Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 19.12.2006
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, r.echt doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :
Zitting van 19/12/2006
In zake : 1995/AR/3835
H. G., herbergier, H.R. te Turnhout nr. …, wonende te …, …;
appellant,
tegen de vonnissen gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 29 mei 1995 en 21 november 1995;
vertegenwoordigd door Meester G. G. loco Meester B. C., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, op benaarstiging van de rekenplichtige Ontvanger van het derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm voorgelegd, waaronder een eensluidend afschrift van de bestreden vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 29 mei 1995 en 21 november 1995, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 11 december 1995, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1.
Appellant is café-uitbater
Op 8 augustus 1991 wordt door de heer C. W., verificateur-accountant bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het controlekantoor van de BTW te Malle II, controle van de boekhouding uitgevoerd met betrekking tot de periode van 1 januari 1987 tot 31 december 1989.
Op 14 april 1992 wordt door de heer C. W. een proces-verbaal opgesteld waaruit blijkt dat een aantal onregelmatigheden werden vastgesteld, met name inbreuken op artikel 50, § 1, 3° en 4° van het BTW-wetboek en artikel 16 van het KB nr. 1 van 23 juli 1969 in verband met de aangegeven omzet.
In dit proces-verbaal wordt verwezen naar een proces-verbaal opgeteld op 28 februari 1991 door de heren G. F. en D. M., beiden controleur bij het controlekantoor van de opsporings- en documentatiediensten van de BTW te Antwerpen, betreffende meer aankopen bij de NV B. S., die niet werden opgenomen in de boekhouding.
Volgens, voormeld proces-verbaal van 14 april 1992 is appellant volgende bedragen verschuldigd :
- BTW : … BEF (thans € …)
- boete : … BEF (thans € …)
- intresten aan 0,8 % per maand op … BEF vanaf 21 januari 1990.
Op 16 april 1992 wordt door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen III een dwangbevel uitgevaardigd, dat op dezelfde dag wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de hoofdcontroleur van de BTW te Malle II aangewezen door de gewestelijk directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen.
Dit dwangbevel wordt, samen met het proces-verbaal van 14 april 1992, bij aangetekend schrijven van 16 april 1992 ter kennis gebracht aan appellant.
Van appellant wordt betaling gevorderd van volgende bedragen :
- BTW : … BEF (thans € …)
- boete : … BEF (thans € …)
- intresten van 0,8% per maand over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 1990
- de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de kennisgeving van het dwangbevel,
- de vervolgingskosten.
1.2.
Bij dagvaarding van 27 mei 1992 vordert appellant het dwangbevel van 16 april 1992 van nul en generlei waarde te verklaren, geïntimeerde te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding; het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, spijts welk rechtsmiddel ook, zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van elk vermogen tot kantonnement.
1.3.
Bij vonnis van 29 mei 1995 verklaart de eerste rechter de eis ontvankelijk doch ongegrond, behalve voor wat de boete betreft; wijst appellant ervan af; beveelt de heropening der debatten teneinde geïntimeerde toe te laten een door hem ingeroepen arrest van het Hof van Cassatie bij te brengen; behoudt de kosten voor.
De eerste rechter oordeelt dat het dwangbevel op geldige wijze gemotiveerd is en bijgevolg ook de verjaring op geldige wijze heeft gestuit.
Volgens de eerste rechter is ook het bewijs geleverd van de verdoken omzet in hoofde van appellant.
Bij vonnis van 21 november 1995 verklaart de eerste rechter ook de eis in verband met de boete ontvankelijk doch ongegrond en wijst deze af en wordt appellant veroordeeld tot de kosten van het geding.
1.4.
Het hoger beroep van appellant strekt ertoe de bestreden vonnissen te vernietigen en de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens het dwangbevel van 16 april 1992 van nul en generlei waarde te verklaren; appellant te ontslaan van alle in dit dwangbevel van hem gevorderde sommen; te zeggen voor recht dat de bedragen die gebeurlijk werden ingehouden en/of toegerekend op de sommen vermeld in het dwangbevel aan appellanten dienen terugbetaald te worden, vermeerderd met de moratoire en gerechtelijke intresten; geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.
Appellant voert daartoe aan dat het dwangbevel niet voldoet aan de uitdrukkelijke motiveringsplicht voorzien in de wet van 29 juli 1991.
Volgens appellant is de BTW-navordering nietig om reden van willekeur en opeenstapeling van feitelijke vermoedens.
Tenslotte stelt appellant dat het dwangbevel dient vernietigd te worden in de mate dat het de gevorderde geldboete verhoogt met 50 %.
1.5.
Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van de bestreden vonnissen en vordert de veroordeling van appellant tot de kosten van het geding.
Volgens geïntimeerde voldoet het dwangbevel aan alle gestelde voorwaarden en kan het niet als nietig bestempeld worden. Er is evenmin sprake van willekeur of van een opeenstapeling van vermoedens. De verhoogde boete is niet in strijd met artikel 6 E.V.R.M.
2. In rechte
2.1. De rechtsgeldigheid van het proces-verbaal van 14 april 1992 resp. het dwangbevel uitvoerbaar verklaard op 16 april 1992.
2.1.1.
Inzake BTW vormt een dwangbevel enerzijds de titel van de belastingschuld van een ,belastingplichtige (het zogenaamde "declaratieve karakter vart. een dwangbevel") en anderzijds de titel op grond waarvan een gedwongen tenuitvoerlegging door de Belgische Staat kan plaatsvinden (het zogenaamde "executoire karakter van een dwangbevel").
Een dwangbevel vormt m.a.w. de eerste rechtsdaad waardoor het bestaan van een BTW-schuld ten laste van een bepaalde belastingplichtige in een wettelijke vorm wordt vastgesteld.
Indiener geen rechtsgeldig dwangbevel wordt uitgevaardigd of indien een dwangbevel met beantwoordt aan de wettelijke vormvereisten, beschikt de Belgische Staat niet over een titel van belastingschuld ten opzichte van de betrokken belastingplichtige en vermag de Belgische Staat derhalve de BTW niet in te vorderen bij gebrek aan een titel voor de tenuitvoerlegging ervan (artikel 59 van het KB van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit).
Omdat een dwangbevel de (enige) titel van de belastingschuld van de belastingplichtige ten opzichte van de Belgische Staat vormt, kan een dwangbevel slechts als rechtsgeldig worden beschouwd wanneer in het dwangbevel :
1. de belastingschuldenaar nauwkeurig bepaald wordt,
2. de som, tot betaling waarvan het dwang bevel wordt uitgevaardigd, vermeld wordt, en
3. het voorwerpen de grondslag van de vordering vermeld" worden.
Deze laatste voorwaarde (vermelding van het voorwerp en de grondslag van de vordering) impliceert dat het noodzakelijk is voor de geldigheid van een dwangbevel dat dit dwangbevel gemotiveerd wordt.
Een dwangbevel is regelmatig wanneer "het, door zijn inhoud of door het proces-verbaal (of andere bijlagen) waarnaar het verwijst, het voorwerp van de eis doet kennen en het de belastingplichtige mogelijk maakt de gegrondheid ervan te beoordelen" (BTW-handleiding, nr. 633).
In het kader van de procedureregeling van het BTW-wetboek is de motiveringsplicht voor de geldigheid van een dwangbevel verantwoord, aangezien voor een belastingplichtige het enige rechtsmiddel tegen een dwangbevel bestaat in een overeenkomstig (oud) artikel 89 BTW-wetboek ingestelde verzetsakte of een overeenkomstig (nieuw) artikel 1385decies Gerechtelijk Wetboek ingestelde vordering in rechte.
Opdat een belastingplichtige zijn verzetsakte/vordering in rechte tegen een dwangbevel met redenen zou kunnen omkleden - zoals hij daartoe door de wet verplicht wordt - is het noodzakelijk dat hij voorafgaandelijk kennis heeft kunnen nemen van de redenen die de BTW-administratie ertoe aangezet hebben om tegen hem een navordering/vervolging in te stellen.
Men kan zich wellicht moeilijk verdedigen op toekomstige elementen die niet ter kennis gebracht waren op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel, doch zulks is niet het geval wanneer de belastingplichtige het voorwerp en de grondslag van de BTW-schuld reeds voor het opstellen van het proces-verbaal resp. het uitvaardigen van het dwangbevel kent of geacht moet worden het te kennen. In dat geval zijn zijn rechten van verdediging, grondslag van de motiveringsverplichting, ten volle gevrijwaard (A. KIEKENS, "Na het uitvaardigen van een dwangbevel mag de BTW-administratie geen nieuwe motieven meer inroepen", (noot onder Cass., 1 december 2005), T.F.R., 2006, blz. 717).
De wet van 29 juli 1991 heeft aan alle administratieve overheden, als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting opgelegd om, met ingang van 1 januari 1992, alle van hen uitgaande, eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking, welke beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurden, uitdrukkelijk te motiveren.
Deze verplichting wordt nader toegelicht in de artikelen 2 en 3 van voornoemde wet, die bepalen dat :
"De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd."
"De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn."
Hieruit blijkt dat de opgelegde motivering 'uitdrukkelijk' moet zijn, wat de verplichting inhoudt in de akte zowel de juridische als de feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze.
De aanduiding van de juridische overwegingen houdt o.m. in dat in de akte moet worden verwezen naar alle toepasselijke wetsbepalingen.
De motivering in feite houdt in dat de precieze, concrete feitelijke gegevens aangeduid worden waarom, in het licht van de aangehaalde bepalingen, een bepaalde beslissing genomen wordt.
De wetgever heeft het hierbij wenselijk geacht dat de redenen van de beslissing in de beslissing zelf zouden worden opgenomen (Gedr. St. Senaat, B.Z. 1988, nr. 215/3, p. 8 en nr. 215/3, p. 13).
De (uitdrukkelijke) motivering moet bovendien "afdoende" zijn, d.w.z. dat de ingeroepen redenen pertinent moeten zijn en de beslissing moeten verantwoorden (Gedr. St. Senaat, B.Z.1988, nr. 215/9).
Dit wijst op de belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, met name de bestuurde een zodanig inzicht in de motieven van de bestuurshandeling te verschaffen dat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de bestreden beslissing te verzetten.
De BTW-administratie mag na het opstellen van een proces-verbaal en het uitvaardigen van een dwangbevel wel (ter motivering) nieuwe juridische en feitelijke gegevens aanvoeren voor zover die argumenten en gegevens aangevoerd worden ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld (Cass., AR C.03.0354.N, 1 december 2005, T.F.R. 2006, afl. 307, 712 met conclusies advocaat-generaal D. THYS, en noot A. KlEKENS, ''Na het uitvaardigen van een dwangbevel mag de BTW-administratie geen nieuwe motieven meer inroepen", T.F.R. 2006, afl. 307, 717-719).
2.1.2.
Het Hof stelt vast dat zowel het proces-verbaal van 14 april 1992 als het dwangbevel van 16 april 1992 nauwkeurig de belastingschuldenaar bepalen, met name appellante, en ook de som, tot betaling waarvan het dwangbevel werd uitgevaardigd, met name … BEF in hoofdsom, vermelden.
In het proces-verbaal van 14 april 1992 is er sprake van meer aankopen die appellant bij de NV B. S. zou gedaan hebben, doch die niet in de boekhouding van appellant zouden opgenomen zijn. Hiervoor wordt verwezen naar een proces-verbaal en zijn bijlagen opgesteld op 28 februari 1991 door twee ambtenaren van de opsporings- en documentatiediensten van de BTW te Antwerpen, gevoegd bij het proces-verbaal van 14 april 1992 en er blijvend aan gehecht.
Het dwangbevel van 16 april 1992 verwijst uitdrukkelijk naar het bijgevoegde proces-verbaal van 14 april 1992.
Uit het feit dat het proces-verbaal van 28 februari 1991 en zijn bijlagen bij het proces-verbaal van 14 april 1992 - waarop het bestreden dwangbevel is gesteund - werd gevoegd en er blijvend aan gehecht, vloeit voort dat de inhoud van dit proces-verbaal van 28 februari 1991 deel uitmaakt van de motieven van het bestreden dwangbevel.
Het gehele proces-verbaal van 14 april 1992, met inbegrip van het eraan gehechte proces-verbaal van 28 februari 1991, bevat een duidelijke, volledige en gedetailleerde motivering van de beslissing tot navordering.
Het Hof dient evenwel vast te stellen dat het dwangbevel onvolledig ter kennis werd gebracht van appellant en dat met name de duidelijke, volledige en gedetailleerde motieven die in het proces-verbaal van 28 februari 1991 zijn opgenomen, hem niet ab initio werden meegedeeld.
Het wordt immers niet betwist dat het proces-verbaal van 28 februari 1991 niet aan het dwangbevel was gehecht.
2.1.3.
Het gebrek aan kennisgeving van de motieven leidt tot nietigheid van de administratieve rechtshandeling indien daardoor de belangen van de bestuurde worden geschaad.
Het Hof dient vast te stellen dat het appellant niet mogelijk was, op grond van de hem aanvankelijk meegedeelde stukken, te onderzoeken op welke gegevens het dwangbevel gesteund was en op welke wijze de gevorderde belasting was berekend. Al deze gegevens vindt men wel, duidelijk en gedetailleerd, terug in het proces-verbaal van 28 februari 1991, maar niet in het, van zijn bijlagen ontdane, proces-verbaal van 14 april 1992. Op grond daarvan kon appellant enkel weten dat een bedrag, waarvan hij de samenstelling niet kon achterhalen, van hem gevorderd werd omdat de administratie beweerde dat hij bij de NV B. S. aankopen had verricht die hij niet in zijn boekhouding had opgenomen. Op grond waarvan de administratie tot die overtuiging kwam, kon hij evenwel niet achterhalen.
2.1.4.
Het proces-verbaal en het dwangbevel dienen derhalve nietig verklaart te worden wegens schending van de motiveringsplicht.
Dat de motivering kan blijken uit het dossier waarop de beslissing steunt, heeft geen enkele invloed op de vastgestelde onwettigheid van de bestuurshandeling vermits de motivering in de beslissing zelf dient opgenomen te zijn.
2.2.
Gelet op de vastgestelde nietigheid van het dwangbevel dienen de andere aangevoerde argumenten niet nader onderzocht te worden.
Het hoger beroep van appellant is derhalve gegrond en de bestreden vonnissen dienen in die zin hervormd te worden.
Geïntimeerde dient veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in beide aanleggen, zoals hierna begroot.
Dispositif
OM DEZE REDENEN
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.
Hervormt de bestreden vonnissen en opnieuw wijzende.
Verklaart de vordering van appellant ontvankelijk en gegrond.
Zegt voor recht dat het proces-verbaal van 14 april 1992 en het dwangbevel van.16 april 1992 nietig zijn wegens gebrek aan motivering.
Verklaart het dwangbevel van nul en generlei waarde en veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling aan appellant van alle op grond van dit dwangbevel betaalde of ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoire en gerechtelijke intresten.
Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van het geding, begroot aan de zijde van appellant op :
- Dagvaardingskosten : … EUR.
- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR,
volgens opgave in de syntheseconslusie, en na herleiding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van NEGENTIEN DECEMBER TWEEDUIZENDENZES,
waar aanwezig waren :
D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;
S. B. en M. V. d. B., Raadsheren;
A. V. L., Griffier.
Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover Voorzitter R. T., mede beraadslaagd heeft overeenkomstig artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek, worden deze magistraat, wettig verhinderd zijnde, vervangen door Raadsheer M. V. D. B. hiertoe aangewezen, overeenkomstig artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, bij beschikking van de heer Eerste Voorzitter van het Hof van beroep te Antwerpen in datum van 19 december 2006.
A. V. L. M. V. D. B. S. B. D. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.