Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 22.11.2021
WF 014-15-20/054732
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Travaux immobiliers – Location immobilière soumise à la TVA – Exigibilité de la TVA – Travaux de fondation
Dispositions légales
Article 1er, § 9 , 1°, article 19, § 2, troisième alinéa et article 44, § 3, 2°, d), du Code de la TVA
Résumé
1) Les faits et les antécédents de procédure
La partie adverse est une copropriétaire d'un bien immobilier. Elle a introduit une « demande de décision individuelle » pour l'application de la taxation optionnelle de la location de biens immobiliers par nature visée à l'article 44, §3, 2°, d) du Code de la TVA. La partie adverse souhaite appliquer ce régime à une tour d'habitation qui sera entièrement démantelée pendant la rénovation et qui sera agrandie aussi bien en hauteur et qu’en largeur. La rénovation concernera à la fois la fraction du bâtiment de la tour d’habitation située en sous-sol et sa fraction située au-dessus du sol.
Dans sa décision relative à cette demande, l'administration précise que le régime de la location optionnelle soumise à la TVA ne peut pas être appliqué en l'espèce. La condition, selon laquelle les taxes grevant les opérations visées à l'article 19, § 2, alinéa 3, relatives aux bâtiments mêmes et qui concourent spécifiquement à leur construction sont exigibles pour la première fois au plus tôt le 1er octobre 2018, n’est pas satisfaite.
La partie adverse a ensuite déposé une demande afin que l’administration réexamine sa décision et elle a fourni des informations complémentaires.
Par après, l'administration a confirmé sa position antérieure dans une nouvelle décision.
La partie adverse a déposé une requête contre cette décision au greffe du tribunal de première instance de Bruxelles.
2) Le jugement du tribunal de première instance
* La location immobilière optionnelle soumise à la TVA
Dans ses conclusions, la partie adverse invoque que l'administration utilise une définition erronée de la notion de « bâtiment » et considère dès lors à tort la tour d’habitation comme étant un seul bâtiment. Contrairement à l'administration, la partie adverse considère que la fraction située en sous-sol et la fraction située au-dessus du sol du bâtiment de la tour d’habitation ne doivent pas être considérées comme un seul et unique bâtiment.
Il ressort de l'article 44, §3, 2°, d), troisième alinéa du Code de la TVA qu'une distinction est effectivement faite entre les bâtiments et les fractions de bâtiment en ce qui concerne le champ d'application des conventions. Toutefois, cette distinction n'est pas faite pour les conditions relatives aux travaux de fondation.
Il ressort des pièces présentées que certains éléments qui se situent dans la fraction en sous-sol ont été substantiellement modifiés dans le cadre des travaux de fondation et font partie de manière intégrale de la fraction au- dessus du sol, notamment les installations pour l'ascenseur et les locaux techniques. Ils sont donc inclus dans les travaux de fondation en ce qui concerne le « bâtiment même ».
Selon le juge, l'administration a donc pu légalement décider que les travaux dans la fraction en sous-sol ont contribué à la construction du « bâtiment même » tel que visé à l'article 44, §3, 2°, d), troisième alinéa du Code de la TVA. Ceci est basé sur la constatation que les travaux de fondation ont été réalisés pour l'ensemble du bâtiment, dans lequel les travaux substantiels étaient réalisés à la fois dans la fraction en sous-sol et dans la fraction au-dessus du sol, et dans lequel la fraction en sous-sol desservait également partiellement la fraction au-dessus du sol.
En outre, il ressort des documents présentés que les travaux de construction de la fraction en sous-sol du bâtiment avaient déjà été facturés avant le 1er octobre 2018.
Enfin, le juge est d'avis que les deux décisions anticipées (ruling) qui ont été évoquées par la partie adverse ne démontrent pas que la position de l'administration est illégale ou que l’administration y aurait adopté une position différente.
Le tribunal arrive donc à la conclusion finale qu'il ressort des éléments dont il dispose que la taxation optionnelle demandée par la partie adverse concerne une fraction d'un bâtiment pour lequel la TVA relative aux travaux effectués pour la construction du bâtiment même était devenue exigible avant le 1er octobre 2018. Par conséquent, l'administration a décidé à juste titre que la taxe ne peut être appliquée à la location de bureaux ou de locaux commerciaux situés dans le bâtiment.
* Le principe de sécurité juridique
Dans ses conclusions, la partie adverse invoque comme deuxième moyen que l'administration violerait le principe de sécurité juridique par sa position concernant ce qu'il faut entendre par la notion de « bâtiment ».
Toutefois, le juge constate que l’assujettie ne présente aucune pièce dont il ressort que l'administration aurait créé une attente légitime en ce qui concerne la condition d’une taxation optionnelle, et en particulier en ce qui concerne la notion de « bâtiment même ».
Le tribunal déclare la demande de la partie adverse recevable mais non fondée.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg Brussel, 7de kamer
22 november 2021
Rolnummer: 2020/2655/A
In de zaak van:
De NV M.PS., met zetel te ..., met ondernemingsnummer 082..., eiseres, vertegenwoordigd door mr. ... in eigen naam en loco mr. ..., advocaten met kantoor te ....
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, KBO 030..., in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ten verzoeke van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Directeur van de Stafdienst Logistiek, met kantoor te 1030 Brussel, Koning Albert Il-laan 33, bus 971, North Galaxy, Toren B, 2e verdieping, verweerder, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat met kantoor te ....
In deze zaak, in beraad genomen op 8 november 2021, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:
I. PROCEDURE
De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:
• het verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 11 september 2020,
• de beschikking overeenkomstig artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek van 6 november 2020,
• de syntheseconclusie voor eiseres, elektronisch neergelegd op 15 juli 2021,
• de syntheseconclusie voor verweerder, elektronisch neergelegd op 6 september 2021,
• de stukken van de partijen.
De raadslieden van de partijen werden gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 8 november 2021 waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
Conform artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek wordt enkel rekening gehouden met de laatste conclusies van de partijen.
ll. FEITEN
Eiseres is samen met een aantal andere vennootschappen van de ‘M.G.' eigenaar van een onroerend gelegen te ... ‘[Naam Gebouw ...]’.
Eiseres dient op 8 mei 2019 een 'verzoek tot individuele beslissing' in met betrekking tot de toepassing op het project ‘[Naam Gebouw ...]’ van de optionele belastingheffing voor de verhuur van uit hun aard onroerende goederen als bedoeld in artikel 44, §3, 2°, d) BTW Wetboek (zoals gewijzigd door de wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de optionele belastingheffing inzake verhuur van uit hun aard onroerende goederen betreft en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20, van 20 juli 1970, tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven wat het verlaagde btw-tarief inzake de belaste verhuur van uit hun aard onroerende goederen betreft).
Op 20 juni 2019 neemt verweerder een beslissing (ET.135.768) waarvan het besluit als volgt luidt:
"De administratie is van oordeel dat het artikel 44, §3, 2 °, d) (nieuw), van het btw-wetboek niet kan worden toegepast op de verhuur van restaurant- en winkelruimte die zich bevinden binnen het gebouw ‘[Naam Gebouw ...]’, aangezien niet aan de voorwaarde voldaan is die stelt dat de belasting op de handelingen bedoeld in artikel 19, §2, derde lid, met betrekking tot het gebouw zelf en die bijdragen tot de oprichting ervan, ten vroegste op 1 oktober 2018 voor de eerste keer opeisbaar is geworden."
Op 12 november 2019 dient eiseres een verzoek tot heroverweging in omdat er volgens haar belangrijke gewijzigde feitelijke omstandigheden zijn, namelijk:
"Het ondergrondse gebouw zal weliswaar nog steeds uit 4 ondergrondse verdiepingen bestaan, maar deze zullen enkel nog gebruikt worden als berging enerzijds en als parking voor auto's en fietsen anderzijds die beiden het voorwerp zullen uitmaken van een verkoop. Er zal dus geen winkelruimte en geen roltrap meer voorzien worden.".
Op 5 februari 2020 bezorgt eiseres aanvullende informatie aan verweerder.
Op 11 juni 2020 neemt verweerder een nieuwe beslissing (ET.135.768_2) waarvan het besluit als volgt luidt:
"De administratie is van oordeel dat het artikel 44, §3, 2°, d) (nieuw), van het btw-wetboek niet kan worden toegepast op de verhuur van kantoor-, restaurant- en winkelruimte die zich bevinden binnen het gebouw ‘[Naam Gebouw ...]’, aangezien niet aan de voorwaarde voldaan is die stelt dat de belasting op de handelingen bedoeld in artikel 19, §2, derde lid, met betrekking tot het gebouw zelf en die bijdragen tot de oprichting ervan, ten vroegste op 1 oktober 2018 voor de eerste keer opeisbaar is geworden."
Op 11 september 2020 legt eiseres een verzoekschrift tot fiscaal verhaal neer bij de rechtbank.
III. VORDERINGEN
Eiseres vordert het volgende in haar syntheseconclusie:
"De vordering van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren.
Akte te verlenen aan verzoekster dat hij bij onderhavig verzoekschrift een vordering instelt tegen de Beslissing E. T. 135. 768_2 dd. 11 juni 2020 van X, Adviseur generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit en strekt tot hervorming van het standpunt dat het artikel 44 §3, 2° d) van het BTW-wetboek niet kan worden toegepast op de verhuur van commerciële ruimtes die zich bevinden in het gebouw "[Naam Gebouw ...]".
De beslissing als voormeld te hervormen, dan wel minstens te zeggen voor recht dat verzoekster toepassing kan maken van de optionele heffing van BTW zoals voorzien in artikel 44 §3, 2 ° d} WBTW bij de verhuur van de commerciële ruimtes.
Gedaagde te verwijzen in de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding voor niet in geld waardeerbare zaken, bepaald op het basisbedrag.”
Verweerder vraagt in zijn syntheseconclusie de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en haar te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 1.440,00 euro.
IV. BEOORDELING
Ontvankelijkheid
Tussen de partijen is geen betwisting over de ontvankelijkheid van de vordering. Er zijn geen ambtshalve op te werpen gronden tot niet-ontvankelijkheid voorhanden.
Voor zover als nodig merkt de rechtbank op dat het geschil een betwisting betreft over de individuele toepassing van een belastingwet als bedoeld in artikel 569, 32° van het Gerechtelijk Wetboek. Eiseres heeft aan verweerder gevraagd of de optionele belastingheffing (btw) waarvan sprake in artikel 44, §3, 2°, d) BTW-Wetboek kan worden toegepast in een concreet geval dat haar aanbelangt. Aangezien er geen specifieke regeling is voorzien voor de beslissingen van de BTW-administratie over verzoeken van een belastingplichtige - waarbij het hier een specifiek geval betreft waarbij de belastingplichtige de (optionele) onderwerping vraagt aan de belasting -, zijn de specifieke ontvankelijkheidsvoorwaarden van de artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek niet toepasselijk.
De vordering is ontvankelijk.
Ten gronde
Eerste middel - schending artikel 44, §3, 2°1 d), derde lid BTW-Wetboek
In een eerste middel zet eiseres uiteen dat verweerder een verkeerde definitie van het begrip 'gebouw' gebruikt en dat de ‘[Naam Gebouw ...]’ ten onrechte als 1 gebouw wordt beschouwd.
Uit de uiteenzetting van de partijen ter zitting leidt de rechtbank af dat eiseres de toepassing van de optionele belastingheffing wenst waarvan sprake in artikel 44, §3, 2°, d) van het BTW-Wetboek omdat zij op die wijze (historische) btw van bouwwerken in aftrek kan brengen bij de latere verhuur van kantoren en commerciële ruimten in de ‘[Naam Gebouw ...]’ (zie onder meer artikel 45 BTW-Wetboek).
Artikel 44, §3, 2°, d) BTW-Wetboek bepaalt:
"Van de belasting zijn nog vrijgesteld:
2 ° de verpachting en de verhuur van uit hun aard onroerende goederen, met uitzondering van:
(...)
d) de verhuur van een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat door de huurder uitsluitend wordt gebruikt voor de economische activiteit die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent, mits de verhuurder en de huurder gezamenlijk opteren om die verhuur te belasten. Als een gebouw of een gedeelte van een gebouw tegelijk wordt verhuurd met het bijhorend terrein, moet de optie worden uitgeoefend ten aanzien van beide onroerende goederen samen.
De optie geldt voor de gehele duur van de overeenkomst.
De optie kan enkel worden uitgeoefend voor overeenkomsten die betrekking hebben op gebouwen of gedeelten van gebouwen waarvoor de belasting op de handelingen bedoeld in artikel 19, § 2, derde lid, met betrekking tot het gebouw zelf en die bijdragen tot de oprichting ervan, ten vroegste op 1 oktober 2018 voor de eerste keer opeisbaar is. Deze voorwaarde is niet van toepassing op de overeenkomsten tot terbeschikkingstelling van ruimten voor het opslaan van goederen bedoeld onder punt a), tweede streepje waarvoor de optie kan worden uitgeoefend.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder "bijhorend terrein", het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het gebouw of het gedeelte van het gebouw is opgericht en dat of die tegelijk met dat gebouw of gedeelte van dat gebouw door éénzelfde persoon wordt of worden verhuurd.
De Koning bepaalt het tijdstip waarop de optie moet worden uitgeoefend en de vormvereisten die daarbij moeten worden nagekomen;"
De betwisting tussen de partijen betreft de vraag of voldaan is aan de voorwaarde van artikel 44, §3, 2°, d), derde lid BTW-Wetboek, namelijk of de overeenkomsten betrekking hebben op gebouwen of gedeelten van gebouwen waarvoor de belasting op de handelingen bedoeld in artikel 19, § 2, derde lid, met betrekking tot het gebouw zelf en die bijdragen tot de oprichting ervan, ten vroegste op 1 oktober 2018 voor de eerste keer opeisbaar is.
De andere voorwaarden, onder meer de hoedanigheid van de huurder, staan niet ter betwisting.
Artikel 19, §2, derde lid BTW-Wetboek bepaalt:
"Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder werk in onroerende staat, het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt."
Artikel 1, §9 BTW-Wetboek bepaalt dat voor de toepassing van dit wetboek onder gebouw of een gedeelte van een gebouw moet worden verstaan: "ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden".
Eiseres heeft in 2016 een stedenbouwkundige vergunning verkregen voor de renovatie en de herbestemming van de ‘[Naam Gebouw ...]’. Vervolgens werden nog een aantal vergunningen afgeleverd als aanvulling op de 'basisvergunning' van 2016 (zie stuk 5 met bijlagen van verweerder). Bij de renovatie wordt de toren volgens eiseres volledig ontmanteld en zal deze in volume uitbreiden, zowel in de breedte als in de hoogte (zie punt 5 van de bijlage bij stuk 2 van eiseres). Hoewel aanvankelijk nog een winkelruimte was voorzien op niveau '-2' werd hiervan in het tweede verzoek tot individuele beslissing over de optionele belastingheffing afstand gedaan.
Beide partijen verwijzen naar een proces-verbaal opgemaakt door een gerechtsdeurwaarder op 1 oktober 2018 waarin onder meer het volgende wordt overwogen over de uitgevoerde werken aan de toren (zie stuk 1 van eiseres):
"I. Stand der werken op 1 oktober 2018: de afbraakwerken en ontmantelingswerken zijn aan de gang, zowel ondergronds als bovengronds, maar zijn nog niet voltooid;
ll. De ondergrondse nieuwe constructies zijn in aanbouw, doch nog niet gefinaliseerd. Op bepaalde delen is de ondergrondse constructie reeds afgedicht met een nieuw betonnen plafond, maar dit is nog niet over de volledige oppervlakte het geval;
lIl. Het stabiliseren van de kern van de oude toren middels het optrekken van een deel van de nieuwe betonnen draagstructuur in de kern, zowel ondergronds als bovengronds, was gestart maar ook die werken zijn niet voltooid; (...)
IV. Er zijn géén nieuwe bovengrondse constructies gestart of opgetrokken, uitgezonderd de constructies met een stabiliserende functie zoals in voorgaand punt beschreven."
Uit de overwegingen van het proces-verbaal evenals uit de hieraan gehechte foto's blijkt dat de in aanbouw zijnde ondergrondse constructies handelingen zijn zoals bedoeld in artikel 19, §2, derde lid BTW-Wetboek en dat deze constructies bijdragen tot de oprichting van het gebouw.
Echter, eiseres is van mening dat met de zinsnede "het gebouw zelf' in artikel 44, §3, 2°, d), derde lid BTW-Wetboek wordt gewezen op "(...) het zelfstandig te gebruiken onderdeel van het onroerend goed waarvoor optionele belastingheffing wordt aangevraagd" of minstens op "(...) het volledige bovengronds deel van het onroerend goed" (zie randnr. 18 van de syntheseconclusie van eiseres). In de bijlage bij het eerste verzoek tot individuele beslissing deelt eiseres het onroerend goed (onder meer) op in een 'ondergronds gebouw' en een 'bovengronds gebouw' (zie punt 4 van de bijlage bij stuk 2 van eiseres).
Volgens verweerder zijn het bovengrondse en het ondergrondse gedeelte onderdeel van hetzelfde gebouw ("het gebouw zelf'), waarbij verweerder in het bijzonder wijst op het feit dat zich in het ondergrondse gedeelte een gemeenschappelijk lift bevindt evenals technische ruimten die dienstig zijn voor het bovengrondse gedeelte. In de bestreden beslissing verwijst verweerder naar de voorgaande beslissing van 20 juni 2019 - die hier evenwel niet ter betwisting voorligt. In deze beslissing wordt op bladzijde 9 aangegeven dat "(...) werd bevestigd dat het ondergronds gedeelte reeds in opbouw was vóór 1 oktober 2018, en dat er sprake was van opeisbaarheid van btw op de handelingen bedoeld in artikel 19, §2, derde lid van het btw-wetboek met betrekking tot het ondergrondse gedeelte vóór voormelde datum."
Ter zitting heeft de rechtbank de partijen de vraag gesteld uit welke feiten blijkt dat de belasting (btw) opeisbaar is geworden vóór 1 oktober 2018. Immers, zowel bij de levering van goederen als bij het verrichten van diensten wordt de btw in de regel opeisbaar bij uitreiking van de factuur, ongeacht of dit gebeurt voor of na het tijdstip waarop de dienst en/of de levering verricht wordt (zie de artikelen 17, §1 en 22 bis BTW-Wetboek; zie hierover ook: Pari. St. Kamer, 2017-2018, nr. 3254/1, blz. 28). De voormelde vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder geven geen uitsluitsel over de opeisbaarheid van de btw en, bijgevolg, de temporele toepassingsvoorwaarde van de optionele belastingheffing. Enkel indien er geen (tijdige) factuur wordt uitgereikt naar aanleiding van de belastingbare handeling - wat niet blijkt uit de feitelijke gegevens - vindt een aanvullende regeling toepassing. De bestreden beslissing verwijst op bladzijde 3 (voetnoot nr. 1) naar 'punt 7' van de bijlage bij het (eerste) verzoek tot individuele beslissing. In deze bijlage wordt door eiseres inderdaad aangegeven dat de er voor de 'constructiewerken in het ondergronds gebouw' reeds facturatie was gebeurd vóór 1 oktober 2018 (zie punt 7 van de bijlage bij stuk 2 van eiseres).
Het staat dan ook vast dat de belasting voor (een deel van) de constructiewerken in het ondergrondse gedeelte opeisbaar is geworden vóór 1 oktober 2018.
Rest bijgevolg de vraag of verweerder op wettig wijze heeft beslist dat de werken met betrekking tot de ondergrondse constructies in het licht van het verzoek van eiseres werken zijn met betrekking tot 'het gebouw zelf'.
Hoewel artikel 44, §3, 2°, d), derde lid BTW-Wetboek in het kader van de draagwijdte van de overeenkomsten een onderscheid maakt tussen gebouwen of gedeelten van gebouwen, wordt dit onderscheid niet gemaakt bij de voorwaarde met betrekking tot de oprichtingswerken (en de hieraan gekoppelde opeisbaarheid van de btw). Hier spreekt de wet duidelijk over 'het gebouw zelf' (of in de Franstalige versie: 'batiments mêmes', terwijl voordien sprake is van 'batiments ou fractions de batiments' of gebouwen of gedeelten van gebouwen).
Met verweerder moet worden vastgesteld dat artikel 44, §3, 2°, d), derde lid BTW Wetboek in de concrete omstandigheden die voorliggen niet toelaat het ondergrondse gedeelte van het bouwwerk - en de werken die daar zijn uitgevoerd - los te koppelen van het bovengrondse gedeelte. In het ondergrondse gedeelte bevinden zich elementen die ingrijpend gewijzigd zijn in het kader van de oprichtingswerken en die integraal deel uitmaken van het bovengrondse gedeelte, waaronder voorzieningen voor de lift en technische ruimten. Het betreft (oprichtings)werken met betrekking tot het 'gebouw zelf'. De argumentatie van eiseres dat de uitgevoerde werken het commercieel- en kantoorgedeelte van de toren slechts 'voor zéér beperkte mate' zouden dienen (zie bladzijde 10 van de syntheseconclusie van eiseres), doet hieraan geen afbreuk.
Verweerder kon dan ook op wettige wijze beslissen dat de voormelde werken in het ondergrondse gedeelte werken in onroerende staat zijn die bijdragen tot de oprichting van 'het gebouw zelf' zoals bedoeld in artikel 44, §3, 2°, d), derde lid BTW-Wetboek.
Dit staat er in principe niet aan in de weg dat een belastingplichtige de optionele belastingheffing vraagt voor een verdieping van een appartementsgebouw, doch voor zover vóór 1 oktober 2018 geen btw opeisbaar is geworden op werken in onroerende staat die hebben bijgedragen tot de oprichting van het gebouw.
De rechtbank merkt voor zover als nodig op dat de voormelde vaststellingen in overeenstemming zijn met de bedoeling van de wetgever. In de memorie van toelichting wordt de temporele toepassingsvoorwaarde voor de optionele belastingheffing besproken (zie: Pari. St. Kamer, 2017-2018, nr. 3254/1, blz. 27-29). Er wordt onder meer het volgende toegelicht:
"Artikel 44, § 3, 2 °, d), derde lid (nieuw) van het Wetboek richt zich anderzijds uitsluitend op de opeisbaarheid van de btw op de rechtstreeks toerekenbare kosten aan de oprichtingswerkzaamheden als referentiecriterium en staat er derhalve niet aan in de weg dat het verhuurovereenkomst desgevallend al wel voor 1 oktober 2018 werd gesloten.
Voor de toepassing van artikel 44, § 3, 2 °, d}, (nieuw}, van het Wetboek zal voor een gebouw of een gedeelte van een gebouw derhalve de optie voor de belastingheffing van de verhuur kunnen worden uitgeoefend indien er op de werken in onroerende staat die strekken tot de oprichting van dat goed nooit btw opeisbaar is geworden vóór 1 oktober 2018.
Enerzijds worden daarmee eveneens bedoeld de kosten verbonden aan de werken in onroerende staat waardoor het gebouw (of het gedeelte van het gebouw) een ingrijpende wijziging in zijn wezenlijke elementen heeft ondergaan, namelijk in zijn aard, zijn structuur (draagmuren, vloeren, traphal/en, liftkoker, ...) en, in voorkomend geval, in zijn bestemming, welke overigens ook de kostprijs is van de werken die werden uitgevoerd om deze wijziging tot stand te brengen in vergelijking met de waarde van het gebouw vóór deze wijziging."
De overwegingen dat het gaat over werken "die strekken tot de oprichting van dat goed" en die tot gevolg hebben dat het gebouw of een gedeelte ervan "een ingrijpende wijziging in zijn wezenlijke elementen heeft ondergaan" ondersteunt de vaststelling dat voor de temporele toepassing van de optionele belastingheffing niet zomaar een onderscheid kan worden gemaakt naar gelang het gedeelte van het gebouw waarvoor de optionele belastingheffing wordt gevraagd of naar gelang (een gedeelte van) een gebouw zich onder de grond bevindt. Er moet op concrete wijze worden nagegaan of uitgevoerde oprichtingswerken verband houden met het gebouw of het gedeelte van het gebouw waarvoor een optionele belastingheffing wordt gevraagd.
Op basis van de vaststelling dat de oprichtingswerken worden uitgevoerd voor de volledige toren waarbij zowel in het ondergrondse als in het bovengrondse gedeelte ingrijpende werken worden uitgevoerd en waarbij het ondergrondse gedeelte gedeeltelijk dienstig is voor het bovengrondse gedeelte, kon verweerder wettig beslissen dat de oprichtingswerken in het ondergrondse gedeelte werken in onroerende staat zijn met betrekking tot het gebouw zelf.
In tegenstelling tot wat eiseres voorhoudt, volgt uit de voorgaande vaststellingen dat de zinsnede 'het gebouw zelf' waarvan sprake in de temporele regeling voor de optionele belastingheffing in deze zaak niet beperkt is tot het zelfstandig te gebruiken onderdeel van het onroerend goed waarvoor optionele belastingheffing wordt aangevraagd en evenmin tot het bovengrondse deel van het onroerend goed.
De twee 'rulings' die eiseres voorlegt, wijzen er niet op dat het standpunt van verweerder onwettig is of dat een andere administratie een verschillend standpunt zou hebben ingenomen. De ruling van 16 juni 2020 heeft geen betrekking op de temporele voorwaarde van artikel 44, §3, 2°, d) BTW-Wetboek doch wel op de materiële toepassingsvoorwaarden zodat hieruit geen gevolgtrekkingen kunnen worden genomen (zie stuk 5 van eiseres). De ruling van 4 maart 2016 dateert van vóór de wetswijziging van 14 oktober 2018 en kan dus in elk geval geen betrekking hebben op de voormelde temporele voorwaarde (zie stuk 6 van eiseres).
Uit de voorgelegde gegevens blijkt dat de door eiseres gevraagde optionele belastingheffing betrekking heeft op een gedeelte van een gebouw waarvoor vóór 1 oktober 2018 btw opeisbaar was voor werken die waren uitgevoerd voor de oprichting van het gebouw zelf. Bijgevolg heeft verweerder op correcte wijze beslist dat de optionele belastingheffing niet kan worden toegepast voor de verhuur van kantoren of commerciële ruimten die zich bevinden in het gebouw ‘[Naam Gebouw ...]’.
Het eerste middel is ongegrond.
Tweede middel - schending van het rechtszekerheidsbeginsel
Volgens eiseres wijkt het standpunt van verweerder over het begrip 'gebouw' volledig af van wat eerder als 'gebouw' werd beschouwd en ligt er daarom een schending voor van het rechtszekerheidsbeginsel.
Eiseres legt geen stukken voor waaruit zou blijken dat verweerder een rechtmatig vertrouwen zou hebben opgewekt met betrekking tot de (temporele) voorwaarde van de optionele belastingheffing, en in het bijzonder de zinsnede 'het gebouw zelf'. Overigens, zelfs indien zou worden aannemelijk gemaakt dat de administratie de temporele voorwaarde anders heeft toegepast in een bepaalde zaak, dan mag eiseres in beginsel niet voortgaan op verwachtingen die gegrond zijn op een onwettige praktijk. Het middel vertrekt van het verkeerde uitgangspunt dat verweerder in alle gevallen verplicht zou zijn het vertrouwensbeginsel te eerbiedigen, ook tegen de wet in (vgl. Cass. AR F.14.0105.N, 10 maart 2016; Cass. AR F.11.0150.N, 15 februari 2013).
Voorts maakt eiseres evenmin aannemelijk dat niet voldaan zou zijn aan de vereisten van het Europese beginsel van rechtszekerheid, namelijk dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn, en de gevolgen ervan voorzienbaar zijn, in het bijzonder wanneer zij nadelige gevolgen kunnen hebben voor particulieren of ondernemingen (vgl. HvJ nr. C- 318/10, 5 juli 2012, Siat), en dat er in die context sprake zou zijn van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank stelt vast dat de regelgeving voor de optionele belastingheffing voldoende voorzienbaar is zoals vereist door het Europese beginsel van rechtszekerheid en verwijst hiervoor naar de vaststellingen die zijn gedaan bij de bespreking van het eerste middel. Overigens is de regeling in werking getreden lopende het bouwproject van eiseres en was deze regeling voldoende duidelijk om eiseres ertoe te brengen bepaalde vaststellingen te laten doen op 1 oktober 2018 evenals een voorafgaand verzoek in te dienen over de toepassing van de optionele belastingheffing.
Het tweede middel is ongegrond. De vordering is ongegrond.
Kosten
Eiseres is in het ongelijk gesteld en wordt veroordeeld tot de kosten van het geding. De vordering van eiseres is niet in geld waardeer. De door verweerder gevorderde rechtsplegingsvergoeding van 1.440,00 euro kan worden toegekend.
Huidige zaak betreft een fiscaal geschil zodat in toepassing van artikel 279/1 en 162, 4° W.Reg. geen rolrechten verschuldigd zijn (Punt Il Cire. nr. 2019/C/26 van 15 februari 2019 betreffende de hervorming van de rolrechten).
Dispositif
V. BESLISSING
De rechtbank,
Gelet op artikel 4 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, In eerste aanleg en op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan de zijde van verweerder vastgesteld op een rechtsplegingsvergoeding van 1.440,00 euro.
Deze beslissing is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 7de kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 22 november 2021,
waar aanwezig waren en zitting namen:
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.