Brussel tegen één van haar concurrenten, de NV S. V. daarin werd de Belgische Staat gedagvaard in tussenkomst en vrijwaring.

De uitkomst van deze procedure was een vonnis van 1 oktober 2008 waarin geoordeeld werd dat de Belgische BTW-reglementering en de toepassing ervan handelingen ten aanzien van pakketreizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie onvoldoende duidelijk is om de vordering tot staking in te willigen.

Om haar concurrentiepositie enigszins te bewaren/vrijwaren zag O. zich genoodzaakt om zich ook op het standpunt te stellen dat er geen BTW verschuldigd is.

Teneinde echter te vermijden dat ze geconfronteerd werd met massale boetes ten gevolge van het niet afdragen van BTW wilde O. handelen als een goed huisvader en onder voorbehoud van alle rechten de BTW blijven afdragen aan de Belgische Staat doch vervolgens, minstens om een verjaring van het recht tot teruggave tegen te gaan, een vordering tot teruggave instellen.

De Belgische Staat antwoordde op geen enkele vraag dienaangaande en elke medewerking bleef uit.

Omwille van het feit dat de NV O. btw toepaste op haar handelingen kwam zij in een concurrentieel moeilijke positie ten opzichte van andere reisbureaus die geen BTW toepasten. Zij leed hierdoor heel wat financiële schade.

Uiteindelijk werd O. failliet verklaard in januari 2012.

Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, 35ste kamer, d.d. 19 juni 2012 (AR 2010/446/A) werd in een geschil m.b.t. de B.T.W. in de aan de orde zijnde periode geoordeeld dat de handelingen die door NV O. werden verricht met betrekking tot reizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie vrijgesteld werden van BTW. In dit vonnis werd geoordeeld dat "de Belgische Staat wetens en willens aangaande een belangrijke controverse naliet/nalaat een standpunt in te nemen, ook niet na herhaalde vraag van belastingplichtigen, schendt zij de beginselen van behoorlijk bestuur, minstens de algemene zorgvuldigheidsnorm".

Uit een arrest van het Europees Hof van Justitie dd. 13/03/14 blijkt uiteindelijk dat de Belgische Staat op het aan de inzake aan de orde zijnde soort reizen buiten de Europese Gemeenschap aangeboden door reisbureaus BTW mocht blijven heffen.

Bij arrest dd. 4/11/15 (AR 12/AR/2278) werd het eerder aangehaalde vonnis van deze rechtbank hervormd.

In dat arrest stelt het Hof dat er terecht B.T.W. diende te worden aangerekend op de reizen in kwestie (geen vrijstelling) en "De Administratie zou soortgelijke vorderingen tot teruggaaf van andere Belgische reisbureaus wel hebben ingewilligd, hetgeen volgens geïntimeerden de concurrentie zou hebben verstoord. Dergelijke handelswijze van de administratie wordt echter niet aangetoond. De schadeeis is ongegrond".

2. VOORWERP VAN DE VORDERING.

De vordering van eisende partijen strekt ertoe te oordelen dat verwerende partij een fout zou hebben begaan die hen rechtstreekse schade heeft berokkend en de aanleiding is geweest van een volledig verlies van de waarde van de aandelen NV O..

Verder vorderen eisende partijen verwerende partij te horen veroordelen om aan concluante een provisionele schadevergoeding, ex aequo et bono begroot op € … te betalen en voorbehoud toe te kennen voor alle meerdere en/of bijkomende schade.

Tot slot beoogt ze de veroordeling van verwerende partij tot het betalen van de kosten van het geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen en de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het tussen te komen vonnis.

Verwerende partij concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. De ontvankelijkheid

Verweerder werpt in conclusies geen middelen (meer) op om de ontvankelijkheid van de vordering van eisende partij te betwisten. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van deze vordering. De vordering is dan ook ontvankelijk.

De fout bestaat uit een inbreuk op de beginselen van behoorlijk bestuur : bij onduidelijke wetgeving nalaten een standpunt in te nemen, dat verwijten eisende partijen verwerende partij. Dit is een inbreuk op de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel.

3.11. Ten gronde

Eisende partij voert aan dat verwerende partij een fout beging in de zin van de bepalingen van art. 1382 B.W. waardoor NV O. failliet ging. Gevolg daarvan was dat de aandelen van eisende partijen in NV O. niets meer waard waren en zij zodoende schade leden.

De foutieve gedragingen van verwerende partij zijn :

- het opleggen van geldboetes voor de indiening van elke verkeerde btw aangifte, zelfs indien dit louter gebeurt door de belastingplichtige ter vrijwaring van zijn recht;

- de weigering om toepassing te maken van de mogelijkheden van art. 13, 2de lid KB nr. 4;

- het niet innemen van een officieel standpunt;

- het naast zich neerleggen van het oordeel van de stakingsrechter van Brussel in het vonnis van 1/10/08.

Samengevat, zo stelt eisende partij, bestaan de fouten van verwerende partij erin dat in de periode 2005 tot 23/01/2012 verwerende partij meermaals naliet een officieel (en definitief) standpunt in te nemen m.b.t. de BTW kwestie, hetgeen tot financiële moeilijkheden en uiteindelijk het faillissement van NV O. heeft geleid.

De schade die eisende partijen opliepen is het feit dat hun aandelen NV O. niets meer waard waren/zijn.

Verwerende partij stelt dat er geen fout voorhanden is. Zij heeft gewoon correct de wet toegepast.

Zij stelt steeds een eenduidig standpunt te hebben ingenomen.

Bovendien is er van een niet-correcte omzetting van de richtlijn geen sprake.

Het nadeel dat eisende partij van concurrenten ondervond, kan niet aan verwerende partij worden toegeschreven.

Andere touroperators die gelijkaardige handelingen verrichten en meenden zich op vrijstelling van BTW te kunnen beroepen, werden gecontroleerd op vlak van BTW en 'de nodige vorderingen werden gesteld'.

De uitoefening van het recht op teruggaaf werd NV O. niet onmogelijk gemaakt. De wetgeving (art. 75 e.v. W.B.T.W. en KB nr. 4) is duidelijk.

Het standpunt van de Fiscale Administratie blijkt duidelijk uit de BTW vordering die middels de correctie - opgave dd. 16/03/10 aan eisende partij werd verzonden.

Uit het arrest van het Hof van Beroep blijkt dat NV O. geen tussenpersoon is maar zelf reizen organiseert; en dat het niet in te zien valt hoe men als tussenpersoon kan optreden bij de verkoop van reizen die men zelf organiseert. Verder blijkt uit dat arrest dat de Fiscale Administratie terecht meent dat de door NV O. verkochte reizen die buiten de Europese Unie plaatsvinden niet vrijgesteld zijn van BTW.

Beoordeling

Inzake is er schade voorhanden die bestaat in de waardevermindering van aandelen ten gevolge van schade aan het vennootschapsvermogen.

M.b.t. schade die bestaat in de reflectie van schade aan het vennootschapsvermogen op de waarde van een aandeel ("afgeleide schade genaamd") heeft de aandeelhouder geen aansprakelijkheidsvordering.

De aandeelhouder kan geen voor afgeleide schade schadevergoedingsaanspraak instellen omdat tussen de eisende aandeelhouder en de schadeveroorzaker het afgescheiden vennootschapsvermogen staat.

"De vennootschap is gerechtigd om schadevergoeding te vorderen van een derde door wiens fout het vennootschapsvermogen werd aangetast. Voor deze schade aan het vennootschapsvermogen komt aan de aandeelhouders geen zelfstandig vorderingsrecht toe" (vgl. Cassatie 23 februari 2012, T.r.v., 2012, 319).

De vordering van eisende partijen dient bijgevolg te worden afgewezen.

Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat het vonnis dd. 19 juni 2012 (AR 2010/446/A) in de zaak NV O. tegen de Belgische Staat in beroep door het Hof van Beroep van Brussel werd hervormd bij arrest dd. 4/11/15 (AR 12/AR/2278) en dat het Hof van Beroep oordeelde dat er terecht B.T.W. diende te worden aangerekend op de reizen in kwestie (geen vrijstelling). Verder oordeelde het Hof "De Administratie zou soortgelijke vorderingen tot teruggaaf van - andere Belgische reisbureaus wel hebben ingewilligd, hetgeen volgens geïntimeerden de concurrentie zou hebben verstoord. Dergelijke handelswijze van de administratie wordt echter niet aangetoond. De schadeeis is ongegrond".

De vordering van eisende partij dient zodoende ongegrond te worden verklaard.

4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eisende partijen ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van eisende partijen.

Uit het dossier blijkt dat de waarde van het geschil zich situeert op € …. Verweerder begroot de rechtsplegingsvergoeding niet.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding in toepassing van de bepalingen van het KB dd. 26 oktober 2007 begroot worden op € …. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eisende partijen ongegrond,

Veroordeelt eisende partijen tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van verweerder begroot op € ….

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 31 mei 2016.

Waar aanwezig waren en zitting namen:

De heer M. L.: rechter

Mevrouw C. V.: griffier.

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit vonnis, deze ten uitvoer zullen leggen.

Dat onze Procureurs-Generaal en onze Procureurs des Konings bij de Nederlandstalige rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle Bevelhebbers en Officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt.

Ten blijke waarvan dit vonnis, deze beschikking, is ondertekend en gezegeld met het zegel van de rechtbank.

Voor eensluidende uitgifte.

Voor de Hoofdgriffier,

De griffier,

Deze uitgifte is vrijgesteld van het griffierecht bij toepassing van

280-1° van het wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.

NEDERLANDSTALIGE

Décision jointe par le SPF

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG BRUSSEL

Textes cités

5
CTVA art. 12 occurrences
CTVA art. 21ter2 occurrences
CTVA art. 292 occurrences
CTVA art. 452 occurrences

Décisions similaires

8