Paiement de l'impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 8 juin 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-cour-appel-anvers-2004-06-08-c559

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
8 juin 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

73 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 08.06.2004

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken :

Inzake : 2003/AR/2451

BVBA M. H., H.R. te Antwerpen n° …,

BTW-nummer BE …, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te …, …;

appelIante,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 30 mei 2003;

vertegenwoordigd door Meester P. d. F.,

advocaat thans te …, …;

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie van de belasting over de Toegevoegde Waarde, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijke Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Eerstaanwezend Inspecteur van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen. Italiëlei 4, bus 4;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester A. v. L. d. J., advocaat te …, …;

Gelet op het tussenarrest van deze kamer, gewezen op 16 maart 2004;

Gelet op de conclusies van partijen, de door hen voorgebrachte stukken en de door hen ter terechtzittingen voorgedragen middelen;

Overwegende dat wat de strekking van het hoger beroep betreft, het Hof verwijst naar de in het voornoemde tussenarrest gedane uiteenzetting;

Overwegende dat appellante ter terechtzitting van 11 mei 2004, bij monde van haar raadsman, verklaart niet langer de afrekening van geïntimeerde aan te vechten en stelt dat de gedane betalingen op juiste wijze werden aangerekend;

Dat geïntimeerde thans niet enkel concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, doch bij op 15 april 2004 neergelegde conclusie een tegenvordering instelt strekkende tot de veroordeling van appellante in betaling van een schadevergoeding ten bedrage van … EUR. te vermeerderen met de gerechtelijke intresten, wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding en het voeren van een tergend en roekeloos verweer;


Overwegende dat de eerste rechter het voorwerp der onderscheiden vorderingen op behoorlijke wijze in het bestreden vonnis heeft uiteengezet;

Dat het Hof de gedane uiteenzetting bijtreedt en hier voor hernomen houdt, alsook vaststelt dat de eerste rechter terecht de beide zaken heeft gevoegd wegens samenhang;

Overwegende dat uit de voorgebrachte gegevens blijkt dat :

1 ten laste van appellante BTW-schulden werden vastgesteld van respectievelijk … EUR en … EUR in hoofdsom met betrekking tot de periodes gaande van respectievelijk 31 oktober 2001 tot 31 januari 2002 en 30 april 2002 tot 31 juli 2002;

2 appellante bij aangetekende brieven d.d. 3 juli 2002 en 17 oktober 2002 in kennis werd gesteld van de bestaande schulden;

3 ten laste van appellante op respectievelijk 24 september 2002 en 27 januari 2003 2 dwangbevelen in zake de voornoemde BTW - schulden uitvoerbaar werden verklaard;

4 de dwangbevelen werden betekend op respectievelijk 30 januari 2003 en 19 februari 2003;

Dat appellante in de exploten-van verzet, het verzoekschrift tot hoger beroep en de neergelegde conclusie aanvoerde dat de door geïntimeerde voorgebrachte afrekeningen niet controleerbaar zijn en dat niet met alle gedane betalingen rekening werd gehouden; dat zij weliswaar niet betwist dat de door haar gelaste boekhouder zeer onzorgvuldig heeft gehandeld doch stelt dat blijkens de gegevens v.an het P.C. - Bankingsysteem ISABEL meer betalingen werden verricht dan deze door de Administratie in aanmerking genomen;

Overwegende dat appellante als belastingplichtige, overeenkomstig de art. 53 Iid 1, 3° en 4° Wb.-BTW en art. 18 K.B. d.d. 29 december 1992, gehouden is kwartaalaangiften in zake de BTW in te dienen en de verschuldigde belasting te betalen uiterlijk de 20° dag van de maand volgend op het kalender­kwartaal;

Dat het dan ook niet aan de BTW-Administratie behoort afrekeningen en verzoeken tot betaling aan de belastingplichtige toe te sturen, aangezien hijzelf op grond van de eigen aangifte de verschuldigde bedragen dient te voldoen;

Dat overeenkomstig art. 5 § 1 van het K.B. nr. 24 d.d. 29 december 1992 de bevoegde BTW-Administratie voor ieder belastingplichtige een rekening-courant bijhoudt, waarvan de stand periodiek wordt medegedeeld;

Overwegende dat derhalve de belastingplichtige niet kan voorhouden onwetend te zijn nopens het bedrag van de belastingschuld, daar deze duidelijk vaststaat op grond van de gegevens van de eigen aangifte;

Dat hij zich, evenmin op onwetendheid kan beroepen ingeval van niet- of ontoereikende betalingen daar de Administratie periodiek de stand van de rekening - courant mededeelt;

Overwegende dat in casu uit de door geïntimeerde voorgebrachte gegevens blijkt dat ter gelegenheid van de uitvoerbaarverklaring van de beide dwangbevelen rekening werd gehouden met de toestand van de rekening-courant ten name van appellante op datum van respectievelijk 31 januari 2002 en 31 juli 2002;

Dat uit de voorgebrachte - en tot op heden niet betwiste gegevens - tevens blijkt dat op datum van 3 juli 2002 en 17 oktober 2002 aan appellante bij aangetekende brieven kennis: werd gegeven van de achterstallige belastingen blijkens de gegevens van de rekening-courant, zoals vaststaande op respectievelijk 31 januari 2002 en 31 juli 2002;

Dat dan ook de bevoegde Ambtenaar van de BTW­Administratie op grond van de vorenstaande gegevens, volkomen gerechtigd was dwangbevelen uitvoerbaar te verklaren ter invordering van de belastingschuld;

Overwegende dat appellante dan ook onterecht inroept dat de bedragen vermeld in de beide dwangbevelen oncontroleerbaar zijn; dat immers zijzelf in kennis is of moet zijn van de verschuldigde belastingen ingevolge haar aangifte, en bovendien in kennis werd gesteld van de toestand van de rekening-courant, afgesloten op voornoemde data;

Dat appellante tevens aanvoert dat op datum van de betekening van de beide dwangbevelen meerdere betalingen werden verricht, waarmede geen rekening werd gehouden; dat zij onder meer stelt bedragen van … EUR (5/9/02), … EUR (11/12/02), … EUR (6/1/2003), … EUR (6/2/2003) en … EUR op respectievelijk 27 februari en 7 april 2003 te hebben betaald, en daartoe verwijst naar de gegevens van haar P.C.-Bankingssystem ISABEL;

Overwegende dat evenwel in de eerste plaats dient vastgesteld dat alle door appellante voorgehouden betalingen zich situeren hetzij na datum van de afsluiting van de rekening-courant, hetzij na datum van de betekening der dwangbevelen, en derhalve niet van aard zijn te stellen dat de afrekening vermeld in de dwangbevelen- die rekening houden met betalingen tot op een welbepaalde datum - onjuist is;

Dat bovendien uit de akte van betekening van het vonnis blijkt dat betaling wordt gevorderd van de bedragen van respectievelijk … EUR en … EUR, wat uitwijst dat geïntimeerde terdege ook rekening heeft gehouden met de nadien gedane betalingen;

Dat tenslotte enerzijds uit de opzoekingen van geïntimeerde blijkt dat de betaling d.d. 6 januari 2003 ten bedrage van … EUR niet werd verricht ter voldoening van de schulden van huidige appellante zodat terecht hiermede geen rekening werd gehouden, en anderzijds uit de verklaringen van appellante ter terechtzitting van 11 mei 2004 blijkt dat zij niet langer betwist dat alle andere gedane betalingen op correcte wijze door de BTW-Administratie werden aangerekend op de openstaande schulden;

Overwegende dat dan ook, rekening houdende met de hierboven gedane vaststellingen, geenszins wordt aangetoond dat de afrekening vermeld in de kwestieuze dwangbevelen oncontroleerbaar of onjuist is; dat inderdaad onmiskenbaar vaststaat dat de toestanden van de rekening-courant op datum van respectievelijk 31 januari 2002 en 31 juli 2002 - op grond waarvan de dwangbevelen uitvoerbaar werden verklaard-juist zijn;

Dat derhalve appellante geheel onterecht verzet heeft aangetekend tegen de beide dwangbevelen en haar vordering terecht door de eerste rechter ongegrond werd verklaard; dat dit vonnis mede om vorenstaande consideransen dient te worden bevestigd;

Overwegende dat geïntimeerde thans voor het Hof stelt dat zowel de vordering als het verweer van appellante tergend en roekeloos is, en uit dien hoofde een schadevergoeding ten bedrage van … EUR vordert;

Dat het Hof weliswaar vaststelt dat eenieder het recht heeft hoger beroep in te stellen tegen een vonnis dat hem grieft en zijn verweermiddelen kenbaar te maken; dat evenwel in casu duidelijk blijkt dat appellante de procedure heeft opgestart en verweer heeft gevoerd op grond van haar nalatigheden en onzorgvuldig nazicht, zonder dat aan geïntimeerde ook maar enige tekortkoming kan worden toegeschreven;

Dat inderdaad geïntimeerde te dezen alle nuttige en dienstige informatie heeft verstrekt, doch dat appellante zelf verzuimde haar verplichtingen na te leven, verwarring zaaide met allerhande beweringen die na nazicht geheel onjuist bleken - die geïntimeerde tot tijdrovende en nutteloze opzoekingen verplichten, zodat derhalve de gevoerde procedure in feite geheel onverantwoord is;

Dat het dan ook gepast is appellante te veroordelen tot een schadevergoeding ten bedrage van … EUR. begroot ex aequo et bono, wegens het instellen van een tergende en roekeloze vordering en het voeren van een dergelijk verweer;

Overwegende dat, gelet op de ongegrondheid van het hoger beroep appellante in de kosten dient verwezen;

Dat evenwel blijkt dat de vordering niet de veroordeling van een geldsom tot voorwerp heeft, zodat de rechtsplegingsvergoeding dient beperkt tot … EUR;

Dispositif

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op de artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak;

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend;

Het tussenarrest d.d. 16 maart 2004 verder uitwerkend;

Verklaart het hoger beroep ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn schikkingen;

Verklaart de tegenvordering van geïntimeerde toelaatbaar en gegrond; Veroordeelt dienvolgens appellante tot betaling aan geïntimeerde de som van … EUR. te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 15 april 2004;

Verwijst appelante. in de kosten van hoger beroep tot op heden in hun geheel begroot - na herleiding - aan de zijde van geïntimeerde op :

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR.;

- aanvullende rechtsplegingsvergoeding

herop. debatt. : … EUR.;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ACHT JUNI TWEEDUIZENDENVIER,

waar aanwezig waren :

R. T., Voorzitter;

D. W.

M.D., Raadsheren;

A. v. L., Griffier.

A V. L. M. D.

D. W. R. T.

Textes cités

1
AR no 24 art. 51 occurrence

Décisions similaires

8