Établissement de la taxe, champ d'application, livraison de biens · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 27 octobre 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Établissement de la taxe, champ d'application, livraison de biensTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/etablissement-taxe-champ-application-livraison-cour-appel-anvers-2009-10-27-4dba

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
27 octobre 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

85 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 27.10.2009

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : 2008/AR/1668

1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20;

2. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;

appellanten,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 7 mei 2008;

vertegenwoordigd door Meester F. R., advocaat te …, …;

tegen :

BVBA I., met zetel te …, …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester H. V., advocaat te …, …;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 7 mei 2008 door de Elfde Kamer D van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 24 juni 2008;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep :

1.1. De BVBA I., geïntimeerde, is uit hoofde van haar economische activiteit van groothandel in meubelen en materiaal voor verwarming, later uitgebreid met kleinhandel in motorvoertuigen, onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Zij is als dusdanig geregistreerd onder nummer BE ….

1.2. Op 10 september 2002 werd door de heer P. C., eerstaanwezend verificateur, en de heer W. R., eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, beiden ter beschikking gesteld van de 6de Bijzondere Belastinginspectie van Antwerpen, een controle van de boekhouding uitgevoerd over de juiste toepassing van de BTW-wetgeving voor de periode van 2000 tot augustus 2002.

Ter gelegenheid van de uitgevoerde controle werd vastgesteld dat geïntimeerde op 29 juni 2000 een sportjacht CRANCHI Atlantique 40 voor een bedrag van … EUR (… BEF) en een bedrag aan BTW van … EUR (… BEF) zou hebben gekocht van een BVBA B. H., met zetel te …, aan de …. Deze verkoper zou vermelde handeling evenwel niet hebben opgenomen in enige BTW-aangifte. Bij een controle ter plaatse zou gebleken zijn dat de BVBA B. gevestigd is op het adres van een bedrijfsrevisorenkantoor, alwaar geen verdere inlichtingen over de verkoop van een sportjacht aan geïntimeerde konden worden verstrekt.

Door zekere heer V. A., gevolmachtigde van de BVBA B. om de fiscale formaliteiten te vervullen, werd alsdan verklaard dat hij nooit enige boekhoudkundige stukken heeft gezien en nooit enig contact heeft gehad met de zaakvoerders van de BVBA B., m.n. zekere heer W. G., woonachtig te … (…) en zekere heer S. T., woonachtig te … (…).

De aankoopprijs van het sportjacht zou door geïntimeerde in contanten zijn betaald en tot bewijs hiervan werd door haar een kwitantie voorgelegd met daarop de handgeschreven naam "T. M.".

Het jacht werd vervolgens voor dezelfde prijs intracommunautair verkocht aan de BV ’T G. H. met zetel te … (…). Hiervoor werd een factuur voorgelegd uitgereikt aan de BV ’T G. H. op 10 juli 2001 met nummer …. Er werd geen BTW aangerekend op basis van de vrijstelling van artikel 39bis van het BTW-Wetboek.

Van deze vaststellingen werd proces-verbaal opgemaakt op 26 mei 2003 en als gevolg hiervan werd het BTW-bedrag in het voordeel van geïntimeerde voor het eerste kwartaal 2003, hetzij een bedrag van … EUR, krachtens artikel 81 , § 3 , 5° lid, van het Koninklijk Besluit nr. 4 ingehouden.

1.3. Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 1 september 2003 vordert geïntimeerde de terugbetaling van het bedrag van … EUR, verhoogd met de interesten, zijnde het saldo van de rekening-courant in het voordeel van de belastingplichtige, dat door appellant in beslag werd genomen.

1.4. Ingevolge een verzoek inzake wederzijdse bijstand op basis van de Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad van 7 oktober 2003 werd verder onderzoek verricht door de Nederlandse belastingadministratie.

Het onderzoek bij de Nederlandse concessiehouder, m.n. D. W. BV wees uit dat het jacht CRANCHI Atlantique 40 begin 2000 werd aangekocht door D. bij de Italiaanse scheepswerf C. N. C. s.r.l. en effectief naar Nederland werd vervoerd. Op 17 maart 2000 werd er door D. een orderbevestiging opgemaakt gericht aan BVBA B., ter attentie van de heer W. G., … te …/… voor de verkoop van 1 motorjacht Cranchi, Atlantique 40 met de vermelding dat de opgegeven prijs inclusief BTW is en de levertijd in overleg met koper zal gebeuren. Vervolgens werd op 15 mei 2000 een factuur opgesteld voor de verkoop van hetzelfde jacht met de expliciete melding "geheel conform de orderbevestiging van 17 maart 2000" door D. aan B. BVBA met een vermelde prijs, exclusief BTW.

De directeur van D. verklaarde dat het jacht, dat in mei 2000 werd verkocht aan B., tot 21 april 2001 is blijven liggen en alsdan in opdracht van een BV B. met zetel te … door de transporteur I. B. V. D. W. BV naar … (…) werd vervoerd.

Het onderzoek van de Nederlandse belastingadministratie wees ook uit dat de heer J. S., zaakvoerder van de door geïntimeerde aangewezen koper, m.n. de BV ’T G. H., ontkende ooit enig jacht van geïntimeerde te hebben gekocht.

Van voormelde vaststellingen werd door de belastingambtenaren een proces-verbaal opgesteld op 2 maart 2005, waarin zij besluiten dat de uitgaande factuur inzake de verkoop van het jacht CRANCHI Atlantique 40 door de BVBA B. aan geïntimeerde ten onrechte met toepassing van de Belgische BTW gebeurde, nu het jacht nooit in België is geweest ten tijde van de transactie tussen beide partijen en er bij toepassing van de artikelen 2, 15, 16 en 17 van het W.BTW dus geen sprake kan zijn van een belastbare levering in België door de BVBA B. aan geïntimeerde. Het aldus in hoofde van geïntimeerde gecreëerde BTW-tegoed is onterecht. Het recht op aftrek werd dan ook ten onrechte uitgeoefend door geïntimeerde.

Op 8 maart 2006 werd er door de heer D. S., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het Tweede BTW­Ontvangkantoor van Hasselt, een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 13 maart 2006 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door de heer J. V. L., waarnemend gewestelijke directeur van de BTW­administratie te Hasselt.

Krachtens dit dwangbevel zijn volgende bedragen verschuldigd :

- als BTW : … EUR

- als geldboete ingevolge artikel 70, § 1bis, van het BTW-Wetboek : … EUR

- een interest van 0,80 % per maand overeenkomstig artikel 91, § 1, van het BTW-Wetboek van rechtswege verschuldigd over de niet­tijdig betaalde BTW te rekenen vanaf 21 oktober 2000

- de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de kennisgeving van het dwangbevel, ingevolge artikel 91, § 4, van het BTW-Wetboek.

Dit dwangbevel met aangehecht afschrift van het proces-verbaal van 2 maart 2005 werd aan geïntimeerde ter kennis gebracht bij aangetekende brief van 14 maart 2006.

1.5. Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 20 april 2006 vordert geïntimeerde de vernietiging van het voormeld dwangbevel en dienvolgens de terugbetaling van alle bedragen die op grond van dit dwangbevel werden geïnd.

1.6. In het bestreden vonnis uitgesproken door de Elfde Kamer D van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 7 mei 2008 worden de twee vorderingen vooreerst samengevoegd, zodat er volgens de eerste rechter geen reden voorligt om de Voorzitter te vatten. Bovendien, strekt de eerste vordering tot teruggaaf, waaruit de eerste rechter afleidt dat geïntimeerde ervan uitgaat dat de gedane inhoudingen als betalingen gelden. Het bestreden vonnis oordeelt verder dat de gewone invorderingstermijn, gelet op de vooropgestelde opeisbaarheiddatum van 21 juli 2000, op 31 december 2003 verliep. De fiscale vordering werd echter pas in het dwangbevel van 8 maart 2006 geformuleerd, hoewel de volledige feitentoedracht reeds in het proces-verbaal van 26 mei 2003 tot uiting kwam.

Uit het tweede proces-verbaal van 2 maart 2005 blijkt enkel dat de vaststellingen van 26 mei 2003, namelijk dat er in België geen belastbare transactie had plaatsgehad, werden bevestigd vanuit Nederland. Deze inlichtingen hebben deze vaststelling aldus niet aangetoond in de zin van artikel 81bis, 3de lid, 1°, Wetboek BTW, maar alleen bevestigd. Er lag/ligt te dezen aldus geen reden voor tot toepassing van de zevenjarige termijn. De fiscale vordering is daardoor onwettig uit oorzaak van rechtsverval. De reeds ingehouden bedragen moeten worden vrijgegeven, dan wel teruggegeven. De vraag of daarop door appellant interest verschuldigd is, en zo ja vanaf wanneer, vergt een voorafgaande beantwoording van de vraag op welke rechtsgrond de vrijgave stoelt, en ook of het al of niet gaat om een teruggave dan wel vrijgave, met andere woorden of de inhoudingen al of niet gelden als even zoveel betalingen. Het bestreden vonnis voegt derhalve de zaken samen en heropent ambtshalve de debatten teneinde partijen toe te laten te concluderen en debat te voeren over de vraag naar de rechtsaard en naar de rechtsgevolgen van het behoud door appellant van de BTW-tegoeden van geïntimeerde. De zaak wordt dienvolgens naar de bijzondere rol verzonden.

1.7. Tegen dit vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 23 september 2005.

1.8. In dit verzoekschrift en in de op 16 januari 2009 neergelegde conclusies stelt appellant dat de beslagrechter bevoegd is in de eerste door geïntimeerde aanhangig gemaakte zaak en dat er bijgevolg geen samenvoeging mogelijk was. Op het bedrag in haar voordeel ingeschreven per 30 april 2003 in de rekening-courant van geïntimeerde werd door de e.a. inspecteur van het 2de BTW­ontvangkantoor te Hasselt immers een bewarend beslag gelegd op basis van artikel 81, § 3, 5de lid, van het Koninklijk Besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde. Tegen de inhouding kon geïntimeerde bijgevolg enkel verzet doen door toepassing te maken van artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek. Ten gronde heeft de betwisting betrekking op de echtheid van de verrichtingen en meer bepaald van de levering in België van een sportjacht van het merk CRANCHI, type Atlantique 40, voorzien van het rompnummer … door de BVBA B. aan geïntimeerde.

Appellant betwist deze levering en het als gevolg hiervan uitgeoefende recht op aftrek. Uit het antwoord van de Italiaanse belastingadministratie blijkt dat de scheepsbouwwerf C. N. C. SRL het kwestieus sportjacht had verkocht aan haar Nederlandse concessionaris BV D. W. te … (…). Deze verkoop werd gefactureerd op 26 januari 2000, waarna, volgens door de Nederlandse belastingadministratie ingewonnen inlichtingen, het jacht aan de BVBA B. werd verkocht, doch in … is blijven liggen tot 21 april 2001. Er ligt derhalve geen bewijs voor dat het sportjacht zich op 29 juni 2000 in België bevond en daarna naar Nederland werd vervoerd. De zaakvoerder van de BV ’T G. H., m.n. de heer J. J. S., verklaarde aan de Nederlandse belastingadministratie dat hij nooit een boot van geïntimeerde heeft gekocht en met de herroeping van deze verklaring kan geen rekening worden gehouden. In deze laatste verklaring geeft de heer J. J. S. trouwens een adres op, waar hij nooit op ingeschreven was. De door geïntimeerde voorgebrachte stukken hebben verder betrekking op sportjachten met rompnummers die nooit werden gebouwd. Uit voorgaande vaststellingen van de diverse BTW­administraties dient te worden besloten dat de BVBA B. ten onrechte Belgische BTW factureerde aan appellant en dat de aftrek hiervan door geïntimeerde terecht werd verworpen. Met betrekking tot de door de eerste rechter weerhouden verjaring, werpt appellant op dat er op het moment van het proces-verbaal van 26 mei 2003 teveel vragen open stonden omtrent de ware toedracht van de feiten om een vordering te stellen. Hierin kwam de volle feitentoedracht nog niet tot uiting, zodat appellant zich terecht beroept op de 7-jarige verjaringstermijn van artikel 81, § 1bis, W.BTW. Volgens appellant voorziet het BTW-Wetboek niet in een beperking van de onderzoekstermijn, maar bepaalt het enkel verjaringstermijnen inzake de vordering tot voldoening en teruggaaf van de BTW, van de interesten en van de administratie geldboeten. Dit resulteert in een de facto onbeperkt controlerecht inzake BTW. De verjaringstermijn begint pas te lopen na het verstrijken van het kalenderjaar waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan. Appellant had op het ogenblik van het eerste proces-verbaal geen wettelijke redenen om de door geïntimeerde in aftrek gebrachte BTW te verwerpen en diende alleszins de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het voorzichtigheidsprincipe, in acht te nemen.

Door geïntimeerde werd namelijk aan de controlerende ambtenaren een naar de "vorm" regelmatige aankoopfactuur, uitgereikt door de BVBA B., voorgelegd, samen met een kwitantie die de betaling van de factuur vaststelde resp. van de gefactureerde bedragen. Het is pas na kennisneming van de inlichtingen van de Nederlandse en Italiaanse belastingadministratie dat is komen vast te staan dat het betrokken jacht zich nooit in België heeft bevonden. Appellant heeft de inlichtingen van de Nederlandse administratie van 6 maart 2003, 17 februari 2005 en 15 november 2005 binnen de verjaringstermijn ontvangen. Uit het voorgaande volgt ook dat door de BVBA B. een onregelmatige factuur werd uitgereikt, die niet voldeed aan de voorschriften van artikel 3, § 1, van het Koninklijk Besluit nr. 3 van 29 december 1992 en van artikel 5 van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 26 november 1998, nu ten onrechte BTW werd aangerekend voor de levering van het jacht. Appellant stelt dan ook dat terecht beroep werd gedaan op de bijzondere verlengde verjaringstermijn van zeven jaar voorzien in artikel 81bis, § 1, derde lid, W.BTW. Deze verjaringstermijn begon, overeenkomstig artikel 81 (nieuw) W.BTW, te lopen vanaf 21 juli 2000 en eindigde overeenkomstig artikel 81bis W.BTW voor de in het jaar 2000 eisbare BTW op 31 december 2007. Er kan dan ook geen sprake zijn van de verjaring van de vordering van appellant. Gezien geïntimeerde niet kan ontkennen op de hoogte te zijn van de voorwaarden om al dan niet met vrijstelling van BTW te factureren moet er worden besloten dat de vastgestelde overtreding werd begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, zodat de opgelegde boete eveneens verantwoord is. Bij de berekening van de eventuele door geïntimeerde opgelopen interesten zal tenslotte door appellant rekening worden gehouden met het tegoed van … EUR ingehouden op 30 april 2003. Appellant besluit derhalve tot de vernietiging van het bestreden ·vonnis en de veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van het geding.

1.9. Geïntimeerde beaamt harerzijds in haar op 24 juli 2008 neergelegde conclusies de redengeving van het bestreden vonnis en voegt eraan toe dat zij met haar eerste vordering reeds de beoordeling van de grond van de zaak beoogde en in het bijzonder het recht op aftrek van de BTW, zodat niet de beslagrechter doch wel de rechtbank van eerste aanleg dienaangaande bevoegd is. Wanneer de rechtbank over de zaak zelf uitspraak doet, is zij eveneens bevoegd om het bewarend beslag onder derden op te heffen.

Bovendien, is de rechtbank van eerste aanleg ook op grond van artikel 569, 32°, Ger. W. bevoegd indien de belastingplichtige de opheffing van het beslag en de teruggave van een tegoed vraagt omwille van de schending van de fiscale wet. Ten gronde, stelt geïntimeerde dat zij een jacht met rompnummer … kocht dat zij onmiddellijk doorverkocht. De vaststellingen van de Nederlandse belastingadministratie zouden daarentegen op een sportjacht met rompnummer … betrekking hebben, zodat het onderzoek ter zake waardeloos is. Zo nodig kan de heer S. als getuige worden gehoord. De administratie voldoet bijgevolg niet aan de voorwaarden van artikel 81 , § 3, van het Koninklijk Besluit nr. 4, bij gebrek aan ernstige vermoedens of bewijzen van belastingschuld. Met betrekking tot de verjaring, stelt geïntimeerde dat de gegevens uit Nederland op zichzelf de vordering niet bewijzen, zodat de zevenjarige verjaringstermijn niet kan worden ingeroepen. Om de zevenjarige termijn te doen aanvangen moet er een bewijskrachtig gegeven uit het buitenland zijn. De uit het buitenland bekomen gegevens vullen de reeds in het bezit zijnde gegevens gewoon aan en kunnen niet het beginpunt van de taxatie vormen. De feiten zijn bekend uit 2003 en niet door de gegevens in het buitenland. Geïntimeerde voert verder aan dat de administratie geen onbeperkt onderzoeksrecht heeft. De administratie kan geen onderzoek doen met betrekking tot verjaarde periodes omdat ze toch geen vorderingen meer kan stellen. Voorafgaand aan iedere controle die buiten de normale driejarige termijn plaatsvindt moet de administratie de belastingplichtige nauwkeurig in kennis stellen van de aanwijzingen van fraude waarover zij beschikt. Om de zevenjarige verjaringstermijn te kunnen toepassen moet de overtreding aan het licht zijn gebracht door een rechtsgeding, bewijskrachtige gegevens afkomstig van een andere belastingadministratie, een buitenlandse inlichting. Inlichtingen van de BTW-administratie zelf kunnen derhalve de toepassing van de zevenjarige verjaringstermijn niet verantwoorden. Bij niet naleving van artikel 84ter is de taxatie nietig ongeacht de resultaten van het onderzoek. In casu begon het onderzoek (de controle) binnen de periode van drie jaar. Op het moment dat de administratie deze periode overschreed (eind 2003) had de administratie artikel 84ter W.BTW moeten toepassen. Geïntimeerde merkt nog op dat de termijnen van artikel 81bis W.BTW (vijfjarige of zevenjarige termijnen) naar het verleden en niet naar de toekomst moeten worden gerekend.

In 2003 kon de administratie eventueel zeven jaar teruggaan in de tijd maar niet voorwaarts in de tijd. Bij gebrek aan fraude is de boete van 200 % tenslotte overdreven en bij het eventueel toekennen van interesten moet er rekening worden gehouden met de inhouding van … EUR. Hierop dienen interesten te worden toegekend vanaf 1 september 2003, datum van indiening van het geding op de rechtbank. Geïntimeerde besluit derhalve tot de ongegrondheid van het hoger beroep, de bevestiging van het bestreden vonnis, dienvolgens de nietigverklaring van het dwangbevel van 8 maart 2006 en de teruggave van het bedrag van … EUR, verhoogd met de interesten vanaf 1 september 2003, en de veroordeling van appellant tot de kosten van het geding.

2. Beoordeling :

2.1. Over de ontvankelijkheid van de vordering ingesteld bij verzoekschrift neergelegd op 1 september 2003 :

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 1 september 2003 vorderde geïntimeerde de teruggave van een bedrag van … EUR.

Dit bedrag stemt overeen met het voorwerp van een inhouding van eenzelfde som in het voordeel van geïntimeerde, zoals die blijkt uit het saldo van de rekening-courant in het voordeel van geïntimeerde op datum van 30 april 2003.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat het Tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt bij aangetekende brief van 25 juni 2003 aan geïntimeerde een eensluidende verklaarde kopie van de akte van inhouding heeft meegedeeld.

Door het Hof dient te worden vastgesteld dat uit deze akte van inhouding blijkt dat de BTW-administratie in eigen handen een bewarend beslag onder derden ten laste van geïntimeerde heeft gelegd tot zekerheid van de betaling van het bedrag van … EUR en dat de oorzaak van dit bewarend beslag onder derden werd omschreven als het bestaan van ernstige vermoedens/bewijzen dat één of meerdere aangiften, ingediend door de beslagen schuldenaar, gegevens bevatten die onjuist zijn, en die "een belastingschuld in het vooruitzicht [stellen], waarvan de omvang tot op heden niet daadwerkelijk kan bepaald worden".

Gezien er in de akte van inhouding aldus nog geen definitieve belastingschuld werd vastgesteld, kon de door geïntimeerde ingestelde vordering ook niet een definitieve beoordeling van de grond van de zaak tot voorwerp hebben. De inhouding kon dan ook evenmin als een betaling van enige belastingschuld gelden.

Overeenkomstig artikel 81, § 3, tiende lid, van het Koninklijk Besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde kan de belastingplichtige enkel verzet doen tegen de inhouding bedoeld in het vierde en het vijfde lid van artikel artikel 81, § 3, door toepassing te maken van artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek.

Uit de bepalingen van artikel 1420 Ger. W. volgt dat het verzet bij dagvaarding dient te worden ingesteld.

Bijgevolg, stelt zich de vraag of de vordering, al zou het Hof bij toepassing van artikel 643 Ger. W. eveneens volstrekt bevoegd zijn om kennis te nemen van het verzet, wel op rechtsgeldige wijze werd ingesteld.

Artikel 700 Ger. W. bepaalde immers ten tijde van het instellen van de vordering dat hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter worden gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. Deze regel ressorteerde onder de rechterlijke organisatie, zodat de artikelen 860 en 861 Ger. W. niet toepasselijk werden geacht op miskenning van deze regel (Cass. AR 8105, 27 mei 1994, Arr. Cass. 1994, 534, conclusie advocaat-generaal J. DUJARDIN, Bull. 1994, 519, De Gerechtsd. 1994 (verkort), 106, JLMB 1995, 8, noot G. DE LEVAL, Journ. proc. 1995, afl. 274, 29, Pas. 1994, I, 519, R. Cass. 1994, 317, noot K. SEYEN & R. DE CORTE, 'Terug naar af. Substantiële nietigheden in het gerechtelijk privaatrecht', (R. Cass. 1994, 313-317), RCJB 1995, 639, noot G. CLOSSET-MARCHAL, 'Exceptions de nullité, fins de non-recevoir et violation des règles touchant à l'organisation judiciaire', (RCJB 1995, 643-662), RW 1994-95, 1017, noot K. BROECKX, 'Nieuwe procesrechtelijke geluiden', (RW 1994-95, 1023-1026), TRD&I 1994, 785).

Het behoort dan ook het debat te heropenen teneinde aan partijen de gelegenheid te geven standpunt in te nemen over de gebeurlijke niet­ontvankelijkheid van de vordering ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd op 1 september 2003.

2.2. Aanwijzingen van een misdrijf :

Naar luidt van artikel 29, eerste lid, Sv. is iedere gestelde overheid, ieder openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, verplicht daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden, en aan die magistraat alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen.

Door het Hof dient te worden vastgesteld dat :

1. de voorgelegde aankoopfactuur van 29 juni 2000 met als verkoper de BVBA B. H. nooit werd opgenomen in enige BTW-aangifte van voornoemde vermeende verkoper;

2. van de betaling van deze factuur geen objectief controleerbaar bewijs voorligt, doch enkel een kwijting voor een in speciën betaald bedrag van niet minder dan … EUR (… BEF) ondertekend door een Roemeense onderdaan met woonplaats in Roemenië;

3. uit het door de Nederlandse belastingadministratie gevoerd onderzoek is gebleken dat de door de BVBA I. beweerde verkoop (volgens factuur van 10 juli 2000) aan een Nederlandse vennootschap BV ’T G. H. door de zaakvoerder van deze vennootschap wordt ontkend (al werd deze verklaring naderhand in een verklaring afgelegd voor een notaris op 29 april 2005, hetzij hangende de huidige procedure, gewijzigd);

4. het sportjacht CRANCHI Atlantique 40 volgens de Nederlandse invoerder BV D. W., die het schip aan de BVBA B. had verkocht, verklaart dat het jacht tot 21 april 2001 in Tolkamer is blijven liggen c.q. tussen de datum van verkoop aan de BVBA B. en voormelde datum het Nederlands grondgebied niet heeft verlaten;

5. het sportjacht alsdan in opdracht van een BV B. door de BV V. D. W. I. B. werd vervoerd van Nederland naar … (…).

Uit al de voormelde vaststellingen volgt dat ernstig mag getwijfeld worden aan de werkelijkheid van de voorgehouden transacties en transporten en mag gebeurlijk worden afgeleid dat de door geïntimeerde voorgelegde facturen en CMR-vrachtbrieven, die nog steeds ter staving van de door haar aangevoerde middelen worden gebruikt, vals zijn in de zin van artikel 196 Sw.

Deze zaak dient dan ook ambtshalve aan het Openbaar Ministerie overeenkomstig de bepalingen van artikel 764, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek te worden medegedeeld. Te dien einde moet de heropening van de debatten worden bevolen teneinde het Openbaar Ministerie hetzij terstond in zijn advies te horen, hetzij om de termijn te bepalen waarbinnen het advies van het openbaar ministerie wordt uitgebracht en waarover de partijen beschikken om ter griffie een conclusie neer te leggen met betrekking tot de inhoud van dat advies.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en alvorens over de gegrondheid hiervan uitspraak te doen, beveelt ambtshalve de mededeling van deze zaak aan het Openbaar Ministerie overeenkomstig de bepalingen van artikel 764, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en beveelt te dien einde, alsook teneinde aan partijen de gelegenheid te geven om standpunt in te nemen over de ambtshalve opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van de vordering ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 1 september 2003, de heropening van de debatten op de zitting van 19 januari 2010 te 17 uur (duur pleidooien : 30') waarop het Openbaar Ministerie tevens hetzij terstond in zijn advies zal worden gehoord, hetzij de termijn zal worden bepaald waarbinnen het advies van het openbaar ministerie zal worden uitgebracht en waarover de partijen zullen beschikken om ter griffie een conclusie neer te leggen met betrekking tot de inhoud van dat advies;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZEVENENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZENDENNEGEN,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. voorzitter;

S. B.

en M. G., Raadsheren

A. V. L. Griffier.

A. V. L. M. G. S. B. D. W.

Textes cités

4
CTVA art. 912 occurrences
AR no 4 art. 811 occurrence
CTVA art. 39bis1 occurrence
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8