Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Louvain du 26.09.2003
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
V O N N I S van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 26.09.2003
Rol nr. : 96/63153/A
V. D., zonder gekend beroep, wonende te …, …;
eiser,
ter zitting vertegenwoordigd door meester D. B. loco meester V., advocaat te …, … en meester V., advocaat te …, …;
tegen :
de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van de Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, met kantoor te 3001 Leuven, Philipssite 3 A, bus 2;
verweerder,
ter zitting vertegenwoordigd door meester D. B., advocaat te …, …;
De rechtbank spreekt het vonnis uit in deze zaak die ter zitting van 27 juni 2003 in beraad werd genomen.
Gelet op de artikelen 2-9-33-34-36-37-40 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :
- de gedinginleidende dagvaarding op 10 oktober 1996 op verzoek van V. D. betekend aan de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, administratie der BTW, registratie en domeinen, voor wie optreedt de gewestelijk directeur der BTW, registratie en domeinen van Mechelen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor van Leuven,
- de eerste conclusie, de aanvullende conclusie en de tweede aanvullende conclusie op respectievelijk 18 april 1997, 14 oktober 2002 en 25 maart 2003 ter griffie neergelegd door de BELGISCHE STAAT,
- de eerste en aanvullende conclusie op respectievelijk 21 augustus 2002 en 17 november 2002 ter griffie neergelegd door V. D..
Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 27 juni 2003, waarna de bundels met stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
1. Feiten en procesverloop
1.1. De verificateur-accountant bij de administratie der BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de elfde bijzondere belastinginspectie van Brussel, stelde een proces-verbaal van 10 juli 1996 op lastens V. D., hierna genoemd "eiser".
Overeenkomstig dit proces-verbaal is eiser volgende BTW verschuldigd voor de periode van 1 januari 1991 tot 29 december 1994 :
a) wegens ten onrechte uitgeoefend recht van aftrek 1.070.784,53 EUR
b) wegens ten onrechte toepassing van artikel 43 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde 35.263,47 EUR
c) wegens niet bewezen uitvoeren artikel 39, eerste paragraaf, van voormeld wetboek 37.221,21 EUR
d) wegens niet bewezen intracommunautaire leveringen 7.995,68 EUR
1.151.264,89 EUR
Verder werd een geldboete van 200 % op de verschuldigde BTW in hoofdsom oplegt.
Op grond van dit proces-verbaal vaardigde de ontvanger van de BTW te Leuven op 17 juli 1996 een dwangbevel uit lastens eiser, dat aan deze werd betekend op 18 juli 1996.
1.2. Eiser tekende op 10 oktober 1996 verzet aan tegen dit dwangbevel. Hij vordert :
- het dwangbevel van nul en generlei waarde te verklaren en eiser te ontslaan van de in het dwangbevel van hem gevorderde sommen,
- de terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden, en die werden toegerekend op de sommen vermeld in het dwangbevel,
- de kosten,
- de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
In conclusie breidt eiser zijn vordering uit met de vordering tot betaling van de interesten bij toepassing van artikel 91 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Verweerder vraagt de vordering ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, en eiser in de kosten te veroordelen.
2. Het proces-verbaal
2.1. Het proces-verbaal van 10 juli 1996 bevat vaststellingen met betrekking tot de boekhouding van eiser, met betrekking tot drie fraudecircuits, met betrekking tot de deelname van eiser aan die fraudecircuits, en met betrekking tot niet bewezen verkopen van goederen bestemd voor de uitvoer, niet bewezen leveringen van goederen afgehaald door de niet in België gevestigde koper, en niet bewezen intracommunautaire leveringen.
Het proces-verbaal verwijst naar vaststellingen gedaan door andere ambtenaren dan de verbaliserende ambtenaar.
3. De nietigheid van het dwangbevel
3.1. Het standpunt van eiser
Eiser noemt het dwangbevel van 17 juli 1996 nietig, aangezien het proces-verbaal van 10 juli 1996 geen voldoende draagkrachtige motivering ervan vormt.
Hij betoogt dat een dwangbevel geldig is, van zodra het de belastingplichtige in staat stelt om kennis te nemen van het voorwerp en de eis van de administratie en de gegrondheid ervan te betwisten.
Hij stelt vast dat het proces-verbaal 10 juli 1996 verwijst naar verklaringen en processen-verbaal van een anonieme verklaring door “H.”, zaakvoerder van de NV “A.” en de NV “B.”, naar een gerechtsdossier lastens "B.T." en "A.L.", zaakvoerders van de SPRL BPG B. A.-V., dat de verklaringen, processen-verbaal en stukken uit de gerechtsdossiers niet aan het proces-verbaal werden toegevoegd, zodat het hem onmogelijk is om de inhoud ervan te onderzoeken en desgevallend te weerleggen.
3.2. Het standpunt van verweerster
Verweerder noemt het dwangbevel van 17 juli 1996 en het proces-verbaal van 10 juli 1996 een schoolvoorbeeld van een rechtsgeldig ingestelde vordering : zij laten eiser toe zich rekenschap te geven van de oorzaak en het voorwerp van de eis van verweerster, namelijk dat ten gevolge van de verwerping van de boekhouding, en de betrokkenheid van eiser bij de verschillende fraudecircuits van hem een bedrag aan BTW, zijnde de verwerping van de aftrek, wordt gevorderd.
Volgens verweerster kan de motivering van het dwangbevel worden aangevuld met andere nieuwe documenten. Een bijvoeglijk proces-verbaal kan steeds worden opgesteld.
3.3. Beoordeling
3.3.1. Een onderscheid dient gemaakt tussen de twee functies van het proces-verbaal, enerzijds de motivering van een dwangbevel, anderzijds een bewijsmiddel. Als bewijsmiddel kan een proces-verbaal steeds worden aangevuld; als motivering van het dwangbevel niet (H. VANDEBERGH, Taxatie en verweer inzake BTW, Antwerpen, Kluwer, 1986, 115-116, en rechtspraak aldaar).
3.3.2. Het dwangbevel van 17 juli 1996 verwijst naar het proces-verbaal van 10 juli 1996 en werd ermee betekend. Dit proces-verbaal vormt dan de enige wettelijke basis van de vervolgingen ingesteld door de Staat (ibid., 115).
3.3.2. Eiser maakt terecht attent op de anonieme verklaringen en vermeldingen in het proces-verbaal van 10 juli 1996.
Aldus komen in het proces-verbaal volgende anonieme verklaringen voor :
I.3.2. Verklaringen opgenomen in het gerechtsdossier geopend op naam van de zaakvoerders “B.T.” en “A.L.” van de SPRL B. A.-V.”
I.3.2.1. Verklaring van dhr. “S.”, zaakvoerder van de vennootschap “P. F.”.
I.3.2.2. Verklaring van dhr."H.A.", zaakvoerder van de vennootschap.
Daarnaast worden ook andere personen in die anonieme en andere verklaringen anoniem gehouden;
I.2. Verklaring van dhr. H. G. i.v.m. zijn medewerking aan het fraudesysteem.
De naam van de heer “G.” wordt vermeld in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde van de firma "G.''.
I.3.1. Vaststellingen verricht door dhr. K. M., adjunct-verificateur bij de administratie der BTW, registratie en domeinen, i.v.m. SPRL B. A..
De naam van de heer "B.T." wordt vermeld in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de vennootschap.
I.3.2.1. Verklaring van dhr. "S.", zaakvoerder van de vennootschap "P.F.". Er wordt verwezen naar "B.", "B.T.", "A.L.", de vennootschap "P.F.".
I.3.2.2. Verklaring van dhr. "H.A.", zaakvoerder van de vennootschap. Er wordt verwezen naar de genaamde "S.", "B.T." en "A.L.".
Krachtens artikel 6 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, is zij niet van toepassing wanneer strengere bijzondere regels bestaan. Geen van de partijen voert het bestaan van dergelijke regels met betrekking tot het dwangbevel aan.
Voor de motivering vereist artikel 3 van genoemde wet dat zij in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat zij afdoende zijn.
Afdoende betekent vooreerst dat de motivering pertinent : dit wil zeggen duidelijk met de beslissing te maken hebben, en draagkrachtig: hetgeen betekent dat de aangehaalde motieven moeten volstaan om de beslissing te schragen, moet zijn. Daarnaast wil het zeggen dat de motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn met het belang van de genomen beslissing (B. PEETERS, De preventieve rechtsbescherming tegen het fiscaal bestuur, A.F.T., 1998, 211, nr. 58).
De motivering moet overeenkomstig artikel 2 van voormelde wet bovendien uitdrukkelijk zijn.
Aangezien verweerster de naheffing steunt op de beweerde deelname van eiser aan de door haar aangevoerde fraudecircuits, dient eiser zich te kunnen verdedigen. De motiveringsverplichting geeft ook gestalte aan het recht van verdediging (B. PEETERS, ibid., 211, nr. 58).
Een behoorlijke verdediging vereist dat eiser weet wie de personen zijn, die bedoeld worden in de verklaringen waaruit verweerster zijn betrokkenheid bij de fraudecircuits afleidt.
Het volstaat niet dat de motieven die ten grondslag liggen aan de bestuurshandeling in het dossier kunnen worden teruggevonden (B. PEETERS, ibid., 211, nr. 59). Het doet bijgevolg niet terzake dat de controlediensten van verweerster de in het proces-verbaal van 10 juli 1996 opgenomen vaststellingen ter inzage ter beschikking van eiser hielden of dat verweerster die vaststellingen in onderhavige procedure overlegt.
Uit het vorenstaande volgt dat het proces-verbaal van 10 juli 1996 geen afdoende motivering van het dwangbevel van 17 juli 1996 vormt. Het dwangbevel is bijgevolg nietig.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken,
rechtsprekend op tegenspraak,
alle andersluidende en meer omvattende conclusies van de hand wijzende als niet ter zake er/of overbodig,
verklaart het dwangbevel van 17 juli 1996 van nul en generlei waarde en ontslaat eiser van de in het dwangbevel van hem gevorderde sommen,
veroordeelt verweerster tot de terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden, en die werden toegerekend op de sommen vermeld in het dwangbevel, meer de interesten bij toepassing van artikel 91 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde,
veroordeelt verweerster tot de kosten, aan de zijde : van eiser begroot op het bedrag van 433,16 EUR (dagvaarding : 98,49 EUR; rechtsplegingsvergoeding : 334,67 EUR) en aan de zijde van verweerster op de rechtsplegingsvergoeding van 334,67 EUR.
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op 26 september 2003, waar zetelden :
de heer P. V., rechter;
mevrouw G. D., e.a. adjunct-griffier.
G. D. P. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.