Exonération, exportation, opération intracommunautaire, preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 21 décembre 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, exportation, opération intracommunautaire, preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-operation-intracommunautaire-preuve-tribunal-bruxelles-2009-12-21-103f

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
21 décembre 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

141 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 21.12.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 33ste Kamer

A.R. 1994/9151/A

Inzake van :

De N.V. A., met maatschappelijke zetel te …, ingeschreven in de Kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,

Eisende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. C. S., advocaat te …, … (ref. : /),

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,

Verwerende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. J. B. loco Mr. J. H., advocaat te …, … (ref : G-917),

Na beraad op 16 november 2009 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

• De akte van verzet betekend aan verweerder op 30 juni 1994,

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 22/11/1996 en 22/10/2007,

• de conclusies van verweerder, neergelegd ter griffie op 2/11/1994, 16/12/1996 en 30/4/2008,

• de conclusies van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 14/4/1995, 19/4/1995, 27/2/1997 en 20/11/2008,

• de stukkenbundels van partijen neergelegd ter zitting van 16 november 2009;

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 15 juni 2009, waarna de bundels met de stavingstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

2. Eiseres is BTW-belastingplichtige.

Er werd door de diensten van verweerder bij eiseres een controle uitgevoerd aangaande de aankoop- en verkoopfacturen met betrekking tot transacties met een vrijstelling van BTW wegens export voor het jaar 1993.

Het betreft de volgende verkopen :

Nummer factuur Naam klant Bestemming Uitvoerdoc Chassisnummer

93/190 C. Noorwegen … …

93/195 C. Noorwegen … …

93/199 F. H. Noorwegen … …

93/200 J. Noorwegen … …

93/201 J. Noorwegen … …

93/205 C. Noorwegen … …

93/214 J. Noorwegen … …

93/221 C. Noorwegen … …

93/228 L. Noorwegen … …

93/235 H. Noorwegen … …

93/241 J. Noorwegen … …

93/246 L. Noorwegen … …

Tabel 1

Volgens de administratie werd hierbij vastgesteld dat een aantal voertuigen het voorwerp zouden hebben uitgemaakt van een "BTW-carroussel".

Er werd een proces-verbaal opgesteld op 21 maart 1994.

Daarin werd vastgesteld dat douanedocumenten met betrekking tot de verkoop van de voormelde wagens de volgende afdrukken van douanestempels droegen :

- Douane Hensies

- Douane Eynatten Raeren

- Douane Boorsem Maasmechelen

- Hauptzollamt.Frankfurt/Oder - Duitsland

Blijkens het proces-verbaal :

- was de stempel van Boorsem Maasmechelen met nummer 8 op het ogenblik van de uitvoer niet meer in gebruik;

- vertoonde de stempel van Eynatten-Raeren met nummer 3 afwijkingen ten opzichte van de originele douanestempel;

- stemde de stempel Hensies overeen met de originele afdruk, maar diende voor uitvoer naar niet EEG-landen het uitvoerdocument te worden gevalideerd door de douaneambtenaren van de douanepost langswaar de goederen de EEG hebben verlaten;

- vertoonde de stempel van Hauptzollamt Frankfurt/Oder - Duitsland met nummer 3 afwijkingen ten opzichte van de originele douanestempel;

Volgens het proces-verbaal verklaarde de heer A. (voor de N.V. A.) dat hij gecontacteerd werd door klanten, voor wie hij diende op zoek te gaan naar voertuigen. Die vond hij onder meer bij een zekere C.. Hij betaalde de voertuigen met een cheque en hij ontving de betalingen van zijn klanten in contanten. Na 2 à 3 dagen bekwam hij de exportdocumenten, voorzien van een stempel en betaalde hij het bedrag van de BTW die als waarborg werd betaald terug.

Aan de hand van de chassisnummers van de betrokken voertuigen werd vastgesteld dat één en hetzelfde voertuig, naast de aangifte ten uitvoer van de N.V. A., meermaals het voorwerp uitmaakte van een aangifte ten uitvoer, die eveneens vals bleken te zijn (voertuigen aangeduid in vet in tabel 1).

Bovendien werden in de boekhouding van de N.V. A. facturen aangetroffen met betrekking tot de aankoop van wagens die blijkens eerder opgestelde valse aangiften ten uitvoer, reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een exportfacturatie met miskenning van de BTW-reglementering. Het betreft de voertuigen met volgende chassisnummers :

…

…

…

Tabel 2

Tevens werden facturen aangetroffen in de boekhouding van eiseres uitgereikt door C. P., met name de facturen ingeschreven in de boekhouding van eiseres onder de nummers 12, 13, 14, 16, 28, 33, 35, 44 en 46.

Overeenkomstig het· proces-verbaal zou eiseres aan de Belgische Staat verschuldigd zijn :

- Als BTW : … BEF, hetzij € …

- Als geldboete : … BEF, hetzij € …

- Als intrest : 0,8 % per maand.

Verweerder vaardigde op 18 mei 1994 een dwangbevel uit lastens eiseres, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 24 mei 1994 en op 2 juni 1994 betekend aan eiseres.

3. Op 30 juni 1994 dagvaardde eiseres de Belgische Staat in verzet tegen voornoemd dwangbevel.

2. VOORWERP VAN DE VORDERING

4. De vordering van eiseres strekt ertoe het betwiste dwangbevel en bevel tot betaling nietig te horen verklaren, te horen zeggen voor recht dat het proces­verbaal dat werd opgesteld op 21 maart 1994 nietig is omdat het gesteund is op elementen die geen bewijskracht hebben, te horen bevestigen dat de informatie en elementen waarvan er sprake is in het proces-verbaal geen bewijskracht heeft/hebben maar slechts vermoedens zijn afgeleid uit onbewezen elementen.

Dienvolgens vordert eiseres te horen zeggen voor recht dat zij niet verschuldigd is de bedragen waarvan sprake in het proces-verbaal en verweerder te veroordelen tot de kosten.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. Ontvankelijkheid

5. Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.

3.2. Gegrondheid

3.2.1 Het bewijs van de feiten vervat in het proces-verbaal van 21 maart 1994

6. Artikel 39, § 1 BTW-Wetboek luidt :

"Van de belasting zijn vrijgesteld :

1° de leveringen van goederen die door of voor rekening van de verkoper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap:

2 ° de leveringen van goederen die door of voor rekening van een niet in België gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap (...)"

Overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk Besluit nr. 18 met betrekking tot de vrijstelling ingesteld bij artikel 39 §1 van het BTW-Wetboek ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten, naar een plaats buiten de Gemeenschap, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, dient de verkoper van de goederen te allen tijde in het bezit te zijn van de stukken waaruit de echtheid van

de uitvoer blijkt.

7. Aangaande het bewijs van overtredingen van het BTW-Wetboek of de

uitvoeringsbepalingen ervan bepaalt artikel 59 §1 BTW-Wetboek dat deze overtredingen of feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen worden bewezen door alle middelen van gemeen recht, getuigen en vermoeden inbegrepen doch met uitsluiting van de eed, alsook door processen verbaal van de ambtenaren van verweerder.

Deze processen-verbaal leveren bewijs op, behoudens bewijs van het tegendeel. De bewijskracht van het proces-verbaal blijft beperkt tot de erin opgenomen vaststellingen. Ze strekt zich niet uit tot de er eventueel in voorkomende gevolgtrekkingen of andere redeneringen die de verbalisant uit zijn vaststellingen afleidt, deze zijn aan de beoordeling van de rechter onderworpen.

8. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de vrijstellingen bedoeld in art. 39, § 1, 1° en 2° BTW-Wetboek door de belastingplichtige moeten worden aangetoond aan de hand van een geheel van overeenstemmende documenten waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt.

9. In het proces-verbaal zijn de volgende vaststellingen opgenomen die als bewijs moeten worden aangenomen tot bewijs van het tegendeel :

- De aanwezigheid van facturen in de boekhouding van eiseres, waarbij geen BTW werd aangerekend alsook douanedocumenten;

- De aanwezigheid van stempels op deze douanedocumenten;

- De vaststelling dat de op deze documenten voorkomende douanestempels en de door de douane geplaatste stempelafdrukken van elkaar verschillen;

- De vaststelling dat de wagens, die door AMEC zouden zijn uitgevoerd tevens het voorwerp uitmaken van nog andere aangiften ten uitvoer. Het gaat om voertuigen met de chassisnummers aangeduid in vet in Tabel 1.

- De vaststelling dat voertuigen die door eiseres werden aangekocht reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van valse aangiften ten uitvoer. Het gaat om voertuigen met de chassisnummers aangeduid in vet in Tabel 2.

In tegenstelling tot hetgeen wordt voorgehouden door eiseres betreft het feit dat de douanestempels die voorkomen op douanedocumenten vals zijn of niet meer in gebruik waren, wel degelijk een materiële vaststelling die door de betrokken ambtenaar enkel kon worden gedaan door vergelijking op zicht van de op de douanedocumenten van eiseres voorkomende douanestempels en de rechtsgeldige douanestempels. Hetzelfde geldt voor het feit dat de voertuigen die door AMEC zouden zijn uitgevoerd reeds voordien het voorwerp hebben uitgemaakt van aangiften ten uitvoer.

Aldus dient de administratie niet te bewijzen dat de stempels die werden aangetroffen op de douanedocumenten die worden voorgelegd door AMEC vals zouden zijn of afwijkingen zouden vertonen ten aanzien van de officiële stempels.

Evenmin moet de administratie aantonen dat de chassisnummers van de voertuigen die door AMEC zouden zijn uitgevoerd overeenstemmen met de chassisnummers van voertuigen die enige tijd voordien reeds werden uitgevoerd. Dit volgt uit het feit dat het proces-verbaal waarin deze materiële vaststellingen zijn opgenomen geldt als bewijs tot zolang het tegendeel niet wordt bewezen door eiseres.

Overigens bewijst de Belgische Staat aan de hand van de voorgelegde stukken afdoende dat de betrokken uitvoerdocumenten vals zijn, nu zij werden voorzien van valse stempels. Dit blijkt met name uit de stukken 8, 9 en 10 van verweerder, waaruit blijkt dat een gedetailleerd onderzoek vverd gevoerd naar de gebruikte stempels.

3.2.2 Het bewijs dat de voertuigen België of de EEG hebben verlaten

10. Eiseres stelt dat zij het bewijs levert dat de betrokken goederen werden ingevoerd in het land van bestemming, nu zij de desbetreffende douanedocumenten voorlegt die zijn afgestempeld door de douane van het land van bestemming.

11. In beginsel is het aan eiseres te bewijzen dat de door haar verkochte wagens werden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap.

Dienaangaande is evenwel rekening te houden met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie aangaande de uitlegging van artikel 15 van de Zesde Richtlijn. In het arrest Netto-Supermakrt Gmbh van 21 februari 2008 (arrest C-271/06 diende het Hof zich uit te spreken over de toepassing van de vrijstellingsregeling wegens uitvoer van goederen naar een land buiten de Gemeenschap in geval de op de douanedocumenten voorkomende stempels vals bleken te zijn. Het Hof overwoog dienaangaande als volgt :

"17. Zoals volgt uit het eerste zinsdeel van artikel 15 van de Zesde richtlijn, staat het aan de lidstaten om de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling voor een exportlevering van goederen buiten de Gemeenschap vast te stellen. Deze bepaling verduidelijkt eveneens dat genoemde staten deze voorwaarden vaststellen om onder meer "alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen"

18. Er zij evenwel aan herinnerd dat de lidstaten, bij de uitoefening van de hun door de communautaire richtlijnen verleende bevoegdheden, de algemene rechtsbeginselen die deel uitmaken van de communautaire rechtsorde, waaronder het rechtszekerheids- en het evenredigheidsbeginsel, alsook het vertrouwensbeginsel, moeten naleven (zie in die zin arresten van 18 december 1997, Molenheide e.a., C-286/94, C-340/95, C-401/95 en C-47/96, Jurispr. blz. I-7281, punten 45-48; 11 mei 2006, Federation of Technologica! Industries e.a., C-384/04, Jurispr. blz.I-4191, punt 29, en 14 september 2006, Elmeka, C-181/04-C-183/04, Jurispr. blz. I-8167,punt 31).

(...)

21. In dit verband moet worden opgemerkt dat op het gebied van de BTW de leveranciers optreden als belastingontvangers voor rekening van de staat en in het belang van de schatkist (zie arrest van 20 oktober 1993, Balocchi, C-10/92, Jurispr. blz. I-5105, punt 25). Deze leveranciers dienen de BTW af te dragen, ook al wordt deze, als verbruiksbelasting, uiteindelijk door de eindgebruiker gedragen (zie arrest van 3 oktober 2006, Banca popolare di Cremona, C-475/03, Jurispr. blz. 1-9373, punten 22 en 28).

22. Dit is de reden waarom de in artikel 15 van de Zesde richtlijn genoemde doelstelling van voorkoming van belastingfraude soms rechtvaardigt dat hoge eisen worden gesteld aan de op de leveranciers rustende verplichtingen. Elke verdeling van het risico over de leverancier en de belastingautoriteiten naar aanleiding van fraude door een derde, moet evenwel verenigbaar zijn met het evenredigheidsbeginsel (arrest Teleos e.a., reeds aangehaald, punt 58).

23. Dit kan niet het geval zijn wanneer een regeling de leverancier, ongeacht of hij al dan niet bij de fraude van de afnemer betrokken is, de volle verantwoordelijkheid voor de betaling van de BTW oplegt (zie in die zin arrest Teleos e.a., reeds aangehaald, punt 58). Zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie uiteenzet, zou het kennelijk onevenredig zijn om een belastingplichtige aan te spreken voor een tekort aan belastinginkomsten dat is veroorzaakt door frauduleus handelen van derden waarop hij geen enkele invloed heeft.

24. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld is het daarentegen niet in strijd met het gemeenschapsrecht, van de leverancier te verlangen dat hij alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht niet betrokken raakt bij belastingfraude (zie arrest Teleos e.a., reeds aangehaald, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25. Dat de leverancier te goeder trouw heeft gehandeld, dat hij alles heeft gedaan wat· redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt en dat zijn betrokkenheid bij fraude is uitgesloten, vormen derhalve belangrijke indicatoren om uit te maken of deze leverancier achteraf tot betaling van BTW kan worden verplicht (zie arrest Teleos e.a., reeds aangehaald, punt 66).

(..)

27. Hieruit volgt dat een leverancier op de rechtmatigheid van de handeling die hij verricht moet kunnen vertrouwen zonder het gevaar te lopen zijn recht op BTW­vrijstelling te verliezen, wanneer hij, zoals in het hoofdgeding, ook met betrachting van de zorgvuldigheid van een oplettend koopman, niet kan weten dat de voorwaarden voor vrijstelling in werkelijkheid niet vervuld zijn omdat de afnemer een vervalst bewijs van uitvoer heeft overgelegd.

28. Hieraan moet overigens worden toegevoegd dat, anders dan de Duitse regering betoogt, de rechtspraak van het Hof op het gebied van het douanerecht, volgens welke een marktdeelnemer die niet kan bewijzen dat aan de voorwaarden voor kwijtschelding van in- of uitvoerrechten is voldaan, ondanks zijn goede trouw de gevolgen daarvan moet dragen, in een situatie als die in het hoofdgeding geen afbreuk kan doen aan de voorgaande overwegingen. Zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan die rechtspraak niet worden toegepast op de specifieke situatie van een belastingplichtige die onder het gemeenschappelijk BTW-stelsel van de Zesde richtlijn valt, gezien de verschillen in opzet, voorwerp en doel tussen dat stelsel en het communautaire stelsel voor de heffing van douanerechten.

29. Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 15, punt 2, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat BTW-vrijstelling voor een exportlevering van goederen buiten de Gemeenschap verleent wanneer de voorwaarden voor een dergelijke vrijstelling niet zijn vervuld, maar de belastingplichtige dat, ook met betrachting van de zorgvuldigheid van een oplettend koopman, niet kon weten omdat het door de afnemer overgelegde bewijs van uitvoer was vervalst."

Uit hetgeen voorafgaat volgt dat voor het ontzeggen aan eiseres van het recht op vrijstelling wegens uitvoer naar een land buiten de Gemeenschap het niet volstaat aan te tonen dat de door eiseres voorgelegde douanedocumenten zijn vervalst. Tevens moet worden aangetoond dat de leverancier met miskenning van de zorgvuldigheid van een oplettend koopman diende te weten dat deze documenten waren vervalst en dat de voorwaarden voor een vrijstelling derhalve niet waren vervuld. Daarbij moet worden nagegaan of de leverancier te goeder trouw heeft gehandeld, of hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt en of zijn betrokkenheid bij fraude is uitgesloten.

In de mate dat de relevante bepalingen van het BTW-Wetboek aldus moeten worden uitgelegd dat het risico naar aanleiding van fraude door derden altijd bij de leverancier ligt en dat deze geen aanspraak kan maken op een vrijstelling van BTW wegens uitvoer naar een land buiten de Gemeenschap wanneer achteraf blijkt dat de door de leverancier voorgebrachte douanedocumenten vals zijn, zelfs niet wanneer hij geen enkele invloed had op het frauduleus handelen van derden, is op te merken dat de Belgische wet zoveel als mogelijk moet worden uitgelegd in overeenstemming met de Zesde Richtlijn, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (arrest 106/89, 13 november 1990, Marleasing / Comercial Internacional de Alimentación).

11. Eiseres stelt zelf het slachtoffer te zijn geworden van malafide praktijken van derden en steeds te goeder trouw te hebben gehandeld.

De rechtbank houdt rekening met de volgende omstandigheden :

- Eiseres heeft klacht met burgerlijke partijstelling ingediend bij onderzoeksrechter C.. Kennelijk is dit onderzoek thans nog steeds niet afgesloten. In elk geval blijkt uit geen enkel stuk dat eiseres, die zelf aan de basis lag van het gerechtelijk onderzoek, zelf werd vervolgd of in verdenking werd gesteld wegens valsheid in geschrifte of andere misdrijven.

- Eiseres heeft steeds een kopie van de identiteitskaart genomen van de afnemer.

- Eiseres heeft ook steeds een bedrag gelijk aan de normaal verschuldigde BTW als waarborg gevraagd, die werd terugbetaald eens de nodige exportbewijzen werden ter beschikking gesteld van eiseres. Dit wordt door verweerder niet betwist.

- Eiseres kon niet de visu de valsheid van de voorgelegde douanedocumenten vaststellen. Uit stukken 8, 9 en 10 van verweerder blijkt dat de gebruikte (valse) stempels dermate gelijkenissen vertonen met de officiële stempels, dat het vals karakter ervan door de gemiddeld aandachtige handelaar niet de visu kan worden vastgesteld. Eiseres kon dus met reden op de rechtmatigheid van de handeling die hij verrichte vertrouwen.

- Eiseres heeft steeds de vereiste documenten zoals gelijkvormigheidsattest, document 705, inschrijvingsbewijs opgevraagd.

Aldus blijkt dat eiseres met de zorgvuldigheid van een oplettend handelaar alle redelijke maatregelen heeft genomen om te vermijden dat hij zou betrokken worden bij feiten van belastingsfraude. Bijgevolg kan geen BTW worden nagevorderd van eiseres en had zij het recht op de vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 1 van het BTW-Wetboek.

De vordering is inzoverre gegrond.

4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

12. Aangezien de vordering van eiseres gegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van verweerder.

De waarde van de vordering situeert zich tussen € 100.000,01 en € 250.000,00.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding begroot worden op € …. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond in de volgende mate.

Vernietigt het dwangbevel en bevel tot betaling van 18 mei 1994, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 24 mei 1994 en op 2 juni 1994 betekend aan eiseres, alsmede het proces-verbaal van 21 maart 1994.

Zegt voor recht dat eiseres de bedragen aan BTW, geldboeten en intresten waarvan sprake in het proces-verbaal van 21 maart 1994 niet is verschuldigd.

Veroordeelt verweerder tot betaling van de gedingkosten in hoofde van eiseres begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 21 december 2009.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer M. B. : toegevoegd rechter

Mevrouw I. D. : griffier.

I.D. M. B.

Textes cités

10

Décisions similaires

8