Exonération, exportation, opération intracommunautaire, preuve, mesure de contrôle, poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 4 novembre 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, exportation, opération intracommunautaire, preuve, mesure de contrôle, poursuiteTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-operation-intracommunautaire-preuve-cour-appel-gand-2008-11-04-3405

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
4 novembre 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

124 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 04.11.2008

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent, 5b9 kamer – terechtzitting van 04-11-2008

Nr. 2006/AR/1288

in de zaak van :

A. J. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer ….

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. A. loco mr. G. L., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Belastingen en Invordering, sector BTW, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het Tweede BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, wiens kantoren gevestigd zijn te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. V. S. loco mr. D. C., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. De procedure voor het Hof

Bij verzoekschrift van 18 mei 2006 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk, tweede kamer, op 19 september 2005 werd uitgesproken. De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 14 oktober 2008, waarna het debat werd gesloten. Het Hof nam vervolgens de zaak in beraad. De partijen hebben verklaard dat het bestreden vonnis op 26 april 2006 werd betekend op verzoek van de geïntimeerde en de appellante voegt een exemplaar van het exploot van betekening bij haar stukken.

Het Hof heeft de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante is voor de verkoop van auto's geregistreerd als BTW-belastingplichtige.

Op 22 november 1995 werd bij de appellante een controle uitgeoefend op de juiste toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake BTW, met betrekking tot de periode van 1 januari 1991 tot 31 december 1994.

Tijdens die controle werden een aantal overtredingen m.b.t. de uitvoer vastgesteld. In het bijzonder bleek dat de appellante voor een aantal uitvoeren van auto's naar Polen, dus (toen nog) buiten de Europese Unie, vrijstelling van BTW had verleend zonder dat zou bewezen zijn dat de betreffende auto's daadwerkelijk waren uitgevoerd. De diensten van de geïntimeerde hadden in het kader van die controle een onderzoek laten doen naar de echtheid van douanestempels die waren geplaatst op de uitvoerdocumenten die door de Poolse afnemers van de appellante waren voorgelegd als bewijs van de (beweerde) uitvoer. De appellante had immers aanvankelijk de BTW aangerekend maar de mogelijkheid geboden aan haar afnemers om het bedrag van de BTW te recupereren na overlegging van het bewijs dat de auto's de EU-regels hadden overschreden voor uitvoer.

De appellante was niet bereid om in te gaan op een regularisatievoorstel. Daarop heeft de geïntimeerde op 10 februari 1997 een proces-verbaal opgemaakt. Daarin werden de volgende bedragen verschuldigd geacht :

- … frank (… euro) BTW;

- … frank (… euro) verminderde proportionele boete;

- de wettelijke interest (art. 91, § 1 W.BTW) vanaf 21 februari 1995 over … frank (… euro).

Omdat de appellante geen gevolg gaf aan de uitnodiging tot betaling van die bedragen, werd op 26 september 1997 een dwangbevel uitgevaardigd voor :

- … frank (… euro) BTW;

- … frank (… euro), zijnde de opgetrokken, maar nog steeds ten opzichte van het wettelijk tarief verminderde proportionele boete;

- de wettelijke interest (art. 91, § 1 W.BTW) vanaf 21 februari 1995 over … frank (… euro);

- de wettelijke interest (art. 91, § 4 W.BTW) vanaf betekening van het dwangbevel op de geldboete.

Dat dwangbevel werd op 29 september geviseerd en uitvoerbaar verklaard en vervolgens op 8 oktober 1997 bij deurwaardersexploot aan de appellante betekend.

Met de dagvaarding van 21 oktober 1997 tekende de appellante verzet aan tegen dat dwangbevel.

In het vonnis van 19 september 2005 heeft de tweede kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk de vordering van de appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Met name werd als volgt uitspraak gedaan :

Verklaart de vordering van de BVBA A. R. J. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Hervormt het dwangbevel, uitgevaardigd door F. V., e.a. Inspecteur van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, op 26 september 1997 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door M. L., e.a. Inspecteur van de BTW te Izegem, op 29 september 1997 als volgt.

Zegt dat de BVBA A. R. J. verschuldigd is aan de Belgische Staat Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen :

- BTW : … (…);

- Geldboete : … (…);

- de interest aan 0,80 % per maand op de BTW vanaf 21 januari 1995 tot aan de volledige betaling;

- de moratoire interest op de geldboete.

Veroordeelt de BVBA A. R. J. tot 85 % en de Belgische Staat tot 15 % van de kosten van het geding.

Stelt de kosten vast (…).

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De grieven, vorderingen en standpunten van de partijen

3.1. Stelling van de appellante

De appellante formuleert haar vordering in graad van hoger beroep onder de volgende bewoordingen :

Het oorspronkelijke vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk d.d. 19 september 2005 in de zaak ARnr. …, te vernietigen behoudens in de mate dat de uitvoeren hierna genoemd : Factuur nr. …; Factuur nr. …; Factuur nr. …; Factuur nr. … Factuur nr. …; Factuur nr. …; Factuur nr. …, Factuur nr. …; Factuur nr. …; Factuur nr. …; Factuur nr. …; Factuur nr. …, bewezen werden geacht.

Aldus opnieuw wijzende de aanvankelijke ingestelde eis van verzoekster ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Het oorspronkelijk verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel (RCIV nr. …), uitgevaardigd ten laste van verzoekster in datum van 26.09.1997 door de ontvanger van het tweede BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29.09.1997 door de heer L., e.a. Inspecteur BTW te Izegem, aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge, ontvankelijk en gegrond te verklaren naar vorm en inhoud.

Te zeggen voor recht dat het voornoemd dwangbevel en het proces-verbaal opgemaakt op 10.02.1997 nietig zijn, geen rechtsgevolgen kunnen hebben en niet kunnen worden uitgevoerd. Tevens te zeggen voor recht dat verzoekster de sommen niet verschuldigd is zoals vermeld in het litigieus dwangbevel voornoemd en in het proces-verbaal van 10.02.1997.

Minstens de BTW-administratie te bevelen alle stukken die verzoekster destijds verzameld heeft (alle facturen, copies van identiteitskaarten van de kopers, de originele uitvoerdocumenten, briefwisseling waarbij uitvoerdocumenten vanuit Polen teruggestuurd werden naar verzoekster, etc.) die het bewijs van uitvoer leveren en die nog steeds in handen van de BTW-administratie zijn, over te leggen in huidige procedure, overeenkomstig art. 877 Ger. Wb.

De Belgische Staat te veroordelen in alle kosten van het geding, aan de zijde van concluante begroot op (…).

De appellante voert aan dat zij met betrekking tot de wagens die voor uitvoer verkocht werden met vrijstelling van BTW telkens aan de factuur een 'enig document' gehecht heeft met een douanestempel van het douanekantoor van uitgang waardoor zij de daadwerkelijke uitvoer van de voertuigen zou bewijzen.

Vermits het hoofddouanekantoor te Keulen geen rechterlijke instantie is, zou het onderzoek zoals uitgevoerd door het hoofddouanekantoor te Keulen slechts eenzijdig zijn en om die reden niet aan de appellante kunnen worden tegengeworpen.

De appellante beroept zich subsidiair op overmacht. Uit het feit dat de Belgische Staat een beroep moest doen op het Zollkriminalamt in Duitsland, blijkt volgens de appellante dat ook op het ogenblik van de feiten en zelfs daarna geen enkele Belgische instantie in staat was de echtheid van de stempels te controleren.

Er zou van de appellante, die naar haar eigen mening te goeder trouw de afgestempelde uitvoerdocumenten van haar Poolse kopers terug in ontvangst nam, een onmogelijke controle a posteriori gevraagd worden waartoe niemand in België in staat is/was. De appellante zou bovendien onmogelijk de echtheid van de stempels op de uitvoerdocumenten hebben kunnen controleren. Zij zou zelfs te rade gegaan zijn bij de lokale BTW-Administraties die ook niet zouden hebben kunnen vaststellen of de stempels al dan niet echt waren en het waarborgsysteem (via douaneagentschap V.) dat de appellante met haar Poolse leveranciers toepaste, goedkeurden.

De geïntimeerde zou ook handelen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald in strijd met het beginsel van de redelijkheid en het beginsel van de zorgvuldigheid, door de Vlaamse - te goeder trouw zijnde - autohandelaar te laten opdraaien voor te eventuele fraude die gepleegd wordt door malafide autohandelaars uit derde landen.

De geïntimeerde zou de Vlaamse autohandelaars veel te laat gewaarschuwd hebben voor eventuele malafide autohandelaars uit derde landen.

De geïntimeerde zou eerst alles laten betijen hebben en zou pas naderhand een controle hebben laten uitvoeren bij de Vlaamse autohandelaars over meerdere jaren, waardoor het een echte financiële strop zou geworden zijn omdat ze voor een onmogelijke bewijsvoering zouden worden geplaatst.

De appellante beroept zich ook op de zesde BTW-Richtlijn en in het bijzonder op de uitleg eraan gegeven in het arrest N. S. GmbH & Co. vs. Finanzamt Malchin (C-271/06 van 21 februari 2008).

Zij stelt dat het op grond van dat arrest vaststaat dat de zesde richtlijn in die zin moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat een BTW-vrijstelling voor een exportlevering van goederen buiten de Gemeenschap verleent wanneer de voorwaarden voor een dergelijke vrijstelling niet zijn vervuld, maar de belastingplichtige, ook met betrachting van de zorgvuldigheid van een oplettend koopman, dat niet kon weten omdat het door de afnemer overgelegde bewijs van uitvoer was vervalst.

In het geval van de appellante, die te goeder trouw was, zou dat betekenen dat haar de vrijstelling moet worden verleend.

De appellante stelt dat ze minstens de uitvoer van de wagens bewijst aan de hand van de uitvoerdocumenten en de bijkomende stukken. In het bijzonder beroept zij zich op documenten waaruit duidelijk blijkt dat meerdere wagens reeds ingeschreven zijn in Polen en stelt dat het voor haar haast onmogelijk is om nog extra bewijsstukken te vinden.

De appellante laat nog gelden dat de geïntimeerde nog steeds alle facturen, kopieën van identiteitskaarten van de kopers, de originele uitvoerdocumenten, briefwisseling waarbij de uitvoerdocumenten vanuit Polen teruggestuurd werden, etc. in haar bezit heeft, zodat zij deels voor een onmogelijke opdracht geplaatst wordt. Zij sommeert de geïntimeerde om die documenten als stukken te voegen in de procedure overeenkomstig artikel 877 Ger.W.

De appellante betwist ook dat de uitvoer door de niet in België gevestigde koper onmiddellijk nadat de goederen aan hem ter beschikking gesteld werden, zou moeten plaatsvinden.

De geïntimeerde zou ook ten onrechte inroepen dat er geen bewijs geleverd is dat de goederen uitgevoerd werden in de staat waarin zij verkocht werden.

Hetzelfde zou gelden voor wat betreft de opmerkingen van de geïntimeerde in verband met het dubbele factuursysteem en de wagens die in België doorverkocht zouden worden.

Ten slotte voert de appelante aan dat minstens ermee moet rekening gehouden worden dat op meerdere van de verkochte wagens het margesysteem toepasselijk was, met name wanneer de appellante zelf de wagen bij een particulier kocht.

3.2. Stelling van de geïntimeerde

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. Bovendien vraagt hij de veroordeling van de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van deze aanleg.

De geïntimeerde voert aan dat zijn diensten alleen de facturen en de originele vervoerdocumenten heeft meegenomen voor verder onderzoek - waarvoor hij naar zijn proces-verbaal verwijst - en stelt dat hij daarvan kopieën voorlegt. Hij verzet zich niet tegen inzage van het administratief dossier door de appellante maar ontkent dat hij in het bezit zou zijn van andere documenten waarover de appellante de toepassing van artikel 877 Ger. W. vraagt.

Volgens de geïntimeerde blijkt uit de stukken dat het onderzoek van de stempelafdrukken door het Duitse Zollkriminalamt zeer deugdelijk gevoerd werd. Hij verwijst naar eerdere rechtspraak van het Hof om te stellen dat er geen redenen zijn om aan de waarde van dat onderzoek te twijfelen. Hij benadrukt dat het Duitse Zollkriminalamt bovendien al zelf een onderscheid gemaakt heeft tussen de stempelafdrukken die onbetwistbaar vervalsingen zijn en deze waarover twijfel bestond door deze laatste als geldig te beschouwen. Dat zou niet met zich brengen dat het onderzoek niet sluitend zou zijn.

Wat de ingeroepen overmacht aangaat, beroept de geïntimeerde zich op eerdere rechtspraak van het Hof om te stellen dat het niet volstaat vast te stellen dat de appellante te goeder trouw was om te concluderen dat de (van vervalste stempels voorziene) aangiften ten uitvoer, het bewijs zouden leveren van daadwerkelijke uitvoer van de betrokken auto's. Volgens de geïntimeerde moet het bewijs van uitvoer geleverd worden door een geheel van met elkaar overeenstemmende stukken, waaronder bestelbons, vervoerdocumenten, betalingsstukken en de aangifte ten uitvoer, maar ook andere stukken. Omdat het een fraudegevoelige sector betreft, zouden autohandelaars in de grensstreek moeten weten dat ze uiterst voorzichtig moeten tewerk gaan. Dat zou betekenen dat de uitvoer omstandig zou moeten bewezen worden. Aan die verplichting zou de appellante niet voldaan hebben door enkel een uitvoerdocument voor te leggen.

In verband met de beginselen van behoorlijk bestuur verwijst de geïntimeerde naar een arrest van het Hof van Beroep van Gent van 18 november 2003 en citeert : "Ook de bewering dat de appellant tekort geschoten zou zijn aan zijn informatieplicht, zoals de geïntimeerde stelt, is zonder invloed. Te dezen gaat het om transacties gesloten in 1993 en 1994, zodat de informatie die de appellant volgens de eerste recht opdeed in 1995 en 1996 en aan de geïntimeerde meegedeeld moest worden, hoe dan ook te laat meegedeeld zou zijn." Dat zou door de eerste rechter ook in deze zaak met recht zijn toegepast.

Verder stelt de geïntimeerde dat de appellante op geen enkele manier aantoont dat de BTW-administratie om inlichtingen over de stempels werd gevraagd of deze hoe dan ook zou verstrekt hebben.

De geïntimeerde beroept zich ook op het openbare orde-karakter van de fiscale weten stelt dat de eerste rechter met reden zou hebben aangenomen dat de Belgische Staat niet moet opdraaien voor de fraude van malafide Polen.

De goede trouw van de appellante zou hoe dan ook niet wegnemen dat er aan de hand van uitvoerdocumenten met valse stempels geen (afdoende) bewijs geleverd wordt dat de wagens werkelijk in Polen ingevoerd werden, terwijl dat wettelijk vereist is om van de vrijstelling te kunnen genieten.

De geïntimeerde stelt ook dat de appellante op het moment van de controle geen andere bewijsstukken heeft voorgelegd dan de niet behoorlijk geviseerde aangiften ten uitvoer. Waar de appellante zich beroept op het zogenaamde 'waarborgsysteem' waarbij de BTW pas zou zijn terugbetaald na voorlegging van de afnemer van het bewijs van uitvoer (nI. de afgestempelde uitvoerdocumenten), betwist de geïntimeerde dat; volgens de geïntimeerde is niet bewezen dat de appellante op die manier tewerk ging; de door de appellante voorgelegde verklaring van douaneagentschap V., zou als bewijs niet volstaan.

Wat betreft het arrest van het Hof van Justitie van 21 februari 2008 in de zaak van N. S., stelt de geïntimeerde dat daarin overwogen wordt dat het niet in strijd is met het gemeenschapsrecht om van de leverancier te verlangen dat hij alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht niet betrokken raakt bij belastingfraude. Volgens de geïntimeerde blijkt niet dat de appellante op dat vlak alles heeft gedaan; de enkele voorlegging van een uitvoerdocument zou niet volstaan hebben.

De geïntimeerde aanvaardt verder de vermindering van haar vordering zoals de eerste rechter heeft gedaan op basis van de bijkomende stukken die toen werden voorgelegd.

In graad van hoger beroep zouden geen bijkomende bewijzen worden voorgelegd.

De geïntimeerde laat verder gelden dat de appelante niet gekozen heeft voor de toepassing van de margeregeling, maar voor de vrijstellingsregeling voor uitvoer.

Volgens de geïntimeerde zijn bovendien de voorwaarden voor de winstmargeregeling niet vervuld. Het specifiek karakter van de winstmargeregeling zou vereisen dat van bij de aankoop tot bij de verkoop voldaan wordt aan specifieke voorwaarden en modaliteiten. Daarom zou het onmogelijk zijn om deze regeling a posteriori toe te passen wanneer aan deze voorwaarden en modaliteiten niet voldaan werden.

4. Beoordeling

4.1. Wat de waarde van het onderzoek door het Duitse Zollkriminalamt aangaat

Er is geen reden om de waarde van dat onderzoek in twijfel te trekken, noch om het als niet tegenwerpelijk aan de appellante te beschouwen. De vaststelling dat dit onderzoek niet tegensprekelijk gebeurde, brengt nog geen schending van de rechten van de verdediging van de appellante met zich. De appellante heeft immers de mogelijkheid om de bewijswaarde van het onderzoek te ontkrachten door zelf een expertise te laten uitvoeren of er zelfs een uit te lokken in het kader van een procedure (deze hier of een andere), maar ze heeft dat niet gedaan.

Er moet dus worden aangenomen dat de betreffende stempels vervalsingen zijn.

4.2. Overmacht

De appellante stelt dat zij in de onmogelijkheid was om op een betere manier na te gaan of de betreffende wagens daadwerkelijk naar Polen werden uitgevoerd.

De appellante, die zich beroept op de vrijstelling, moet aantonen dat te voorwaarden daartoe vervuld zijn, en dus dat de verkochte voertuigen "werden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap (Polen)" (artikel 39, 1 ,2° W.BTW).

Artikel 3 van het KB nr. 18 van 29 december 1992 voorziet : "De verkoper van de goederen moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met controle belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn, onder meer, de bestelbons, de vervoerdocumenten, de betalingsstukken, alsmede de aangifte ten uitvoer bedoeld in artikel 2.”

Door te eisen dat de echtheid van de uitvoer zou blijken voegt artikel 3 van het KB nr. 18 van 29 december 1992 geen bijkomende voorwaarde toe aan artikel 39, § 1, 2° BTW-wetboek (en artikel 15, tweede lid, cijfer 2 van de Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG Raad 17 mei1977). De woorden "werden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap" kunnen niet anders geïnterpreteerd worden dan in de zin dat de goederen effectief moeten worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten het BTW-gebied van de Gemeenschap, d.i. dat er een daadwerkelijke overbrenging van de goederen naar een niet EG-land is. Het volstaat derhalve niet dat er intentie zou zijn om de goederen te verzenden of te vervoeren naar een plaats buiten de gemeenschap.

Verder bepaalt artikel 3 van het KB nr. 18 van 29 december 1992 enkel dat alle stukken waaruit de echtheid blijkt in het bezit moeten zijn van de verkoper, zonder eisen te stellen qua hoeveelheid en aard van de stukken. Zo verder in deze bepaling bepaalde stukken worden opgesomd, dan is dit enkel bij wijze van voorbeeld, en niet limitatief (zie in dit verband het gebruik van de woorden "onder meer"), en verhindert dit de bewijslevering volgens de regelen en middelen van het gemene recht, uitgezonderd de eed (vergelijk met artikel 59, § 1 BTW-wetboek) niet.

De appellante betoogt verder dat het KB nr. 18 het intern recht en het gemeenschapsrecht schendt. In dit verband bepaalt artikel 15 van de Zesde richtlijn dat de Lidstaten de voorwaarden mogen vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de vrijstelling te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.

Terecht wordt in dat kader gesteld dat de verkoper zich tegen de mogelijke koper te kwader trouw kan wapenen door bv. de BTW op de transactie te laten borgen, door de BTW aan te rekenen en pas terug te betalen door overschrijving op de bankrekening van de buitenlandse koper indien deze hem het behoorlijk geviseerde uitvoerdocument terugstuurt. De verkoper zou ook een bankwaarborg kunnen eisen. Gelet op de fraudegevoeligheid van dergelijke transacties, en gezien de fraudebestrijding overigens één van de doelstellingen uitmaakt van de Zesde Richtlijn, is het eisen van een bewijs van uitvoer ook geenszins buiten verhouding tot het beoogde doel.

Nu blijkt evenwel dat de appellante in concreto wel degelijk van haar afnemers de betaling van de BTW gevraagd heeft en de terugbetaling afhankelijk stelde van het bewijs door die afnemers van de uitvoer van de wagens door de voorlegging van het uitvoerdocument. Die uitvoerdocumenten waren daadwerkelijk voorhanden bij de appellante op het moment van de controle; dat blijkt uit het proces-verbaal van 10 februari 1997 en in het bijzonder uit de bijlagen waarop staat welke documenten werden meegenomen voor onderzoek. De appellante legt onder stuk 14 ook een verklaring voor van douaneagentschap V. uit … waarin bevestigd wordt dat een waarborgsysteem werd toegepast dat erin bestond de Poolse koper een waarborg te doen betalen ter dekking van het terugbrengen van het geldig afgestempeld uitvoerdocument; de waarborg werd teruggegeven bij afgifte van dat afgestempeld uitvoerdocument.

Anders dan de geïntimeerde is het Hof van oordeel dat van de appellante in het concrete geval niet kan verlangd worden dat ze nog meer stukken bijeenbracht om de uitvoer van de wagens te bewijzen. Er moet mee rekening gehouden worden dat de verkopen gebeurde aan de kopers die de wagens zelf onmiddellijk meenamen. Er werd dus geen beroep gedaan op een derde-transporteur van wie bijkomende documenten over het vervoer zouden kunnen bekomen worden.

Zelfs al is het waar dat de opsomming in artikel 3 van het KB nr. 18 van 29 december 1992 niet limitatief is, toch kan ook de geïntimeerde kennelijk geen voorbeeld geven van bijkomende documenten aan de hand waarvan de appellante haar bewijs zou kunnen leveren.

Met reden verwijst de appellante naar het arrest van het Hof van Justitie van 21 februari 2008 in de zaak van N. S. GmbH & Co tegen Finanzamt Malchin (http://curia.europa.eu. ). Daarin herhaalt het Hof weliswaar dat het niet in strijd is met het gemeenschapsrecht van de leverancier te verlangen dat hij alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht niet betrokken raakt bij belastingfraude (randnr. 24), maar het voegt eraan toe dat een leverancier nochtans op de rechtmatigheid van de handeling die hij verricht moet kunnen vertrouwen zonder het gevaar te lopen zijn recht op BTW-vrijstelling te verliezen, wanneer hij ook met betrachting van de zorgvuldigheid van een oplettend koopman, niet kan weten dat de voorwaarden voor vrijstelling in werkelijkheid niet vervuld zijn omdat de afnemer een vervalst bewijs van uitvoer heeft overgelegd. Op de prejudiciële vraag die aan het Hof van Justitie was gesteld in die zaak werd dan ook geantwoord dat artikel 15, punt 2 van de Zesde richtlijn zich er niet tegen verzet dat een lidstaat BTW-vrijstelling voor een exportlevering van goederen buiten de Gemeenschap verleent wanneer de voorwaarden voor een dergelijke vrijstelling niet zijn vervuld, maar de belastingplichtige dat, met betrachting van de zorgvuldigheid, van een oplettend koopman, niet kon weten omdat het door de afnemer overgelegde bewijs van uitvoer was vervalst.

In concrete omstandigheden toont de appellante aan dat zij zorgvuldig tewerk ging door van haar Poolse afnemers een waarborg te vragen ter dekking van het bedrag van de vrij te stellen BTW tot ze het bewijs van de uitvoer naar Polen aantoonden door middel van het afgestempelde uitvoerdocument met betrekking tot de verkochte wagens. Tevens blijkt dat slechts door deskundigen, zelfs niet door de Belgische controleambtenaren, kon worden vastgesteld dat de betrokken stempels op de uitvoerdocumenten vervalsingen waren. Door de bewijzen van de afgestempelde uitvoerdocumenten voor waar aan te nemen is de appellante dus evenmin onzorgvuldig of nonchalant geweest. In die omstandigheden kon van de appellante redelijkerwijze niet verwacht worden dat ze het verlenen van de vrijstelling van BTW van nog meer bewijzen van de kant van de Poolse afnemers afhankelijk stelde.

Zelfs al kan de appellante voor het merendeel van de betrokken wagens tot op vandaag nog niet het bewijs leveren dat de wagens daadwerkelijk in Polen zijn terechtgekomen (en bovendien aansluitend op de verkoop door de appellante) dan nog moet ermee rekening gehouden worden dat het voor de appellante op het moment van de BTW-controle die startte in november 1995, een onbegonnen werk was om nog het vereiste bewijs te vinden van die bestemming van de wagens, gelet op het feit dat de verkopen dateerden uit de periode van januari 1993 tot december 1994 en het bovendien geen nieuwe, zelfs vaak beschadigde wagens betrof.

Gelet op de goede trouw van de appellante en de zorgvuldigheid waarmee ze tewerk ging en de moeilijke bewijslat waarmee ze pas later geconfronteerd werd, moet aanvaard worden dat de appellante de betreffende leveringen met reden onder de vrijstelling van BTW wegens uitvoer deed. Het bestreden dwangbevel werd dan ook ten onrechte uitgevaardigd en mag geen enkele uitvoering krijge.

5. De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de procedure dragen.

Voor de vaststelling - wat het hoger beroep betreft - van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van; 40.000,01 tot 60.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende tegenspraak;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het bestreden vonnis behoudens waar het de vordering ontvankelijk verklaarde;

doet opnieuw recht en verklaart de vordering van de appellante gegrond; zegt voor recht dat het bestreden dwangbevel, uitgevaardigd op 26 september 1997 onder RCIV nr. …, ongegrond is, geen rechtsgevolgen kan hebben en niet mag worden uitgevoerd zodat de appellante de daarin vermelde bedragen niet verschuldigd is;

veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt :

- aan de kant van de appellante :

• dagvaarding : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

- aan de kant van de geïntimeerde :

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis recht doende in fiscale zaken, op VIER NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT.

Aanwezig de Heren :

D. V., Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,

M. V., griffier.

M. V. D. V.

Textes cités

5

Décisions similaires

8