Fraude, proportionnalité, objectivité, concurrence, paiement de l'impôt, disposition pénale · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 27 novembre 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Fraude, proportionnalité, objectivité, concurrence, paiement de l'impôt, disposition pénaleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-proportionnalite-objectivite-concurrence-paiement-cour-appel-anvers-2012-11-27-9d08

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
27 novembre 2012

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

90 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 27.11.2012

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep Antwerpen, zesde kamer burgerlijke zaken

2011/AR/2596

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene administratie van de Fiscaliteit, Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van :

- de Eerstaanwezend inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

- de Eerstaanwezend inspecteur van het derde BTW-Controlekantoor te Brugge, wiens kantoren eveneens gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4

eiser na cassatie,

vertegenwoordigd, door Mr. V. L. d. J. A., advocaat te …, …

tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 29 april 2008

tegen :

B. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven onder het KBO-nummer …

verweerster na cassatie,

vertegenwoordigd door Mr. B. loco Mr. V. F., advocaat te …, …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 29 april 2008 door de Vierde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 2 juli 2008;

Gelet op het arrest uitgesproken door de Vijfde Kamer van het Hof van beroep te Gent op 29 september 2009;

Gelet op het arrest uitgesproken door het Hof van Cassatie op 11 maart 2011, waardoor het arrest van het Hof van beroep te Gent vernietigd wordt en de zaak naar het Hof van beroep te Antwerpen verwezen wordt;

Gelet op de dagvaarding om te verschijnen voor het Hof van beroep te Antwerpen, betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder L. H., met standplaats te Brugge, op 29 augustus 2011;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

1. Feiten en procedurevoorgaanden

1.1. Naar aanleiding van een BTW-controle op 5 oktober 2004 en 26 januari 2005 stelde eiser na cassatie vast dat verweerster na cassatie voor haar economische activiteit van groothandel in horecabenodigdheden, geen facturen had opgesteld en uitgereikt, zoals voorzien bij artikel 1 van het KB nr. 1 van 22 december 1992 met betrekking tot de regeling van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde; tevens werden een aantal onregelmatigheden vastgesteld op verschillende facturen (onjuiste vermeldingen, vergissingen in de tarieven, ongeldig BTW-nummer op een factuur voor intracommunautaire levering, uitgaande facturen die niet werden geboekt).

1.2. Voor de feiten vastgesteld op 5 oktober 2004 (proces-verbaal van 10 november 2004 : periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2002), werd bij dwangbevel, uitgevaardigd op 26 november 2004, een geldboete opgelegd van … € afgerond.

Bij fiscaal verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 26 januari 2005, bestreed verweerster na cassatie dit dwangbevel.

1.3. Betreffende de feiten vastgesteld op 26 januari 2005 (proces­verbaal van 26 september 2006 : periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2003), werd bij dwangbevel, uitgevaardigd op 11 december 2006, een geldboete opgelegd van … € afgerond.

Dit dwangbevel werd door verweerster na cassatie aangevochten met een fiscaal verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 26 februari 2007;

1.4. Bij vonnis van 29 april 2008 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge werden de beide zaken samengevoegd en werden de vorderingen van verweerster na cassatie gedeeltelijk gegrond verklaard. De rechtbank verklaarde voor recht dat het dwangbevel, uitgevaardigd op 26 november 2004, ongegrond is voor het gedeelte van de administratieve boete dat een bedrag van … € overtreft; het dwangbevel, uitgevaardigd op 11 december 2006, werd ongegrond verklaard voor het gedeelte van de administratieve boete dat een bedrag … € overtreft.

1.5. Eiser na cassatie tekende hoger beroep aan tegen deze beslissing bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 2 juli 2008; verweerster na cassatie tekende bij conclusies incidenteel beroep aan.

1.6. Het arrest van 29 september 2009 van het Hof van Beroep te Gent verklaarde, na het hoger beroep en het incidenteel beroep te hebben ontvangen, beide deels gegrond en dienvolgens de oorspronkelijke vorderingen van verweerster na cassatie eveneens deels gegrond en vernietigde het dwangbevel, uitgevaardigd op 26 november 2004, in de mate waarin een hogere boete werd opgelegd dan … € afgerond, terwijl het dwangbevel, uitgevaardigd op 11 december 2006, werd vernietigd in de mate waarin een hogere boete dan … € afgerond, was opgelegd.

Het arrest beveelt de teruggave van de eventueel op basis van de vermelde dwangbevelen teveel ingehouden sommen, meer de wettelijk voorziene intresten.

De gedeeltelijke kwijtschelding van de opgelegde geldboete had uitsluitend betrekking op de geldboeten in verband met het niet uitreiken van facturen, en werd als volgt gemotiveerd :

''De opgelegde administratieve boeten zijn te beschouwen als fiscale sancties met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM. Zij worden opgelegd zonder onderscheid aan eenieder die belastingplichtige is, en strekken ertoe zowel de belastingplichtige aan te zetten zijn verplichtingen na te komen om de geldboete te vermijden als het niet nakomen van zijn verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen.

De hierboven vermelde bepalingen met betrekking tot de boeten werden correct toegepast.

De belastingplichtige kan evenwel door de rechter laten nagaan of er omstandigheden bestaan die verantwoorden dat de administratieve geldboete wordt verminderd tot onder het door de wet bepaalde tarief. De rechter aan wie gevraagd wordt een opgelegde administratieve sanctie met een repressief karakter te toetsen, heeft de volle rechtsmacht om na te gaan of die beslissing in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel (...). Dit houdt echter niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (...).

Wat het niet uitreiken van de facturen betreft bestaat de overtreding van de (verweerster na cassatie) er in dat zij door het niet uitreiken van facturen eventuele fraude door haar klanten heeft vergemakkelijkt, zonder zelf BTW te ontduiken en een fiscaal voordeel te genieten, waarbij moet aangenomen worden dat zij handelde onder druk van de concurrentie. Het is immers aanneembaar dat de kans groot is dat een belangrijk aantal klanten weg zal blijven, of niet bij de (verweerster na cassatie) zal komen en zich zal gaan bevoorraden bij concurrerende handelaars (zoals bvb. grootwarenhuizen, zie stuk 8 van de (eiser na cassatie) of andere grossiers die op een vergelijkbare wijze werken) die handelen op een wijze die controle van deze klanten niet mogelijk maakt, wanneer de (verweerster na cassatie) aan die klanten controleerbaarheid oplegt door het uitreiken van facturen.

Dit in acht genomen zijn de opgelegde boeten voor het niet uitreiken van facturen onevenredig met de begane inbreuk, en dienen zij herleid te worden tot respectievelijk … € (in plaats van … €) en … € (in plaats van … €)."

1.7. Tegen dit arrest stelde de BELGISCHE STAAT, eiser na cassatie, een voorziening in cassatie in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Cassatie op 25 juni 2010.

In het enig middel tot cassatie voerde eiser na·cassatie aan dat uit het aannemen van verzachtende omstandigheden niet kan worden afgeleid dat de toepassing van de door de wet vastgestelde boete onverenigbaar is met dwingende bepalingen van intern of internationaal recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel en dat de appelrechters, door te oordelen dat de geldboete deels dient te worden kwijtgescholden omdat verweerster na cassatie zelf geen BTW heeft ontdoken of een fiscaal voordeel heeft genoten, doch enkel de fraude door haar klanten heeft vergemakkelijkt, waarbij moet worden aangenomen dat zij handelde onder druk van de concurrentie, er zich toe beperkt hebben hun subjectieve beoordeling in de plaats te stellen van de wettelijk omschreven sanctie en hebben zij louter om redenen van opportuniteit, tegen wettelijke bepalingen in, beslist dat de geldboete diende herleid te worden tot respectievelijk … € (in plaats van … €) en … € (in plaats van … €). Volgens het aangevoerde middel maakt het bestreden arrest met deze overwegingen immers niet duidelijk waarom de wettelijk voorgeschreven geldboete, objectief gezien, kennelijk onredelijk is in verhouding tot de ernst van de gepleegde inbreuken en laat meer bepaald na om de vastgestelde inbreuken af te wegen ten opzichte van de sanctie. Geen van de door het bestreden arrest in aanmerking genomen elementen vormen derhalve objectieve gronden die het bestaan van een onevenredigheid tussen de opgelegde sanctie en de gepleegde BTW-inbreuk kunnen verantwoorden. Eiser na cassatie besloot dat het bestreden arrest niet vaststelt dat de administratie niet naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang (respectievelijk … € en … €) en dus niet de rechtmatigheid van een geldboete van 60 % op zie betwist, maar wel de toepassing van die sanctie in de gegeven omstandigheden die eigen zijn aan de belastingplichtige. Het bestreden arrest van het Hof van beroep te Gent heeft derhalve niet wettig de geldboete van 60 % gedeeltelijk herleid wegens schending van het evenredigheidsbeginsel.

1.8. Bij arrest uitgesproken op 11 maart 2011 vernietigt het Hof van Cassatie het bestreden arrest en houdt het de kosten aan en laat het de beslissing daaromtrent de feitenrechter over. De zaak wordt naar het Hof van beroep te Antwerpen verwezen.

Het vernietigingsarrest besluit tot de gegrondheid van dit onderdeel op basis van volgende motieven :

"3. De appelrechters stellen vast dat :

- de geldboete wegens het niet-uitreiken van facturen, die vervat ligt in het dwangbevel dat werd uitgevaardigd op 26 november 2004, in een eerste. fase werd vastgelegd op 200 procent van de belasting met toepassing van artikel 70, § 2, BTW-wetboek en vervolgens werd verminderd met toepassing van rubriek I, sub 1°, van tabel C van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zodat uiteindelijk een geldboete van 60 procent werd opgelegd;

- de geldboete wegens het niet-uitreiken van facturen, die vervat ligt in het dwangbevel dat uitgevaardigd werd op 11 december 2006, werd vastgesteld op dezelfde. wijze als hoger vermeld, nl. 60 procent van de belasting (in toepassing van de artikelen 70, § 2, BTW-wetboek, artikel 1, eerste lid, sub 30 KB nr. 41 en tabel C van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41).

4. De appelrechters oordelen in verband met de boeten die werden opgelegd wegens het niet-uitreiken van facturen dat :

- de overtreding van de verweerster erin bestaat dat zij door het niet uitreiken van facturen eventuele fraude door haar klanten heeft vergemakkelijkt, zonder zelf de belasting over de toegevoegde waarde te ontduiken en een fiscaal voordeel te genieten, waarbij moet aangenomen worden dat zij handelde onder druk van de concurrentie;

- het aanneembaar is dat de kans groot is dat een belangrijk aantal klanten weg zal blijven, of niet bij de verweerster zal komen en zich zal gaan bevoorraden bij concurrerende handelaars (zoals bv. grootwarenhuizen of andere grossiers die op een vergelijkbare wijze werken) die handelen op een wijze die controle van deze klanten niet mogelijk maakt, wanneer de verweerster aan die klanten controleerbaarheid oplegt door het uitreiken van facturen.

5. Op grond van deze redenen waaruit blijkt dat de verweerster de fraude van haar klanten heeft vergemakkelijkt en door haar verzuim heeft bijgedragen tot een ontwrichting van het BTW-stelsel, konden de appelrechters niet oordelen dat de opgelegde boeten voor het niet-uitreiken van facturen onevenredig zijn met de begane inbreuk en deze verminderen.

Het middel is gegrond.".

2. De vorderingen en standpunten na cassatie

2.1. De BELGISCHE STAAT vordert in de dagvaarding na cassatie, betekend op 29 augustus 2011 :

• het vernietigen van het vonnis van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge in de mate dat in het vonnis geoordeeld werd dat de administratieve boeten herleid werden tot respectievelijk € … en € ….

• de veroordeling van verweerster na cassatie tot de kosten v/h geding, hierinbegrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig de tarieven bepaald i/h KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling v/h tarief v/d rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 v/h Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling v/d datum van inwerkingtreding v/d artikelen 1 tot 13 v/d Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid v/d erelonen en de kosten verbonden a/d bijstand v/e advocaat.

2.2. In zijn synthesebesluiten neergelegd op 17 juli 2012 wijst eiser na cassatie er op dat in casu een boete van 60 % werd opgelegd daar verweerster na cassatie facturen heeft uitgeschreven op naam van fictieve klanten die geen enkele relatie hebben met haar. Dergelijke overtreding, die gebruikt wordt om de werkelijke bestemming van de goederen voor belastingplichtige-afnemers te verbergen; is zwaarwichtig en getuigt geenszins van goede trouw. Dergelijke handelswijze is concurrentieverstorend ten opzichte van de groothandelaars die hun fiscale verplichtingen wel correct naleven. Eiser na cassatie meent dan ook dat de gevorderde boeten passend zijn en niet onevenredig met de door verweerster na cassatie gemaakte overtredingen, waarbij zij de fraude van haar klanten heeft vergemakkelijkt en door haar verzuim heeft bijgedragen tot ontwrichting van het BTW-stelsel. Eiser na cassatie stelt verder vast dat de schuld, vastgesteld in het dwangbevel van 26 november 2004 (RCIV-nummer …) volledig werd betaald door middel van de verkoop van een onroerend goed van verweerster na cassatie via notaris V. E., te …. De schuld, vastgesteld in het dwangbevel van 11 december 2006 (RCIV-nummer …), werd thans volledig betaald. De afweging dat verweerster na cassatie om commerciële redenen weinig andere keuze had om mee te doen aan een praktijk in de horeca-wereld lijkt te wijzen op een opportuniteitsbeoordeling ten opzichte van verweerster na cassatie en de horecasector in het algemeen. Eiser na cassatie besluit derhalve tot het gegrond verklaren van zijn hoger beroep, derhalve tot de vernietiging van het bestreden vonnis en dienvolgens de afwijzing van de door verweerster na cassatie ingestelde vorderingen bij verzoekschriften neergelegd op 26 januari 2005 en 26 februari 2007 als ongegrond. Eiser na cassatie begroot de kosten op een rechtsplegingvergoeding in eerste aanleg op … €, de dagvaarding na cassatie op … € en een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op … €.

2.3. In haar synthesebesluiten neergelegd op 18 september 2012 stelt verweerster na cassatie vooreerst dat bij het bepalen of de boete (on)evenredig is met de door haar begane inbreuk, rekening dient gehouden te worden met de impact van de boete op haar bestaan, de begane inbreuk en de oorzaak van de begane inbreuk, de houding van de administratie in het verleden en de eerste overtreding ter zake. Een eerste criterium is de begane inbreuk en de oorzaak van die begane inbreuk. In dat kader merkt verweerster na cassatie op dat zij in casu zelf de BTW op haar verkopen altijd heeft betaald. De oorzaak van de begane inbreuk lag niet in een rechtstreeks geldelijk voordeel voor haar. Het voordeel dat zij behaalde bij het begaan van de overtredingen bestond uitsluitend uit een commercieel voordeel. Een ander criterium dat in rekening moet worden gebracht bij de beoordeling van de evenredigheid van de boete, is de verhouding tot de middelen van de verweerster na cassatie. De·boete van € …, die slaat op de jaren 2001 en 2002, omvat ruim 84 % van de beschikbare reserves (€ …) vermeld onder punt IV.D van de jaarrekening van verweerster na cassatie per 31 december 2003 en is het ruime zesvoud van het winstsaldo (€ …) dat verweerster na cassatie in 2003 behaalde. De boete van € …, voor het jaar 2003, omvat ruim 51 % van de beschikbare reserves (€ …) vermeld, in de jaarrekening per 31 december 2004 en zou veel meer bedragen dan wat verweerster na cassatie in dat jaar verdiende, aangezien verweerster na cassatie haar jaarrekening afsloot met verlies. Per eind 2010 bedraagt het totaal van de boeten (€… + € … = € …) niet minder dan het tienvoud van de beschikbare reserves (€…) en zowat 27 % van het winstsaldo (€ …). Verweerster na cassatie leidt uit voormelde gegevens af dat de boeten onevenredig zijn met haar financiële middelen. Bovendien zou het opleggen van dergelijke boeten ook de positie van verweerster na cassatie, die per 31 december 2010 nog steeds schulden heeft bij kredietinstellingen, tegenover de banken grondig kunnen verstoren. Het opleggen van dergelijke boeten zou dan ook het voortbestaan van verweerster na cassatie in gedrang kunnen brengen. Dergelijke boete is disproportioneel belastend voor de belastinplichtige in vergelijking met et voordeel dat het algemeen belang eruit kan halen, temeer verweerster na cassatie de BTW over haar verrichtingen volledig heeft afgedragen aan de Belgische Staat. Er bestaat derhalve een wanverhouding tussen het algemeen en het particulier belang. Vermits de eerste rechter de boete heeft verminderd om redenen die niets te maken hebben met een loutere opportuniteitsbeoordeling, dient op het vlak van de principiële herleiding van de boete het vonnis van de eerste rechter bijgetreden te worden en het hoger beroep van eiser na cassatie op dit punt ongegrond te worden verklaard. Verweerster na cassatie verzoekt dan ook om kwijtschelding, minstens een drastische vermindering van de opgelegde boeten. Zij besluit derhalve tot het afwijzen van het hoger beroep als ongegrond en dienvolgens de nietigverklaring van de dwangbevelen van 26 november 2004 en 11 december 2006, minstens het onwettelijk of ongegrond verklaren ervan en te zeggen voor recht dat ze geen enkel gevolg mogen hebben. Zij vordert tevens de terugbetaling te bevelen van alle eventueel ingehouden sommen, verhoogd met de intresten, en de veroordeling van de Belgische Staat veroordelen tot de rechtsplegingsvergoedingen, die zij in totaal begroot op € …, hetzij € … als rechtsplegingsvergoeding van eerste aanleg, € … als rechtsplegingsvergoeding van hoger beroep (Hof van beroep Gent) en € … als rechtsplegingsvergoeding van hoger beroep ( Hof van Beroep Antwerpen).

3. Beoordeling

3.1. Krachtens artikel 70, § 2, eerste lid, BTW-wetboek, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan 50 euro, wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, wanneer de uitreiking is voorgeschreven door de artikelen 53, 53octies en 54 van hetzelfde wetboek, of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van het identificatienummer, de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan.

Krachtens artikel 84, derde lid, BTW-wetboek, wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens artikel 1, eerste lid, sub 3°, van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten ten aanzien van de overtredingen beoogd in artikel 70, § 2, BTW-wetboek bepaald in tabel C van de bijlage bij dit besluit.

Luidens rubriek I, sub 1°, van tabel C van de bijlage bij het voornoemde KB nr. 41 bedraagt de geldboete wegens het niet-uitreiken van facturen of van als zodanig geldende stukken dat geen verschuldigdheid van BTW tot gevolg heeft 60 procent van de op de handelingen verschuldigde belasting.

3.2. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt evenwel niet in dat de rechter op grond van een subjectieve interpretatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden en verminderen.

3.3. Door het Hof dient te worden vastgesteld dat de geldboete wegens het niet-uitreiken van facturen, die vervat ligt in het dwangbevel dat werd uitgevaardigd op 26 november 2004, in een eerste fase werd vastgelegd op 200 procent van de belasting met toepassing van artikel 70, § 2, BTW-wetboek en vervolgens werd verminderd met toepassing van rubriek 1, sub 1°, van tabel C van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zodat uiteindelijk een geldboete van 60 procent werd opgelegd, resp. dat de geldboete wegens het niet-uitreiken van facturen, die vervat ligt in het dwangbevel dat uitgevaardigd werd op 11 december 2006, werd vastgesteld op dezelfde wijze als hoger vermeld, nl. 60 procent van de belasting (in toepassing van de artikelen 70, § 2, BTW-wetboek, artikel 1, eerste lid, sub 30 KB nr. 41 en tabel C van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41).

De opgelegde boetes ten belope van resp. … € (= 60 %) in het proces-verbaal van 10 november 2004 en ten belope van … € (= 60 %) resp. … € (= 100 %) in het proces-verbaal van 26 september 2006 dienen in casu als strafsancties in de zin van artikel 6 EVRM te worden beschouwd.

3.4. Verweerster na cassatie betwist de door haar begane overtredingen niet. Deze overtredingen bestaan eruit dat zij door het niet uitreiken van facturen eventuele fraude door haar klanten heeft vergemakkelijkt. Zij wijst erop dat zij zelf de belasting over de toegevoegde waarde niet heeft ontdoken noch een fiscaal voordeel heeft genoten. Zij beweert te hebben gehandeld onder druk van de concurrentie en dat de kans groot is dat een belangrijk aantal klanten weg zou blijven, of niet bij verweerster na cassatie zou komen en zich zou gaan bevoorraden bij concurrerende handelaars (zoals bv. grootwarenhuizen of andere grossiers die op een vergelijkbare wijze werken) die handelen op wijze die controle van deze klanten niet mogelijk maakt, wanneer zij aan die klanten controleerbaarheid oplegt door het uitreiken van facturen.

De door verweerster na cassatie aangehaalde motieven, ter verantwoording van de door haar begane overtredingen resp. haar verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde boetes, maken gebeurlijk verzachtende omstandigheden uit.

Hieruit kan echter niet worden besloten dat de toepassing van de door de wet vastgestelde boete onverenigbaar is met dwingende bepalingen van intern of internationaal recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel.

Deze motieven betreffen geen objectieve gronden die het bestaan van een beweerde onevenredigheid tussen de opgelegde sanctie en de gepleegde BTW-inbreuk kunnen staven.

De loutere gestrengheid van een geldboete is in ieder geval op zich niet voldoende om tot de onevenredigheid ervan te besluiten in zoverre de omvang van de geldboete kan worden gemotiveerd vanuit de noodzaak om de financiën van de Staat te beschermen tegen al diegenen die proberen deze financiën te ondermijnen.

Een strenge aanpak van inbreuken op de BTW-wetgeving, zelfs wanneer door die inbreuken op zich geen BTW wordt ontdoken, is verantwoord in zoverre deze inbreuken aanleiding kunnen geven tot fraude bij andere belastingplichtigen, alsook tot concurrentievervalsing ten aanzien van belastingplichtigen die steeds nauwgezet hun BTW-verplichtingen zijn nagekomen.

Het BTW-stelsel, waarvan de correcte werking in grote mate afhankelijk is van de uitreiking van facturen aan BTW-plichtige afnemers van goederen en diensten is op dit punt bijzonder fraudegevoelig en wordt door de in hoofde van verweerster vastgestelde inbreuken volledig ontwricht.

Hieruit volgt dat uit. het feit dat verweerster na cassatie heeft gehandeld onder druk van concurrenten, zelf geen BTW heeft ontdoken, noch een fiscaal voordeel heeft genoten, doch enkel de fraude door haar klanten heeft vergemakkelijkt, niet wettig kan worden afgeleid dat er aanleiding toe bestaat de in casu opgelegde geldboetes gedeeltelijk te herleiden wegens schending van het evenredigheidsbeginsel.

Door het Hof dient bovendien te worden vastgesteld dat de opgelegde boetes geenszins van aard waren om het verder bestaan van verweerster na cassatie in het gedrang te brengen, nu vaststaat dat zij inmiddels alle opgelegde boetes heeft voldaan en zij over de nodige financiële middelen beschikte om hieraan te voldoen.

Het hoger beroep is dan ook gegrond en het incidenteel beroep ongegrond

Dispositif

4. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak,

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de bepalingen van de wet van is juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk.

Het hof verklaart het hoger beroep gegrond en het incidenteel beroep ongegrond.

Het haf hervormt het bestreden vonnis.

Het hof verklaart de door de NV B. bij verzoekschriften neergelegd op 26 januari 2005 resp. op 26 februari 2007 ingestelde vorderingen ontvankelijk doch ongegrond, en wijst de NV B. ervan af.

Het hof veroordeelt de NV B. tot de kosten van beide aanleggen, vereffend aan de zijde van eiser na cassatie op … € voor rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, … € kosten in cassatie, … € kosten van dagvaarding na cassatie, en … € voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 27 november 2012 door :

D. W., Raadsheer wd. voorzitter

S. B., Raadsheer

M. G., Raadsheer

L. K., Griffier

L. K. M. G. S. B. D. W.

Textes cités

5
CTVA art. 706 occurrences
CTVA art. 531 occurrence
CTVA art. 53octies1 occurrence
CTVA art. 541 occurrence
CTVA art. 841 occurrence

Décisions similaires

8