Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 12.05.2025 - ( 22/ 2165/A )
[ Infavorable ]
TVA – Ostéopathe – Exonération de TVA – Remboursement
Volledige tekst:
Corps de la décision
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 12.05.2025 - ( 22/ 2165/A )
De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer B.10, heeft het volgend vonnis verleend:
In de zaak : 22/ 2165/A
Hoofdzaak :
A.P. (KBO nr. ...), gevestigd te ... ..., ...,
eisende partij,
hebbende als raadsman meester LIPPENS SOPHIE en meester VAN LEMBERGEN LAURA, beiden
advocaat te 9300 AALST, Leo de Béthunelaan 39 (ref.: sophie@liva-advocaten.be - laura@liva-advocaten.be).
tegen :
de BELGISCHE STAAT— FOD FINANCIËN (KBO: ...), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum KORTRIJK 762, met kantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,
verwerende partij,
voor wie optreedt mevrouw J.D., attaché (ref.: ...).
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 27 juli 2022.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 14 april 2025.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAI(
1. Eiseres is sedert 10 januari 2005 ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer ..., voor de activiteit van osteopathie. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Door eiseres wordt op haar diensten BTW afgedragen aan de Belgische Staat. Voor de periode 2016 tot 2019 betreft het in totaal 28.393,04 EUR afgedragen BTW en in totaal 6.854,61 EUR in aftrek gebrachte BTW.
Met een aangetekend schrijven d.d. 20 december 2021 vraagt eiseres teruggave van het bedrag van 21.538,42 EUR. Op 17 mei 2022 wordt door verweerder geantwoord dat eiseres geen recht heeft op teruggave voor de periode voorafgaand aan 1 oktober 2019.
Voor het derde kwartaal 2019 heeft eiseres een nihil-aangifte ingediend. Op 22 juni 2022 wordt een regularisatieopgave opgesteld. Op 18 oktober 2022 wordt een proces-verbaal opgesteld o.a. wegens een inbreuk m.b.t. de BTW-vrijstelling voor het derde kwartaal 2019. De hierop nagevorderde BTW bedraagt 2.277,02 EUR en de administratieve boete bedraagt 455,40 EUR. De schuld wordt opgenomen in het innings- en invorderingsregister en een bericht wordt verzonden op 1 december 2022.
Door eiseres werd fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 27 juli 2022.
2.Eiseres vraagt dat:
- de vorderring ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
voor recht wordt gezegd dat de weigeringsbeslissing d.d. 17 mei 2022 onwettelijk of ongegrond is;
- teruggaaf wordt bevolen van de onverschuldigd doorgestorte BTW ten belope van 21.538,42 EUR, te vermeerderen met de moratoriumintresten;
voor recht wordt gezegd dat de regularisatie-opgave d.d. 22 juni 2022 onwettelijk of ongegrond is;
- wordt bevestigd dat eiseres voor het derde kwartaal 2019 mocht genieten van een BTW-vrijstelling en teruggaaf wordt bevolen van de onverschuldigde doorgestorte BTW t.b.v. 2.277,02 EUR en de boete t.b.v. 455,40 EUR te vermeerderen met de moratoriumintresten;
- ondergeschikt de geldboete wordt kwijtgescholden en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres t.b.v. 23.815,44 EUR te vermeerderen met de vergoedende intresten;
- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding en de bijdrage juridische tweedelijnsbijstand t.b.v. 24 EUR.
3.Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. Vrijstelling BTW
Vanaf 1 januari 2016 werd een vrijstelling van BTW ingevoerd voor prestaties van beoefenaars van een erkend en gereglementeerd paramedisch beroep die zijn opgenomen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (oud artikel 44 §1, 3° WBTW). Dit betekende dat osteopaten niet konden genieten van een vrijstelling BTW.
In een procedure voor het Grondwettelijk Hof stelde dit hof een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie gesteld. In een arrest d.d. 27 juni 2019 stelde het Europees Hof van Justitie dat de vrijstelling voorzien in artikel 132, lid 1, c) van de richtlijn 2006/112 niet is voorbehouden aan diensten die worden verricht door beoefenaars van een door de wetgeving van de betrokken lidstaat gereglementeerd medisch of paramedisch beroep.
In het arrest d.d. 5 december 2019 stelt het Grondwettelijk Hof dat artikel 44 51 WBTW dient te worden vernietigd, doch enkel in zoverre het niet toelaat dat de vrijstelling van BTW voor diensten van chiropraxie en osteopathie wordt verleend aan andere beoefenaars van medische en paramedische beroepen dan die welke zijn vermeld in die paragraaf, wanneer die beroepsbeoefenaars de noodzakelijke kwalificaties bezitten om medische verzorging te verlenen waarvan het kwaliteitsniveau voldoende hoog is om soortgelijk te zijn aan de door de leden van een gereglementeerd medisch of paramedisch beroep aangeboden verzorging, wanneer deze laatsten de chiropraxie of de osteopathie uitoefenen. Verder stelt het Hof in het arrest dat de gevolgen van de vernietigde bepalingen worden gehandhaafd voor alle belastbare feiten die hebben plaatsgevonden v66r 1 oktober 2019.
In het arrest van 5 december 2019 heeft het Grondwettelijk Hof de handhavingsbeslissing genomen op basis van 'dwingende overwegingen van rechtszekerheid met betrekking tot alle betrokken openbare zowel als particuliere belangen (vergelijk Hvl, 8 april 1976, C-43/75, Defrenne/SABENA, punt 74), inzonderheid de praktische onmogelijkheid om ten onrechte geïnde btw alsnog te doen terugvloeien naar de afnemers van de door de belastingplichtige gedane leveringen of verrichte diensten of van hen alsnog betaling te eisen in geval van onterechte niet-onderwerping, inzonderheid wanneer het een groot aantal niet nader geïdentificeerde personen betreft, dan wel de belastingplichtigen niet beschikken over een boekhoudkundig systeem dat hun toelaat alsnog de betrokken leveringen of diensten en de waarde ervan te identificeren'.
In een procedure voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent worden prejudiciële vragen gesteld omtrent de bevoegdheid om de gevolgen voor het verleden te handhaven van de vernietigde bepaling. In een arrest d.d. 5 oktober 2023 stelt het Europees Hof van Justitie dat dat enkel het Hof van Justitie bij wijze van uitzondering en om dwingende redenen van rechtszekerheid een voorlopige opschorting kan toegestaan. Aan de voorrang en de uniforme toepassing van het Unierecht zou afbreuk worden gedaan indien de nationale rechterlijk instanties bevoegd waren om, al was het maar tijdelijk, aan nationale bepalingen voorrang te geven boven het Unierecht waarmee deze bepalingen in strijd zijn. Geen toepassing mag gegeven worden aan de overwegingen van een nationaal grondwettelijk hof dat weigert gevolg te geven aan een prejudicieel arrest van het Hof van Justitie.
Op basis van het arrest d.d. 5 oktober 2023 van het Hof van Justitie erkent verweerder dat teruggave van BTW die ten onrechte werd afgedragen, kan gevraagd worden. Wat betreft eiseres is verweerder van mening dat het recht op teruggaaf is beperkt tot de jaren 2018 en 2019 en diende te gebeuren via een BTW-aangifte.
2. Teruggaaf
Uit het voorgaande volgt dat geen toepassing kan gemaakt worden van het arrest d.d. 5 december 2019 van het Grondwettelijk Hof wat betreft handhaving van artikel 44 §1 WBTW voor de periode v66r 1 oktober 2019.
Conform artikel 75 W.BTW kan de BTW enkel worden teruggegeven in de gevallen waarin het wetboek voorziet.
Conform artikel 77 §1, 1° W.BTW wordt de belasting teruggegeven wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is.
Conform artikel 3 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet.
Conform artikel 5 §1 en 2 WBTW vindt de teruggaaf plaats door toerekening op het bedrag verschuldigd voor het aangiftetijdvak van het totaal bedrag van de belasting waarvoor de oorzaak van teruggaaf zich heeft voorgedaan of in een aangifte ingediend v66r het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf zich heeft voorgedaan.
Conform artikel 13 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 kan de teruggaaf niet geldig worden verkregen wanneer de formaliteiten en voorwaarden bepaald in dit besluit niet worden nageleefd.
Conform artikel 82 W.BTW begint de vordering tot teruggaaf te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.
Conform artikel 82bis W.BTW is er verjaring voor de vordering tot teruggaaf na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf zich heeft voorgedaan.
De vordering tot teruggaaf begint niet te lopen vanaf de dag van betaling, wanneer de onverschuldigdheid slechts komt vast te staan door een omstandigheid die zich vele jaren na de betaling heeft voorgedaan. De verjaring begint pas te lopen vanaf een gebeurtenis (na de betaling) die de betaling retroactief onverschuldigd maakt. De gebeurtenis vormt een wettelijk beletsel waardoor de rechtsvordering tot teruggave niet eerder kon worden ingesteld.
In het arrest d.d. 5 december 2019 heeft het Grondwettelijk Hof artikel 44 §1 WBTW vernietigd. Slechts ingevolge het arrest d.d. 5 oktober 2023 van het Europees Hof van Justitie is komen vast te staan dat het Grondwettelijk Hof geen bevoegdheid had om in strijd met het Unierecht een handhavingsbeslissing toe te voegen aan het vernietigingsarrest.
De onverschuldigheid van de afgedragen BTW is dus komen vast te staan in 2023. Het is door de (ten onrechte) handhavingsbeslissing van het Grondwettelijk Hof dat het niet mogelijk was dat een teruggave kon gevraagd worden. Er is dus geen sprake van verjaring wat betreft de BTW afgedragen in 2016 en 2017. Eiseres heeft BTW-aangiften ingediend tot en met het derde kwartaal 2021. Eiseres dient via de BTW-aangifte teruggaaf vragen, maar heeft dit (nog) niet gedaan. De termijn om een teruggaaf te vragen via de BTW-aangifte, zoals wettelijk voorgeschreven, is nog steeds lopende.
3. Derde kwartaal 2019 en proces-verbaal d,d. 18 2022
Uit het voorgaande blijkt dat eiseres ook voor het derde kwartaal 2019 geen BTW verschuldigd was op de door haar verrichtte handelingen.
Het proces-verbaal d.d. 18 oktober 2022 en de schuld ... opgenomen in het innings- en invorderingsregister op naam van eiseres worden derhalve vernietigd wat betreft de BTW t.b.v. 2.277,02 EUR voor het derde kwartaal 2019 en de daarop berekende boete van 20%.
De op basis van het aldus gedeeltelijk vernietigde proces-verbaal en schuld betaalde bedragen dienen te worden terugbetaald te vermeerderen met de moratoriumintresten.
In het vermelde proces-verbaal is ook opgenomen dat eiseres onterecht geen herziening van de BTW
heeft gedaan op een voertuig. Hieromtrent is er geen betwisting. Er werd een boete opgelegd van 10%.
Eiseres maakt toepassing van de vrijstellingsregeling, doch heeft geen herziening van BTW gedaan op de aankoop van een voertuig. Eiseres kan geen toepassing maken van de vrijstellingsregeling maar anderzijds de op het voertuig afgetrokken BTW niet herzien.
De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuk vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten. Het opleggen van de boete is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuken.
De rechtbank ziet geen enkele reden om een uitstel te verlenen. Er is geen enkel reden die een uitstel zou kunnen verantwoorden.
De geldboete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar hebben ook een bestraffend en afradend karakter.
Eiseres blijft derhalve ingevolge het vermelde proces-verbaal en de schuld ... nog verschuldigd BTW t.b.v. 2.389,80 EUR en de daarop verschuldigde boete van 10% en intresten.
4. Schadevergoeding
Gezien het voorgaande dient de rechtbank niet verder te oordelen omtrent een schadevergoeding.
C. Betreffende de kosten
Gezien verweerder voor het grootste deel in het ongelijk wordt gesteld, dient hij in te staan voor de kosten van het geding.
De eis is in geld waardeerbaar. De waarde van de eis situeert zich in tussen 20.000 en 40.000,00 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van 3.139,53 EUR (geïndexeerd) bedraagt.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar en gegrond in volgende mate.
Vernietigt proces-verbaal d.d. 18 oktober 2022 en de schuld ... opgenomen in het innings-en invorderingsregister op naam van eiseres in de mate dat verschuldigde BTW is hoger dan 2.389,80 EUR en de daarop verschuldigde boete van 10% en intresten.
Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van de op basis van het gedeeltelijk vernietigde proces-verbaal en de gedeeltelijk vernietigde schuld ... geïnde bedragen, te vermeerderen met de moratoriumintresten conform artikel 91 WBTW.
Zegt voor recht dat eiseres gerechtigd is teruggaaf te vragen van de door haar afgedragen BTW voor de jaren 2016, 2017, 2018 en 2019 in een aangifte ingediend v66r het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op het kalenderjaar 2023 waarin de oorzaak van teruggaaf zich heeft voorgedaan.
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiseres begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 3.139,53 EUR en de bijdrage fonds juridische tweedelijnsbijstand t.b.v. 24 EUR.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op maandag twaalf mei tweeduizend vijfentwintig waar zitting hadden:
Lucienne De Peuter, rechter; Jorina Teerlinck, griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.