Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 3 octobre 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-anvers-2006-10-03-acb8

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
3 octobre 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

74 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 03.10.2006

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent, 5e kamer - terechtzitting van 03-10-2006

BELASTINGEN

Nr. 1999/AR/502

in de zaak van :

G. N., vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te …, …, …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. K. loco mr. D. P., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, wiens kantoren gevestigd zijn te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. D. P. J., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 10. 6 1993 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, teneinde uitspraak te horen doen over het verzet van de appellante tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door R. C., ontvanger van het BTW­ontvangkantoor te Oostende op 28.4.1993, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5.5.1993 door R. D., inspecteur te Brugge, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Brugge.

In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellante een bedrag van … BEF (… EUR) aan BTW + een geldboete krachtens artikel 70, § 1 BTW-wetboek van … BEF (… EUR), de intrest aan 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.1.1992, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van het dwangbevel ingevolge artikel 91, § 4 van het BTW­wetboek, de vervolgingskosten.

De appellante vorderde voor de eerste rechter dat het dwangbevel en de kennisgeving van het dwangbevel nietig zouden worden verklaard, en de terugbetaling zou worden bevolen van alle sommen die op onrechtmatige wijze zouden zijn of worden achtergehouden, verhoogd met de moratoire rente vanaf het ogenblik der inhouding.

Bij vonnis van 30.10.1998 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 10e kamer, werd het verzet van de appellante ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de appellante veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 3.3.1999 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend of dat de appellante erin zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De appellante vordert de vernietiging van het bestreden vonnis, en herneemt haar oorspronkelijke vordering.

De geïntimeerde vordert dat het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard.

2. Uit het proces-verbaal van 16.3.1993 van de Heer F. D., verificateur­accountant bij de administratie van BTW, registratie en domeinen (stuk 4 van de geïntimeerde) blijkt dat de geïntimeerde BTW heffen wil op :

• de zo genoemde retributies geheven op de bruto-opbrengst van alle in afslag gebrachte vis (stadsrechten) in de vismijn;

• de zo genoemde retributies in de vorm van koperskaarten uitgereikt aan de handelaars die vis wensen te kopen in de vismijn;

• de opbrengsten uit verhuur van pakhuizen in het kader van de exploitatie van de vismijn.

Volgens zelfde proces-verbaal is de appellante voor de vermelde retributies en opbrengsten aan BTW onderworpen gezien ze worden geheven in het kader van een activiteit waarvoor de gemeente op grond van de bepalingen van het KB nr. 26 d.d. 2.12.1970 en artikel 6 van het BTW-wetboek als BTW-belastingplichtige worden aangemerkt. In zelfde proces-verbaal wordt gepreciseerd dat de appellante als belastingplichtige dient te worden aangemerkt betreffende de levering van goederen en het verrichten van diensten in het kader van de exploitatie van de haven, daaronder begrepen de exploitatie van de vissershaven en de vismijn.

3. Artikel 6 BTW-wetboek bepaalt :

"

De Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen worden niet als belastingplichtige aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.

De Koning merkt ze evenwel als belastingplichtige aan voor deze werkzaamheden of handelingen voor zover een behandeling als niet­belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden.

Bovendien bepaalt Hij de handelingen waarvoor, voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn, de bovengenoemde lichamen steeds als belastingplichtige worden aangemerkt."

Het artikel 1, 1° vijfde gedachtestreepje van het KB nr. 26 van 2.12.1970 met betrekking tot het onderwerpen van de openbare instellingen aan de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt :

"Als belastingplichtige voor de belasting over de toegevoegde waarde worden aangemerkt :

1° de diensten en de regieën van de Staat, van de Gemeenschappen, van de Gewesten, van de provinciën, van de agglomeraties en van de gemeenten, alsmede de openbare instellingen, ten aanzien van :

• de levering van goederen en het verrichten van diensten in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens;"

Met artikel 6 BTW-wetboek en het KB nr. 26 heeft de Belgische Staat artikel 4,5 van de Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG Raad van 17.5.1977 willen omzetten in nationaal recht

Artikel 4.5 van de Zesde Richtlijn luidt immers :

"

De Staat, de regio's, de gewesten, de provincies, de gemeenten en de andere publiekrechtelijke lichamen worden niet als belastingplichtigen aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.

Wanneer deze lichamen evenwel zodanige werkzaamheden of handelingen verrichten, moeten zij daarvoor als belastingplichtige worden aangemerkt, indien een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentievervalsing van enige betekenis zou leiden.

Genoemde lichamen worden in elk geval beschouwd als belastingplichtig met name voor de in bijlage D genoemde werkzaamheden, voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn.

De Lid-Staten kunnen werkzaamheden van genoemde lichamen die zijn vrijgesteld uit hoofde van de artikelen 13 of 28, beschouwen als werkzaamheden van de overheid."

De aangehaalde bijlage D draagt als opschrift " Lijst van de werkzaamheden bedoeld in artikel 4, lid 5, derde alinea”. Onder cijfer 4 van deze bijlage D wordt vermeld : "Haven- en luchthavendiensten".

Uit dit alles dient te worden afgeleid, in een richtlijnconforme interpretatie, dat het artikel 1, 1° vijfde gedachtestreepje van het KB nr. 26 van 2.12.1970 uitvoering inhoudt van artikel 6 derde lid BTW-wetboek, en met name een handeling aanduidt waarvoor, voor zover deze niet van onbeduidende omvang is, de vermelde publiekrechtelijke lichamen steeds als belastingplichtige wordt aangemerkt.

Bij arrest nr. 57/2005 van 16.3.2005 van het Arbitragehof wordt voor recht gezegd :

"

Artikel 6, derde lid van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde schendt de artikelen 170, § 1, 10 en 11 van de Grondwet."

Het Hof voegt zich naar dit arrest van het Arbitragehof (toepassing van artikel 26, § 2, derde lid, 1°, van de Bijzondere Wet van 6.1.1989 op het Arbitragehof).

Dit in acht genomen, heeft het artikel 1, 1°, vijfde gedachtestreepje van het KB nr. 26 van 2.12.1970 geen wettelijke basis en kan het niet toegepast worden.

4. In zijn conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 28.4.2006 voert de geïntimeerde ter ondersteuning van de bestreden BTW­heffing voor het eerst aan dat een behandeling van de appellante als niet­belastingplichtige in belangrijke mate concurrentieverstorend zou kunnen werken, dit onder verwijzing naar artikel 6, tweede lid BTW-wetboek en artikel 4.5, tweede lid van de Zesde Richtlijn.

Wat artikel 6, tweede lid BTW-wetboek betreft, blijkt uit hetgeen hoger werd uiteengezet dat dit niet tot basis dient voor artikel 1, 1°, vijfde gedachtestreepje van het KB nr. 26 van 2.12.1970. Van concurrentieverstoring is in het KB nr. 26 trouwens op geen enkel ogenblik sprake. Dit alles afgezien van de vraag of thans voor het eerst het motief van "concurrentieverstoring " zou kunnen ingeroepen worden, waar dit niet als motief voorkomt in het dwangbevel of de bijlage (het proces-verbaal), gelet op artikel 3 van de wet van 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Dit alles ook afgezien van de vraag of artikel 6, tweede lid BTW-wetboek de toets van het Arbitragehof zou kunnen doorstaan.

Het blijkt niet dat de Koning aan artikel 6 tweede lid BTW-wetboek uitvoering heeft gegeven op een wijze die kan toegepast worden op het geval van de appellante.

Anders dan door de geïntimeerde voorgehouden is het verder niet mogelijk voor de geïntimeerde om artikel 4.5 van de Zesde Richtlijn rechtstreeks in te roepen tegen de appellante. Het betreft immers een richtlijn, die door de belastingheffende overheid niet kan worden ingeroepen tegen een belastingplichtige (vergelijk o.m. met HvJ, C-192/94, d.d. 7.3.1996, inzake van El Carte Inglés SA tegen Cristina Blázquez Rivero, meer bepaald cijfers 15 e.v.).

5. Gelet op hetgeen voorafgaat dient niet verder te worden ingegaan op de overige middelen van de appellante, die niet kunnen leiden tot groter voordeel voor deze laatste.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen;

Verklaart het hoger beroep gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar het de vordering van de appellante ontvankelijk verklaart;

Opnieuw wijzende, verklaart de vordering van de appellante gegrond, en vernietigt het dwangbevel (RCIV-nr. …) uitgevaardigd door R. C., ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Oostende op 28.4.1993, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5.5.1993 door R. D., inspecteur te Brugge, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Brugge;

Zegt voor recht dat alle eventueel op grond van het vernietigd dwangbevel ingehouden of ingevorderde bedragen en tegoeden zullen teruggeven worden aan de appellante, vermeerderd met de wettelijke intrest voorzien bij de bepalingen van het BTW-wetboek;

Veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, in hun geheel als volgt begroot :

• aan de zijde van de appellante : op … EUR dagvaarding en rolstelling + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op DRIE OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZES.

Aanwezig de Heren :

A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. T. en D. V., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. D. V. G. T. A. D. M.

Textes cités

5
CTVA art. 69 occurrences
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8