Prescription de l’action en recouvrement, Délai étendu · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 15/216/A 21 mars 2016

Rechercher
Texte en néerlandais

Prescription de l’action en recouvrement, Délai étendu

https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-action-recouvrement-delai-etendu-tribunal-bruges-2016-03-21-20b0

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Numéro de rôle
15/216/A
Date
21 mars 2016

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais.

Texte

68 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Bruges dd. 21.03.2016 (15/216/A)

WF : 708-15-14/050208

Taxe sur la valeur ajoutée – Prescription de l’action en recouvrement – Délai étendu – Notification des indices de fraude – Amende fiscale de 200 %

Dispositions légales

Code de la TVA, art. 70, § 1er

Code de la TVA, art. 84ter

Synthèse

L’assujetti exerçant l’activité de comptable est identifié à la TVA sous le régime normal. En 2014, un contrôle lui a été annoncé pour la période courant à partir de l’année 2011 jusqu’au 31 décembre 2012 inclus. En date du 14 avril 2014, conformément à l’article 84ter du Code de la TVA, l’administration lui a adressé une notification préalable reprenant les indices de fraude existant à son endroit. La période contrôlée a été étendue de l’année 2007 à l’année 2013 incluse. Pour cette période, un montant élevé a été réclamé en tant que TVA due et une amende fiscale de 200% a également été infligée. Par après, le directeur régional a rejeté une demande de remise d’amendes et d’intérêts. Dans sa requête fiscale, l’assujetti a demandé l’annulation de la décision et la remise, ou du moins la réduction à 10%, de l’amende infligée.

Une amende égale à 200% du montant de la TVA due revêt un caractère répressif. Un contrôle de pleine juridiction impose que le juge doit contrôler si une décision administrative à caractère répressif est justifiée en fait et en droit et si elle respecte l’ensemble des dispositions législatives et des principes généraux qui s’imposent à l’administration, parmi lesquels le principe de proportionnalité (Cour d’arbitrage, 24 février 1999, numéro de rôle 1279, arrêt n° 22/99).

Cela doit être compris dans le sens que le tribunal a le pouvoir de vérifier si l’amende fiscale en question est proportionnée aux actes dont l’assujetti s’est rendu coupable. Il ressort des circonstances de l’affaire que l’assujetti a agi dans le but d’éluder la TVA.

L’amende n’a pas seulement un caractère indemnitaire mais a également en l’espèce un caractère répressif. Il est important de constater que l’assujetti est un comptable et qu’il a déclaré pour le compte de ses clients une TVA, qu’il a reçue de ses clients mais qu’il n’a pas versée, comme étant une TVA déductible. Il est établi qu’il n’a pas déclaré dans ses déclarations-TVA les chiffres d’affaires relatifs à de nombreuses années et qu’il a agi indéniablement dans le but d’éluder la TVA.

La demande de l’assujetti est recevable mais non fondée.

Observation

La partie adverse s’est portée en appel.

Texte de l’arrêt

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg - West-Vlaanderen, afdeling Brugge

dd. 21.03.2016

(15/2016/A)

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, vierde kamer, heeft het hiernavolgend vonnis verleend:

In de zaak 15/216/ A

De heer M.E. , boekhouder, wonende te …met KBO nummer …, eiser, hebbende als raadslieden meesters P.B.en M.L., advocaten, met kantoor te …

tegen

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, van wie het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Adviseur-Gewestelijke Directeur van het Controlecentrum Oostende, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat l, verweerder, ter .zitting vertegenwoordigd door de heer L.V., adjunct fiscaal deskundige verbonden aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, KMO Centrum Brugge, Expertise, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4.

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het verzoekschrift de dato 21 januari 2015.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 29 februari 2016.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken

werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE … , voor de activiteit van boekhouder. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 04 april 2014 werd een controle aangevangen bij eiser betreffende de periode van 01 januari 2011 tot en met 31 december 2012. Op 14 april 2014 werd aan eiser een kennisgeving verzonden conform artikel 84ter W.BTW waarbij de verjaringstermijn werd uitgebreid voor de jaren 2007 tot en met 2010 gezien vermoedens van fraude. De controle werd verder uitgevoerd betreffende de jaren 2007 tot en met 2013. Op 17 oktober 2014 ondertekende eiser een correctieopgave waarin is vermeld dat eiser in de jaren 2007 tot en met 2013 in totaal een omzet van 140.152,10 EUR niet heeft opgenomen in zijn BTW-aangiften.

De ingevolge hiervan niet afgedragen BTW bedraagt 29.431,95 EUR. Volgens de correctieopgave is eiser verder verschuldigd een proportionele geldboete van tweemaal de verschuldigde belasting (zijnde 58.863,90 EUR) en intresten conform artikel 91 W.BTW vanaf 21 januari 2014.

Op 30 september 2014 dient eiser bij de gewestelijk directeur te Oostende een verzoek in tot kwijtschelding van boete en intresten.

Bij beslissing de dato 24 oktober 2014 wordt het verzoek afgewezen. Op 21 januari 2015 heeft eiser een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie.

2. Eiser vraagt dat:

- de beslissing de dato 24 oktober 2014 wordt vernietigd;

- de geldboete wordt kwijtgescholden, minstens wordt verminderd tot 10 %;

- voorbehoud wordt verleend betreffende reeds betaalde onverschuldigde bedragen;

- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 2.750,00 EUR.

3. Verweerder vraagt dat de eis ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eiser veroordeeld wordt tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

Een boete van 200 % op het verschuldigde BTW-bedrag van 29.431,95 EUR heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Uit de correctieopgave blijkt dat eiser ten onrechte gedurende jaren een belangrijk deel van zijn BTW-omzet niet heeft opgenomen in zijn BTW-aangiften en de daarop ontvangen BTW niet heeft afgedragen. Op zich betwist eiser deze feiten niet. Eiser heeft zich ook uitdrukkelijk akkoord verklaard met de opgelegde boete. Uit de omstandigheden en uit de omvang van de vastgestelde overtredingen, blijkt dat eiser gehandeld heeft met het oogmerk de BTW te ontduiken.

De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuken vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boete van 58.863,90 EUR beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vastgestelde feiten. Het opleggen van een boete van 58.863,90 EUR is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuk.

De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.

Belangrijk is ook dat eiser boekhouder is en dat hij de BTW die hij ontving van zijn klanten, maar niet heeft doorgestort, bij zijn klanten wel heeft opgenomen als aftrekbare BTW in hun BTW-aangiften. Verder blijkt uit het dossier ook dat eiser de niet doorgestorte BTW heeft gebruikt voor privédoeleinden. Eiser heeft het tekort aan aangegeven BTW-omzet ook niet spontaan rechtgezet in de loop der jaren, maar gewacht op een controle met de hoop op verjaring. Ook voor de jaren 2004 tot en met 2006 was reeds vastgesteld dat eiser BTW-omzet niet had aangegeven. Zelfs tijdens de controle heeft eiser blijkbaar in zijn BTW-aangiften van het eerste en tweede kwartaal 2014 zijn BTW-omzet niet correct aangegeven.

Onbelangrijk is de bewering van eiser dat zijn klanten hun facturen niet tijdig zouden betalen. Het feit dat eiser financiële problemen zou hebben, is ook niet relevant. Eiser vraagt geen afbetalingsplan aan de rechtbank. Evenmin belangrijk is het feit dat de wetgeving vanaf 01 januari 2015 zou zijn aangepast.

De bewering van eiser dat hij inzake directe belastingen wel de juiste aangiften zou hebben ingediend, blijkt ook niet te kloppen. In zijn bezwaarschrift voor de aanslagjaren 2011 en 2012 geeft eiser zelf toe dat de aangegeven winst niet correct is. Bovendien is wat eiser aangegeven heeft inzake zijn personenbelasting niet zo belangrijk. Vaststaat dat hij in zijn BTW-aangiften vele jaren BTW-omzet niet heeft aangegeven en dat hij dit ontegensprekelijk heeft gedaan met het oogmerk om BTW te ontduiken.

C. Betreffende de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

Gezien verweerder niet wordt bijgestaan door een advocaat, heeft hij geen recht op een

rechtsplegingsvergoeding.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op nul euro (€ 0,00).

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge op éénentwintig maart tweeduizend zestien.

Aanwezig zijn:

L.D.P., rechter,

G.D.T., griffier.

Textes cités

2
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 84ter1 occurrence

Décisions similaires

8