Entreprise de vente en gros;dispense de délivrer une facture;amende;Administration de la fiscalité · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 14 mars 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Entreprise de vente en gros;dispense de délivrer une facture;amende;Administration de la fiscalitéentreprise de vente en gros;dispense de délivrer une facture;amende;Administration de la fiscalité des entreprises et des revenus;Administration de l'inspection spéciale des impôts;service de recherche;demande de renseignements

https://juriel.be/fr/jurisprudence/entreprise-vente-gros-dispense-delivrer-cour-appel-anvers-2006-03-14-5515

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
14 mars 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
mixte

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

196 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 14.03.2006, Cause 2004/AR/1635

Le Courrier Fiscal 2006/483

Entreprise de vente en gros.

Dispense de délivrer une facture.

Amende

Demande de renseignements

Administration de la fiscalité des entreprises et des revenus

Administration de l'inspection spéciale des impôts

Service de recherche

Résumé

Le fait que les fonctionnaires de l'Administration de la Fiscalité des Entreprises des Revenus (AFER) peuvent contrôler tous les impôts et disposent à cette occasion de toutes les compétences prévues par la loi pour le contrôle des contribuables n'implique pas pour autant que ces fonctionnaires peuvent utiliser sans plus, à l'occasion du contrôle de la bonne application d'un impôt déterminé, des méthodes d'investigation qui sont uniquement prévues pour le contrôle d'un autre impôt.

En l'espèce, les agents de l'AFER étaient chargés d'une enquête relative à l'application de la législation TVA et ont, à tort, utilisé des compétences (demande de renseignements) prévues à l'art. 322 CIR/92. Les services de l'AFER ont, ce faisant, commis un détournement de pouvoir. Les informations qu'ils ont obtenues suite à l'utilisation des demandes de renseignements doivent être écartées.

L'exonération de l'obligation de facturation qui s'applique aux ventes aux particuliers ne peut pas être appliquée pour les livraisons effectuées par des «entreprises de production ou de vente en gros» (art. 1, §1er, 8° de l'AR du 29 décembre 1992).

En effet, cette exonération ne s'applique qu'aux détaillants qui livrent en général leurs marchandises à des particuliers.

En l'espèce, l'assujetti est un grossiste. Il n'effectue que dans une très faible mesure des ventes en tant que détaillant. Il doit dès lors émettre une facture pour chaque livraison.

Le fait que l'assujetti n'a pas eu de raison sérieuse de douter de la qualité de non-assujetti de certains de ses clients ne justifie pas une exonération quelconque de l'obligation de facturation.

Le juge amené à se prononcer sur une sanction administrative peut en examiner la légalité.

Le pouvoir d'appréciation d'un juge fiscal doit notamment lui donner la possibilité de vérifier si la sanction qui a été appliquée est proportionnelle à l'infraction. Le juge doit donc pouvoir examiner, lorsqu'il apprécie les amendes fiscales, si l'autorité pouvait raisonnablement appliquer l'amende administrative qui a été retenue.

Le juge fiscal doit pouvoir vérifier si la sanction qui a été appliquée (en l'espèce, une amende TVA) n'est pas hors de proportion au regard de l'objectif répressif, dont la gravité de l'infraction reste le premier facteur déterminant.

Texte intégral

Corps de la décision

Nummer: 1101

Rep. Nummer: 2028

Zitting van:

14/3/2006

EINDARREST

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER,

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgend arrest uitgesproken:

In zake: 2004/AR/1635

B.V.B.A. J. K.,ondernemingsnummer …, met zetel thans te ...;

a p p e l l a n t e,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 2 juni 2004;

vertegenwoordigd door Meester H. V., advocaat te ...;

tegen:

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Ministerie van Financiën, Administratie van de B.T.W., Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het eerste B.T.W.-Ontvangkantoor te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te ...;

g e ï n t i m e e r d e,

vertegenwoordigd door Meester A. V.L.D.J., advocaat te ...;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 2 juni 2004, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 7 juni 2004, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1.

Appellante is als BTW - belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE … voor de werkzaamheid van groot- en kleinhandel in koffie en andere voedingswaren en in apparaten voor de horecasector.

1.2.

Op 26 mei 1999 hebben ambtenaren van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Directie Plaatselijke Opsporingen, verbonden aan de Inspectie Plaatselijke Opsporingen Hasselt, zich op de maatschappelijke zetel van de appellante aangeboden om er de verkoopfacturen van 1998 en van 1 januari tot en met 30 april 1999 in te houden en te onderzoeken.

Uit dit onderzoek blijkt dat voor 5.709 facturen geen of geen juiste identificatie van de afnemer werd vermeld, met name:

- 200 facturen werden uitgereikt zonder enige vermelding van de identiteit van de koper.

- 16 facturen werden uitgereikt met onvoldoende gegevens ter identificatie van de koper.

- een gedeelte van de afnemers genoemd op de facturen werd aangeschreven op het adres vermeld op de facturen, met verzoek een vraag om inlichtingen te beantwoorden zoals voorgeschreven door artikel 322ter WIB omtrent 1) de plaats en datum van aankoop bij de BVBA J., 2) de wijze van betaling en 3) de ontvangst van een factuur of enig ander stuk betreffende de aankoop, alsmede het verzoek het origineel of een afschrift van de factuur voor te leggen. In verband met 2030 facturen is de vraag om inlichtingen terug gekomen wegens ontoereikend of onjuist adres en zijn de personen niet gekend in het repertorium. In verband met 3107 facturen verklaren de betrokkenen nooit enige aankoop bij de NV J. gedaan te hebben:

- in verband met 356 facturen hebben de afnemers in een "relaas van verklaringen" verklaard nooit enige aankoop gedaan te hebben noch een factuur daaromtrent ontvangen te hebben.

Hiervan wordt proces-verbaal opgesteld op 13 juni 2000.

1.3.

Op 25 januari 2000 wordt door een ambtenaar van de Bijzondere Belastinginspectie een controle uitgevoerd bij appellante waarbij verzocht wordt om inzage van de boeken en stukken die appellante dient te houden, op te maken of uit te reiken op grond of ter uitvoering van het wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, evenals van de facturen of de als zodanig geldende stukken in verband met de intracommunautaire verwervingen van goederen of de in het buitenland verrichte aankopen, van de handelsboeken, de boekingsstukken, de contracten, de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en diensten, tot de verzending, tot de afgifte en levering van goederen, van rekeninguittreksels, van de betalingsstukken, alsmede van de andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid, en dat alles betreffende de jaren 1995 tot en met 1999.

Alsdan werd vastgesteld dat:

- voor de periode van 1 april 1995 tot en met 31 december 1995 leveringen gedaan werden voor een totaal bedrag van 37.858.841 BEF (thans 938 496,15 euro) waarvoor 6020 facturen werden opgesteld met de vermelding "contante verkopen" in plaats van de identiteit van de afnemers.

- in 1996 8424 facturen werden opgesteld voor een totaal bedrag van 50.526.940 BEF (thans 1 252 530,12 euro) eveneens met de vermelding "contante verkopen" in plaats van de identiteit van de afnemers.

Deze vaststellingen worden opgenomen in een proces-verbaal van 23 februari 2001, waarin eveneens de vaststellingen van 26 mei 1999 worden vermeld.

1.4.

Wegens inbreuken tegen de BTW - reglementering inzake de facturatieverplichting vordert de administratie bij toepassing van artikel 70 §2 BTW - wetboek en het ter uitvoering hiervan genomen K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 een boete van 16.420.000 BEF (thans 407 041,17 euro), met name

- voor de periode van 1 april 1995 tot en met 31 december 1996: 5.002.000 BEF (thans 123 996,34 euro), zijnde de verschuldigde BTW (5.002.969 BEF) x 100%,

- voor der periode van 1 januari 1998 tot en met 30 april 1999: 11.418.000 BEF (thans 283 044,83 euro), zijnde 5.709 facturen x 2.000 BEF / factuur.

1.5.

Op 3 april 2001 wordt het proces-verbaal van 23 februari 2001 aan appellante betekend samen met het dwangbevel, uitgevaardigd op 7 maart 2001, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 28 maart 2001.

In het dwangbevel wordt betaling gevorderd van voormelde boete van 16.420.000 BEF, vermeerderd met de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de eerste kennisgeving of de betekening van dit dwangbevel, ingevolge artikel 91 §4 van het BTW - wetboek en de vervolgingskosten.

1.6.

Bij akte van verzet van 9 april 2001 vordert appellante het dwangbevel te vernietigen en de vordering van de Belgische Staat ongegrond te verklaren; de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond hiervan werden geïnd, verhoogd met de intresten sedert de datum van betaling en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding; het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling noch aanbod tot kantonnement.

Voor de eerste rechter voert appellant volgende grieven aan:

1. Het door de Inspectie van de Plaatselijke Opsporingen gevoerde onderzoek is onwettig.

2. Het door de Inspectie van de Plaatselijke Opsporingen gevoerde onderzoek heeft daarenboven geen enkele bewijswaarde.

3. De opgelegde boete is ongrondwettelijk.

4. De vordering met betrekking tot voldoening van de boete opgelegd voor de periode van 1 april 1995 tot en met 31 december 1995 is verjaard (in syntheseconclusies stelt appellante dat zij deze grief niet meer staande houdt).

5. Er kan om principiële redenen geen boete opgelegd worden.

6. De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad een boete op te leggen.

7. De administratie dient te bewijzen dat de voorwaarden voor het opleggen van een boete aanwezig zijn.

8. In subsidiaire orde: de boete dient ernstig verminderd te worden.

1.7.

Het bestreden vonnis verklaart de vordering toelaatbaar doch ongegrond en veroordeelt appellante tot de kosten.

De eerste rechter stelt dat de grief van onwettigheid van het onderzoek wegens machtsafwending door gebruik te maken van bevoegdheden terzake directe belastingen voor doeleinden van BTW vervalt, daar waar deze bevoegdheid inwisselbaar lijkt, ingevolge ook toepasselijkheid van artikel 62 §1 BTW - wetboek en machtsafwending bestaat in het aanwenden van een bevoegdheid voor een doeleinde waarvoor ze niet werd gegeven, wat hier niet het geval kan geweest zijn.

Wat de bewijswaarde van de mondelinge verhoren van particulieren betreft, stelt de eerste rechter dat de belastingdienst niet overging tot een getuigenverhoor, maar wel tot het verzamelen van (te dezen mondelinge) inlichtingen.

Als grossierbedrijf was appellante verplicht om hoe dan ook te factureren en om de voorschriften daaromtrent na te leven, ongeacht of de afnemer particulier is of niet.

Appellante kan volgens de eerste rechter niet gevolgd worden in haar niet onderbouwde loutere opwerping dat de wettelijke voorwaarden ter oplegging van een boete niet vervuld zouden zijn, waar in beginsel de wetsovertreding van rechtswege de eisbaarheid van boetes meebrengt en waar deze boetes bovendien worden gemoduleerd in het K.B. nr. 41.

De rechtbank stelt tenslotte dat het oplopen van de boete, ook in absolute bedragen, zijn oorzaak vindt in de jarenlang volgehouden handelwijze van appellante, die niet heeft gehandeld als een normaal en voorzichtig leverancier, integendeel.

De administratieve boeten hebben ook een afschrikkend en een vergoedende karakter en het blijkt niet dat appellante tegelijk veroordeeld werd voor het plegen van een BTW - misdrijf.

1.8.

Het hoger beroep van appellante strekt ertoe het bestreden vonnis te hervormen, het verzet van appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren, het dwangbevel te vernietigen en de vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren, de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond hiervan werden geïnd, verhoogd met de intresten sedert de datum van betaling en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.

Appellante voert volgende grieven aan:

1. Het door de Inspectie van de Plaatselijke Opsporingen gevoerde onderzoek is onwettig.

2. Het door de Inspectie van de Plaatselijke Opsporingen gevoerde onderzoek heeft daarenboven geen enkele bewijswaarde.

3. Er kan om principiële redenen geen boete opgelegd worden.

4. De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad een boete op te leggen.

5. De administratie dient te bewijzen dat de voorwaarden voor het opleggen van een boete aanwezig zijn.

6. In subsidiaire orde: de boete dient ernstig verminderd te worden.

1.9.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de veroordeling van appellante tot de kosten.

2. IN RECHTE

2.1. De wettigheid van het door de Inspectie van de Plaatselijke Opsporingen gevoerde onderzoek:

2.1.1.

Appellante houdt voor dat het door de Inspectie van de Plaatselijke Opsporingen gevoerde onderzoek onwettig is wegens machtsafwending en (in ondergeschikte orde) omdat de mondelinge verhoren onwettig zijn.

Appellante voert met name aan dat door de ambtenaren van de Plaatselijke Opsporingen van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit een vraag om inlichtingen werd verzonden op grond van artikel 322 WIB'92, zodat de bekomen inlichtingen enkel mogen gebruikt worden inzake inkomstenbelastingen.

Derhalve moeten de 5137 facturen waarvan de administratie, ten gevolge van de verzonden 'vragen om inlichtingen' zou vastgesteld hebben dat zij geen of een onjuiste identificatie van de afnemers bevatten, buiten beschouwing gelaten worden inzake overtredingen tegen de BTW - reglementering en dient bijgevolg de boete (5137 x 2.000BEF = 10.274.000 BEF, thans 254 685,81 euro) vernietigd te worden.

2.1.2.

Geïntimeerde stelt dat uit de samenlezing van artikel 93 quaterdecies en artikel 59 §1 BTW - wetboek blijkt dat de administratie van de Bijzondere Belastinginspectie de inlichtingen die zij ontvangen heeft van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit effectief kan en mag gebruiken.

2.1.3.

De wet verleent aan de ambtenaren van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit de bevoegdheden die door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake belastingen, rechten en taksen aan de andere fiscale administraties en aan hun ambtenaren worden verleend.

Dit betekent dat deze ambtenaren als orgaan van om het even welke fiscale administratie kunnen optreden.

Zij kunnen de toepassing van alle belastingen controleren en zij beschikken daarbij over alle bevoegdheden die de wet voor de te controleren belasting voorziet. De controlebevoegdheden die in de diverse wetboeken zijn voorzien zijn erg verschillend, welke verschillen verklaard worden vanuit de eigenheid van deze belastingen.

Bij de controle van de juiste toepassing van één belasting mogen de fiscale ambtenaren geen gebruik maken van onderzoeksmethoden die slechts voor een van de andere belastingen zijn voorzien. Doen zij dit toch dan is er sprake van machtsafwending.

2.1.4.

Zowel uit het proces-verbaal van inhouding van 26 mei 1999 als uit het proces-verbaal van vaststelling van 13 juni 2000 blijkt dat het gevoerde onderzoek betrekking had op de toepassing van de BTW - wetgeving.

Volgens het proces-verbaal van 26 mei 1999 gebeurde de voorlegging en de inhouding van de boeken en stukken op basis van de artikelen 61 §1 en 61 §2 BTW - wetboek.

Uit geen enkel stuk of gegeven blijkt dat ook een onderzoek inzake directe belastingen werd gevoerd.

Derhalve konden de ambtenaren van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit (Directie Plaatselijke Opsporingen) zich enkel ook beroepen op de bevoegdheden hen toegekend door het BTW - wetboek.

Nochtans werd aan de afnemers vermeld op 5137 facturen een 'vraag om inlichtingen' verzonden op basis van artikel 322 WIB'92. in deze 'vraag om inlichtingen' wordt ook verwezen naar de artikelen 315 en 317 WIB'92 en naar artikel 445 WIB'92.

Door verkeerdelijk gebruik te maken van de bevoegdheden toegekend door het Wetboek Inkomstenbelastingen hebben de ambtenaren van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit zich dus schuldig gemaakt aan machtsafwending;

Dienvolgens kan geen rekening gehouden worden met de gegevens verkregen naar aanleiding van de 'vragen om inlichtingen' en moeten de kwestieuze 5137 facturen buiten beschouwing gelaten worden en is hierop toegepaste boete van 10.274.000 BEF (thans 254 685,81 euro) nietig.

2.1.5.

Met betrekking tot 356 facturen hebben volgens geïntimeerde de afnemers in een 'relaas van verklaringen" verklaard nooit enige aankoop gedaan te hebben bij appellante noch een factuur daaromtrent ontvangen te hebben.

Geïntimeerde brengt wel een lijst bij van de facturen met vermelding van het factuurnummer en de identiteit en het adres van de afnemers, doch niet de kwestieuze 'relazen van verklaring'.

Uit de conclusies van geïntimeerde blijkt evenwel dat ook deze verklaringen werden afgenomen in toepassing van artikel 322 WIB'92, zodat ook met betrekking tot deze facturen de ambtenaren van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit verkeerdelijk gebruik gemaakt hebben van de bevoegdheden toegekend door het Wetboek Inkomstenbelastingen en er dus sprake is van machtsafwending.

Derhalve moeten ook deze facturen buiten beschouwing gelaten worden en is de hierop toegepaste boete van 356 x 2.000 BEF = 712.000 BEF (thans 17 650,02 euro) eveneens nietig.

2.2 De bewijswaarde van het door de Inspectie van de Plaatselijke Opsporingen gevoerde onderzoek:

Appellante betwist de bewijswaarde van het door de Inspectie van de Plaatselijke Opsporingen gevoerde onderzoek, meer bepaald van de mondelinge verklaringen afgenomen van personen vermeld op 356 facturen en van de schriftelijke antwoorden die gegeven werden door personen vermeld op 3107 facturen naar aanleiding van de hen toegezonden 'vraag om inlichtingen'.

Bovendien betwist zij de bewijswaarde van de door de administratie opgestelde lijst met facturen.

Gelet op de vastgestelde onwettigheid van het onderzoek dat met betrekking tot deze facturen werd gevoerd, dient dit argument niet onderzocht te worden.

2.3 De toepassing van artikel 70 §2 BTW - wetboek:

2.3.1.

Appellante argumenteert dat om principiële redenen geen boete kan opgelegd worden en verwijst hiervoor naar artikel 70 §2, 2de lid BTW - wetboek dat bepaalt dat de boete niet verschuldigd is wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatig stuk werd uitgereikt vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk werd uitgereikt of wanneer de leverancier geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet belastingplichtigheid van de koper.

2.3.2.

Krachtens artikel 1 §2 van het K.B. nr. 1 van 29 december 1992 moet geen factuur worden uitgereikt aan natuurlijke personen die de aankopen gebruiken voor privé doeleinden, doch krachtens artikel 1 §2, 8° geldt deze ontheffing niet voor leveringen verricht door voortbrengers of grossiersbedrijven.

De ontheffing van de verplichting tot factureren is dus enkel van toepassing voor 'kleinhandelaars' die in de regel leveringen doen aan particulieren. Deze kleinhandelaars moeten wel een factuur uitreiken indien ze leveren aan een belastingplichtige. Indien ze dit niet doen is artikel 70 §2 van toepassing, doch moet de boete niet opgelegd worden indien de kleinhandelaar geen reden had om te twijfelen aan de hoedanigheid van 'particulier' van de koper die nagelaten heeft zijn hoedanigheid van belastingplichtige bekend te maken.

2.3.3.

Appellante heeft een activiteit als groothandelaar en dient dus voor elke leveringen, aan wie dan ook, een factuur uit te reiken.

Appellante stelt dat zij ook een activiteit heeft als kleinhandelaar waarbij verkocht wordt aan particulieren.

Uit het proces-verbaal van 23 februari 2001 blijkt dat de heer J. V., zaakvoerder van appellante, verklaard heeft dat:

- de verkoop aan particuliere klanten niet speciaal wordt gepromoot en er ook niet aan leurhandel wordt gedaan; dat er dagelijks vier bestelwagens uitrijden en zij tijdens hun ronde bij klanten uit de horecasector sporadisch ook aan particulieren verkopen (o.a. aan hen die aanwezig zijn in een café waaraan wordt geleverd),

- op de exploitatiezetel eveneens wordt verkocht, maar in de regel aan belastingplichtigen uit de horecasector en dat appellante geen winkelruimten voor verkoop in het klein bezit.

De activiteiten als kleinhandelaar vormen dus slechts een zeer klein deel van de globale activiteiten van appellante.

Appellante dient dus wel degelijk voor elke levering een factuur uit te reiken en kan zich niet beroepen op het argument dat zij geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet belastingplichtigheid van de kopers.

2.3.4.

Appellante kan evenmin voorhouden dat de overtredingen een louter toevallig karakter hebben.

Uit de doorgevoerde controle blijkt immers dat het voor de periode van 1 april tot 31 december 1995 ging om 6020 leveringen voor een bedrag van 37,8 miljoen BEF.

Ook in de periode van 1 januari 1998 tot en met 30 april 1999 werd een groot aantal facturen uitgereikt zonder vermelding van de identiteit of met vermelding van een onjuiste identiteit van de afnemer.

2.4. De bedoeling van de wetgever om een boete op te leggen:

Volgens appellante heeft de wetgever nooit de bedoeling gehad om in onderhavige situatie een boete op te leggen, voorhoudende dat de wet niet voorziet in een boete en dat alleen kan beboet worden bij levering aan een belastingplichtige, waar in casu ook verkopen aan particulieren beboet worden.

De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat appellante niet kan bijgetreden worden in haar redenering dat de wetgever geen boete kan beoogd hebben voor een verplichting uit het K.B. nr. 1 dat nog niet bestond toen de wetgever de boetes vastlegde, nu zij niet aanvoert dat dit K.B. zou zijn genomen in strijd met het BTW - wetboek en aldus een onwettige verplichting zou hebben ingevoerd.

Volgens de Memorie van Toelichtingen (Gedr. St., Kamer, B.Z., 1968, nr. 88/1,63) wil artikel 70 §2 BTW - wetboek de overtredingen beteugelen die erin bestaan geen factuur uit te reiken of zich te doen uitreiken, of valse facturen uit te reiken of aan te nemen, dit wil zeggen facturen die onjuiste vermeldingen bevatten ten aanzien van de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan.

De wetgever heeft derhalve wel degelijk de bedoeling gehad de overtredingen zoals begaan door appellante te bestraffen.

2.5. De bewijslast van de administratie:

Appellante stelt dat de administratie, indien zij meent haar een boete te moeten opleggen, moet aantonen dat de voorwaarden voor het opleggen van een boete aanwezig zijn en meer bepaald dat wel degelijk aan belastingplichtigen werd verkocht.

De boete van artikel 70 §2 BTW - wetboek is evenwel van rechtswege verschuldigd indien ten laste van een belastingplichtige overtredingen worden vastgesteld die in dit artikel bedoeld zijn.

Uit de opgestelde processen-verbaal blijkt dat appellante wel degelijk inbreuken heeft gepleegd op haar factureringsplicht, zodat de administratie gerechtigd is een boete op te leggen.

2.6. Het bedrag van de boete:

2.6.1.

Krachtens het K.B. nr. 1 van 29 december 1992, later gewijzigd, genomen ter uitvoering van artikel 53 van het BTW - wetboek, moeten grossiers steeds een factuur uitreiken wanneer zij goederen leveren, zelfs zo dit gebeurt aan natuurlijke personen die deze goederen bestemmen voor hun privé gebruik en dient deze factuur onder meer de naam en het adres te vermelden van de bij de handeling betrokken partijen.

Krachtens artikel 70 §2 BTW - wetboek wordt bij een overtreding van deze bepalingen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan 2.000 BEF.

Het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987, later gewijzigd, voorziet in zijn tabel C in een vermindering van deze geldboeten: bij het ontbreken van vermeldingen aan te brengen op de facturen wordt de boete herleid tot 100% van de op de handelingen verschuldigde belasting.

Als artikel 1 laatste lid van dit K.B., later gewijzigd, bepaalt dat geen vermindering van de geldboeten wordt toegestaan ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belastingen te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

2.6.2.

Op basis van deze bepalingen heeft de administratie een boete opgelegd aan 100% van de verschuldigde BTW, zijnde 5.002.000 BEF (thans 123 996,34 euro) en een boete van 2.000 BEF per factuur, zijnde 11.418.000 BEF (thans 283 044,82 euro) of in totaal 16.420.000 BEF (thans 407 041,16 euro).

Volgens appellante is deze boete onaanvaardbaar hoog en dient deze boete kwijtgescholden, minstens herleid te worden.

Zoals onder 2.1. uiteengezet is de opgelegde boete nietig ten bedrage van 10.274.000 BEF (thans 254 685,81 euro) en 712.000 BEF (thans 17 650,02 euro) of in totaal 10.986.000 BEF (thans 272 335,83 BEF), zodat nog een boete rest van 5.434.000 BEF (thans 134 705,34 euro).

2.6.3.

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 BTW - wetboek te toetsen, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet de rechter in staat stellen na te gaan of de straf niet onevenredig is met de overtreding, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

Hierbij mag hij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de overtreding, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijksoortige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in boeten kan kwijtschelden of verminderen.

De rechter moet kunnen nagaan of de straf niet onevenredig is met de overtreding en in voorkomend geval de opgelegde administratieve sancties verminderen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt immers in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van een overheidsbeslissing alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen. De voor de belanghebbende nadelige gevolgen mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doeleinden.

De sanctiemaat mag dus niet onevenredig zijn in verhouding tot de handhavings- en repressiedoelstelling, waarbij de ernst van de overtreding de eerste wegingsfactor blijft.

2.6.4.

Rekening houdend met bovenstaande principes, gelet op de ernst van de door appellante begane overtredingen, wordt de door appellante verschuldigde boete herleid tot 500.000 BEF of 12 394,68 euro.

2.7. Besluit:

Het hoger beroep van appellante is deels gegrond.

Het bestreden vonnis dient in die zin hervormd te worden.

Rekening houdend met het wederzijds gelijk en ongelijk van partijen, worden de kosten van beide aanleggen, zoals hierna begroot, voor 1/4 ten laste gelegd van appellante en voor 3/4 ten laste van geïntimeerde.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis behalve voor zover het de vordering van appellante toelaatbaar verklaart.

Opnieuw wijzende, verklaart de vordering van appellante gedeeltelijk gegrond.

Zegt voor recht dat appellante een boete verschuldigd is van 12 394,68 euro, vermeerderd met de moratoire intresten vanaf 3 april 2001.

Veroordeelt appellante tot 1/4 en geïntimeerde tot 3/4 van de kosten van het geding in beide aanleggen, begroot op aan de zijde van:

Appellante

- eerste aanleg: niet begroot bij gebrek aan opgave;

- hoger beroep: rechtsplegingsvergoeding: 334,67 EUR, volgens opgave in conclusie;

geïntimeerde

- eerste aanleg: niet begroot bij gebrek aan opgave;

- hoger beroep: rechtsplegingsvergoeding: 466,05 EUR, volgens opgave in de tweede conclusie.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van VEERTIEN MAART TWEEDUIZENDENZES,

waar aanwezig waren:

R. T.,

Voorzitter;

D. W.

en M. V.D.B.,

Raadsheren;

A. V.L.,

Griffier.

Textes cités

1
AR no 1 art. 11 occurrence

Décisions similaires

8