Exonération, autre exemption, régime particulier, petite entreprise, disposition pénale · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 5 février 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, autre exemption, régime particulier, petite entreprise, disposition pénaleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-autre-exemption-regime-particulier-tribunal-anvers-2002-02-05-56b3

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
5 février 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

102 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 05.02.2002

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het' gerechtsgebouw te Antwerpen, op vijf februari tweeduizend en twee in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

N. V., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake: AR nr. 00/960/A

NV D., ingeschreven in het handelsregister te Mechelen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester G. S. loco meester F. V., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

1. DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, en de dienst belast met het ontvangen van de aktes te Brussel, Bisschoffheimlaan 38.

2. DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, Wetstraat 12, Administratie der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, op vervolging en benaarstiging van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Mechelen, wiens kantoor gevestigd is te 2800 Mechelen, Nekkerspoelstraat 21-23.

verwerende partij,

verschijnende bij meester S. V. loco meester L. C., advocaat, kantoorhoudende te …, ….


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- de inleidende dagvaarding, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder S. T. in vervanging van gerechtsdeurwaarder J. G. te … op 4 februari 2000 en betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder F. M. in vervanging van gerechtsdeurwaarder B. M. te … op 4 februari 2000,

- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 4 april 2000,

- de besluiten van eisende partij neergelegd ter griffie op 31 augustus 2000,

- de aanvullende besluiten van verwerende partij neergelegd ter griffie op 19 september 2000,

- de aanvullende besluiten van eisende partij neergelegd ter griffie op 6 april 2001,

- de tweede aanvullende besluiten van verwerende partij neergelegd ter griffie op 26 april 2001.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtskosten.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 8 januari 2002.


De vordering van eisende partij strekt ertoe :

- het dwangbevel Reg.127/2016, uitgevaardigd op 16 december 1999 door de ontvanger van de BTW te Mechelen, van nul en generlei waarde te horen verklaren en NV D. te horen ontslaan van de in dit dwangbevel van haar gevorderde sommen,

- verwerende partij vervolgens te horen veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd,

- verwerende partij te horen veroordelen tot de kosten van het geding,

- het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

1. Feiten

Eisende partij, die handelaar is in diverse goederen, is geregistreerd als belastingplichtige onder BTW-registratienummer ….

Tijdens het tweede kwartaal van 1997 kocht eisende partij in Duitsland twee tweedehandse kampeerwagens namelijk :

- Fiat, type Fendt 570FK met chassisnummer … voor de prijs van 43.500,00 DM

- Fiat, type Fendt 570FK met chassisnummer … voor de prijs van 48.000,00 DM

Op 14 mei 1997 deed eisende partij aangifte inzake een intracommunautaire verwerving bij het douanekantoor te Mechelen, waarbij de heer K. H. W. als verkoper werd aangeduid. Eisende partij beschikte tevens over twee attesten van de heer K. H. W. waarin hij verklaarde dat hij de kampeerwagens als particulier had aangekocht, zonder recht op aftrek of teruggave van de betaalde Duitse BTW te hebben genoten.

Gelijktijdig legde eisende partij bij het douanekantoor twee "facturen "voor van C. K. aan eisende partij d.d. 12 mei 1997 betreffende de verkoop van voormelde tweedehandse kampeerwagens. Deze facturen vermelden geen BTW-nummer noch een factuurnummer.

Op 9 december 1998 voerde D. H. J., waarnemend eerstaanwezend inspecteur bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het controlekantoor van de BTW te Puurs, een controle uit bij eisende partij.

Deze controle had betrekking op de intracommunautaire verwerving van de twee bovenvermelde tweedehands kampeerwagens en de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor tweedehandse vervoermiddelen.

Naar aanleiding van voormelde controle werd door verwerende partij gesteld dat eisende partij de BTW-wetgeving niet correct had toegepast en dat er bijgevolg Belgische BTW verschuldigd was op de intracommunautaire verwerving van de kampeerauto's door de NV D..

Deze BTW is aftrekbaar volgens de normale regels op grond van artikel 25ter, § 1 BTW­wetboek vermits volgens verwerende partij de verkoper een Duitse BTW-belastingplichtige is die als zodanig optreedt en die zijn als bedrijfsmiddel gebruikte kampeerauto's verkoopt aan een koper die een Belgische BTW-belastingplichtige is.

De wederverkoop van bovenvermelde kampeerwagens is bijgevolg eveneens onderworpen aan de normale regeling van belasting op grond van de artikelen 4 en 26 BTW-wetboek op de volledige maatstaf van heffing aan het tarief van 21 % op grond van artikel 1 KB nr. 20.

Op het moment van de controle was reeds een kampeerwagen weder verkocht voor een prijs van 1.007.0701 -BEF + BTW 2.930 BEF, doch met toepassing van de margeregeling zodat er door eisende partij nog een bijkomend bedrag van 208.555 BEF of 5.169,94 EUR aan BTW verschuldigd was volgens verwerende partij.

Eisende partij ging niet in op een voorstel tot minnelijke schikking.

Op 5 augustus 1999 werd dan een proces verbaal opgemaakt door de heer D. H. J., waarnemend eerstaanwezend inspecteur bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, waaruit blijkt dat nog een bedrag van 208.555 BEF of 5.169,94 EUR verschuldigd was, te vermeerderen met intresten van 0,8 % per maand over 208.000 BEF vanaf 21 oktober 1997.

Als boete werd op grond van artikel 70, § 1 en/of 1bis van het BTW-wetboek een som gelijk aan het dubbel van de rechten vastgesteld.

Deze boete werd verminderd tot 60.000 BEF op grond van KB nr. 41 van 30.01.1987 artikel 1, tabel G, afdeling I, punt IV.

Op 16 december 1999 werd een dwangbevel uitgevaardigd onder nummer Reg. 127/2016 door de heer L. V. d. B., waarnemend eerst aanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor van Mechelen.

Op 17 december 1999 werd voormeld dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard door mevrouw T. D. N., eerstaanwezend inspecteur van de BTW te Puurs aangewezen door de gewestelijk directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Mechelen.

De dagvaarding in verzet werd op verzoek van eisende partij betekend op 4 februari 2000 door gerechtsdeurwaarder J. G. te … aan eerste verwerende partij en door gerechtsdeurwaarder B. M. te … aan tweede verwerende partij.

2. Beoordeling

Het verzet is tijdig en regelmatig naar vorm en er worden noch door partijen redenen van ontoelaatbaarheid opgeworpen, noch worden er door de rechtbank ambtshalve op te werpen redenen van ontoelaatbaarheid vastgesteld, zodat het verzet toelaatbaar is.

a - Betreffende de inbreuk op de margeregeling van artikel 58, § 4 W.BTW

Opdat de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge door de belastingplichtige wederverkoper kan worden toegepast, dient hij onder andere te bewijzen, door alle middelen van het gemeen recht, de eed uitgezonderd, dat de leverancier van het tweedehandse voertuig één van de volgende personen is :

- een niet belastingplichtige,

- een andere belastingplichtige die de levering heeft vrijgesteld op grond van artikel 44, § 2, 13° W.BTW,

- een andere belastingplichtige die de levering heeft vrijgesteld krachtens artikel 56, § 2 W.BTW en het een bedrijfsmiddel betreft,

- een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover het een levering betreft van een vervoermiddel door laatstgenoemde onderworpen aan de margeregeling.

In aanschrijving nummer 2 van 2 januari 1995, randnummer 72 wordt dit bewijs specifiek geregeld.

De voorlegging van een door de leverancier ondertekend attest of een kopie ervan wordt vereist, waarin deze zijn hoedanigheid bevestigt en verklaart dat hij geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft kunnen uitoefenen bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van het vervoermiddel dat hij aan de wederverkoper levert.

Voormeld attest ontlast de belastingplichtige wederverkoper van de aansprakelijkheid om aan te tonen dat hij de tweedehandse vervoermiddelen heeft gekocht van de personen beoogd onder artikel 58, § 4, 12° W.BTW.

In casu legt eisende partij een attest voor zoals bovenvermeld, doch verwerende partij stelt terecht dat voormeld attest niet afkomstig is van de leverancier-verkoper van de tweedehandse kampeervoertuigen.

Verwerende partij legt volgende bewijselementen voor :

- Twee "facturen "van C. K. aan eisende partij van 12 mei 1997 betreffende de verkoop van bovenvermelde tweedehandse kampeerwagens.

- Vaststellingen van de Duitse Administratie waaruit blijkt dat :

* de kampeerwagens deel uitmaakten van het verhuurwagenpark van de Duitse BTW-belastingplichtige C. K.;

* de verkopen aan eisende partij van bovenvermelde twee kampeerwagens door C. K. gebeurde;

* de betalingen betreffende voormelde verkopen op regelmatige wijze werden geboekt in de boekhouding van C. K.;

* de originele facturen van 27 april 1997 uitgaande van C. K. geen verwijzing naar § 25a USTG (het Duitse equivalent van artikel 58, § 4 W.BTW) bevatten, wat logisch is vermits beide wagens afkomstig zijn uit het verhuurwagenpark van C. K. en derhalve niet kunnen onderworpen worden aan het stelsel van de BTW over de winstmarge.

Een verklaring van de afgevaardigd bestuurder van eisende partij, de heer D. B. G., aan eerst aanwezend Inspecteur D. H. J. : "De twee kampeerwagens werden mij in Duitsland te koop aangeboden door een vertegenwoordiger van de Duitse belastingplichtige C. K.; na een prijs te zijn overeengekomen werd mij gevraagd de Duitse BTW te voldoen op factuur, doch ik heb dit afgewezen omdat ik van mening was dat ik deze Duitse BTW niet kon recupereren in mijn Belgische BTW-aangifte; alsdan werden 2 facturen (Rechnung) opgemaakt met als hoofding K. H. W. en zonder vermelding van Duitse BTW of een BTW-wetsartikel vrijstelling Duitse BTW; bovendien werden mij twee erklarungen bezorgd van de heer W. K. (verklaringen dat de verkoop geschiedde als privaat persoon en dat geen aftrek van BTW werd uitgeoefend); de verkoopprijs van de kampeerwagens werd door mij ter plaatse in Duitsland betaald, deels met Belgische cheques en deels per overschrijving; vervolgens werden de twee kampeerwagens door mijzelf naar België vervoerd."

Eisende partij stelt dat de stukken afkomstig van de Duitse Administratie geen vaststaande en bekende gegevens zouden vormen, doch artikel 93terdecies va het BTW-Wetboek stelt dat van de inlichtingen die van de belastingbesturen van andere lidstaten worden verkregen, op dezelfde wijze kan gebruik gemaakt worden als van gelijkaardige inlichtingen die de Administratie van BTW, registratie en domeinen rechtstreeks inzamelt.

Bovendien kunnen op grond van artikel 93quaterdecies, § 2, eerste lid W.BTW alle inlichtingen, stukken processen-verbaal of akten ontdekt of bekomen in het uitoefenen van zijn functie, door een ambtenaar van een fiscaal rijksbestuur, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een der in § 1 van artikel 93quaterdecies W.BTW aangeduide diensten, door de staat ingeroepen worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde sommen.

De inlichtingen afkomstig van de Duitse administratie vormen dus wel vaststaande en bekende gegevens met betrekking tot de vaststellingen verricht door de ambtenaren van de Duitse Administratie, die een controle van de boekhouding hebben uitgevoerd bij camping Krings, en geen vermoedens zoals eisende partij stelt.

Eisende partij stelt verder terecht dat de verklaring afgelegd door de heer G. d. B. ten overstaan van de BTW-controleambtenaar niet is gedateerd noch onderschreven zodat de bewijswaarde hiervan twijfelachtig is.

Doch in casu vormt het geheel van bewijselementen voorgelegd door verwerende partij, waaronder de vaststaande gegevens overgemaakt door de Duitse administratie en de facturen door eisende partij aangeboden aan de douaneambtenaren te Mechelen samen met de verklaring van de heer D. B., die op zichzelf en afzonderlijk onvoldoende zekerheid biedt, doch aangevuld met de voormelde vaststaande gegevens een rechtsgeldig vermoeden uitmaakt en voldoende zekerheid biedt dat de werkelijke leverancier van de goederen de Duitse BTW-belastingplichtige C. K. was en niet de particulier K. H. W..

Bijgevolg is het door eisende partij voorgelegde attest van generlei waarde vermits het niet afkomstig is van de werkelijke leverancier van de goederen.

De argumentatie van eisende partij betreffende de samenspanning is niet aan de orde vermits verwerende partij nooit heeft gesteld dat er in hoofde van eisende partij sprake was van samenspanning.

Eisende partij toont niet aan dat zij de voorwaarden en modaliteiten van artikel 58, § 4 W.BTW inzake de margeregeling heeft nageleefd.

b - Wettelijk vermoeden van artikel 58, § 4, 12° W.BTW

Krachtens artikel 58, § 4, 12° W.BTW worden de leveringen van de in artikel 58, § 4 W.BTW bedoelde goederen, voor dewelke de voorwaarden en modaliteiten die voor de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge zijn gesteld niet worden nageleefd, behoudens tegenbewijs geacht te zijn verricht onder de normale regeling van belasting.

In casu werd reeds aangetoond dat de voorwaarden voor de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge niet werden nageleefd door eisende partij, zodat de normale regeling van belasting van toepassing is krachtens het wettelijk vermoeden van artikel 58, § 4,12° W.BTW.

c - Betreffende de vermindering van de geldboete overeenkomstig KB nr. 41

De Administratie heeft in haar proces-verbaal en in het dwangbevel een geldboete opgelegd van 10 % van de verschuldigde belasting overeenkomstig KB nr. 41; artikel 1, tabel G, eerste afdeling, rubriek IV, dus wegens gebrekkige toepassing van de BTW reglementering.

In het proces verbaal van 5 augustus 1999 werd verwezen naar volgende bedragen verschuldigd aan BTW :

188.972 BEF

208.555 BEF

208.555 BEF

606.082 BEF

De boete bedraagt 10 % volgende bepalingen van KB nr. 41, artikel 1, tabel G, eerste afdeling, rubriek IV, wat neerkomt op 60.608 BEF, afgerond, 60.000 BEF (1.487,36 EUR).

Eisende partij kon dus perfect nagaan hoe de verminderde proportionele geldboete werd samengesteld.

Dit gebeurde op correcte wijze met als motivatie de gebrekkige toepassing van de BTW-reglementering.

d - Betreffende de uitvoerbaarverklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van huidig vonnis.

Dispositif

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige middelen verwerpend.

Verklaart de vordering in verzet tegen het dwangbevel toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding in hoofde van verwerende partij in conclusie begroot doch door de rechtbank vereffend op 327,22 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het meer- en anders gevorderde af.

N. D. N. V.

Textes cités

4
AR no 20 art. 11 occurrence
CTVA art. 25ter1 occurrence
CTVA art. 261 occurrence
CTVA art. 41 occurrence

Décisions similaires

8