Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Louvain dd. 12.02.2016 (14/2128/A)
WF 712-15-09/0046676
(Favorable à l’administration)
Taxe sur la valeur ajoutée – Droit à déduction – Location immobilière exemptée – Restitution de la taxe – Prescription – Contrainte – Amendes fiscales – Intention frauduleuse
Législation
Article 79, § 1er, alinéa 2, du Code de la TVA
Article 81 (version avant 1999) du Code de la TVA
Article 81bis (version Moniteur belge du 27 mars 1999) du Code de la TVA
Article 70, § 1er, du Code de la TVA
Article 4 de l’arrêté royal n° 4
Article 1er, dernier alinéa, de l’arrêté royal n° 41
Synthèse
L’assujetti est une société composée de pharmaciens. Elle a reçu pour la période de 1987 à 1994 d’un prestataire de services des factures relatives à la mise à disposition d’une pharmacie, incluant équipements, meubles et autres biens. Toutefois, c’est à tort que ce prestataire de services avait soumis cette location immobilière à la TVA. Il pouvait dès lors obtenir de l’État belge la restitution de la TVA moyennant le respect des conditions reprises à l’article 4 de l’arrêté royal n° 4 du 29 décembre 1969 relatif aux restitutions en matière de TVA. Cela a été constaté dans un jugement du tribunal de première instance de Louvain daté du 18 avril 2005. Par la suite, une note de crédit a été émise au nom de la société de pharmaciens.
En 2006, lors d’un contrôle, le traitement comptable de cette pièce rectificative, qui a été délivrée le 15 avril 2003, a été vérifiée par l’administration. Suite à cette comptabilisation, la TVA due a été reprise en case 63 de la déclaration périodique qui a été enregistrée en date du 14 mai 2003. En case 62 de cette même déclaration, un montant identique a été régularisé en faveur de l’assujetti. L’assujetti reconnaît qu’en raison de cette rectification, il est tenu de rembourser la TVA à l’État belge mais il estime que l’action en restitution de l’État belge est prescrite. Le tribunal ne suit pas ce raisonnement. Le délai de prescription, tel qu’il est calculé par l’assujetti, se rapporte à l’action en recouvrement de la TVA mentionnée sur la facture. Dans le présent litige, c’est le délai de prescription de l’action en restitution de la TVA qui est en cause. Selon l’article 79, deuxième alinéa, du Code de la TVA, si le cocontractant a opéré la déduction du montant de cette taxe, il doit le reverser à l’État en le comprenant dans le montant des taxes dues se rapportant à la période au cours de laquelle il a reçu le document rectificatif. La restitution est donc intervenue le 14 mai 2003. L’action de l’État belge, comme indiquée dans la contrainte du 13 septembre 2006 délivrée en exécution du procès-verbal du 19 juillet 2006, n’est par conséquent pas prescrite.
Sur la base de l’article 70, § 1er, du Code de la TVA, une amende fiscale égale au double du montant de la TVA éludée avait été infligée. Selon l’administration fiscale, l’échelle de réduction des amendes fiscales reprise à l’article 1er de l’arrêté royal n° 41 du 30 janvier 1987 fixant le montant des amendes fiscales proportionnelles en matière de TVA n’est pas applicable en raison du dernier alinéa de cet article qui écarte l’application de l’échelle de réduction en cas d'infractions commises dans l'intention d'éluder ou de permettre d'éluder la taxe. Toutefois le tribunal constate que la preuve de l’intention particulière requise, à savoir l’intention de l’assujetti de s’enrichir aux dépens de l’État belge, n’est ni motivée ni même rapportée. Il convient dès lors de moduler l’amende infligée conformément à l’arrêté royal n° 41 du 30 janvier 1987.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven
dd. 12.02.2016
(14/2128/A)
In de zaak van:
P. nv, met ondernemingsnummer …, en maatschappelijke zetel te …, …,
eisende partij,
vertegenwoordigd door S. L., advocaat te …, ….
tegen
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene administratie van de fiscaliteit en Algemene administratie van de inning en invordering, sector BTW, in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 Brussel, vertegenwoordigd door het BTW-ontvangkantoor Leuven, waarvan de kantoren gevestigd zijn te Philipssite 3A, bus 2, 3001 Leuven
verwerende partij,
vertegenwoordigd door E. G., advocaat te …, ….
I. Procedure
De rechtbank doet uitspraak in deze zaak die op de zitting van 15 januari 2016 in beraad werd genomen.
De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
De rechtbank nam onder meer kennis van:
- de dagvaarding op verzoek van eiseres op 16 oktober 2006 betekend aan verweerder
- de conclusie1 en de stukken van partijen
- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier
De raadsman van eiseres en de raadsman van verweerder hebben de zaak gepleit op de openbare zitting van 15 januari 2016. De zaak werd nadien in beraad genomen.
II. De feiten en het voorwerp van de vordering
1 zie artikel 748bis Gerechtelijk Wetboek; Cass. 29 maart 2011, rolnummer … en Cass. 8 maart 2013, rolnummer …. Voor eiseres betreft het de synthesebesluiten op 31 augustus 2015 ter griffie neergelegd. Voor verweerder betreft het de synthesebesluiten ter griffie neergelegd op 18 september 2015.
Eiseres is een apothekersvennootschap. Gelet op haar economische activiteit is zij aan de BTW-wetgeving onderworpen. Zij werd sinds 1 september 1990 als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer ….
Eiseres ontving in de periode tussen 1 januari 1987 tot en met 31 december 1994 facturen van de VOF M. voor geleverde diensten, bestaande uit de verhuur van een onroerend goed (de terbeschikkingstelling van een apotheek en bergruimte) inclusief apparatuur, meubelen, andere roerende goederen en personeel.
VOF M. voerde aan dat zij ten onrechte BTW had aangerekend en doorgestort op de door haar verrichte handelingen en vorderde deze terug.
Bij vonnis van 20 juni 2000 werd beslist dat deze vennootschap principieel gerechtigd was deze bedragen terug te vorderen.
De rechtbank besliste dat VOF M. in de periode september 1985 tot en met december 1986 geen BTW-belastingplichtige was en de teruggave van de in die periode ten onrechte betaalde BTW diende te gebeuren overeenkomstig artikel 9 K.B. nr. 4.
Voor de periode vanaf januari 1987 was VOF M. wel BTW-belastingplichtige. Om terugbetaling van de ten onrechte betaalde BTW te kunnen bekomen, diende zij de voorwaarden van artikel 4 van het K.B. nr. 4 na te leven (stuk 2 eiseres).
In het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 12 april 2002 werd vastgesteld dat VOF M. nog steeds niet had voldaan aan de voormelde voorwaarden (stuk 3 eiseres).
In het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 19 november 2004 werd vastgesteld dat VOF M. de BTW die zij voor de periode 1987 tot en met 1994 teveel had aangerekend begrootte op … euro. Tevens werd gesteld dat VOF M. op 15 april 2003 een creditnota had opgemaakt op naam van eiseres voor de ten onrechte geïnde BTW ten bedrage van … euro. De rechtbank stelde vast dat VOF M. aldus voldeed aan de voorwaarden van artikel 4 van het K.B. nr. 4 en recht had op de terugbetaling van de ten onrechte aangerekende en doorbetaalde BTW (stuk 4 eiseres). Dit werd bevestigd in het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 18 februari 2005, waarbij de terugbetaling aan VOF M. van het bedrag van … euro, vermeerderd met intresten sedert 15 april 2003, werd bevolen (stuk 5 eiseres),
Zoals hogerop gesteld, werd door VOF M. op 15 april 2003 een verbeterend stuk uitgereikt aan eiseres.
Op 17 maart 2006 werd op de maatschappelijke zetel van eiseres door ambtenaren verbonden aan· de Controle BTW Leuven overgegaan tot een verificatie van de boekhouding in verband met de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake de BTW en meer bepaald de boekhoudkundige verwerking van de ontvangen creditnota van 15 april 2003, Uitgereikt door VOF M. (stuk 1 verweerder).
In het voorgelegde aankoopjournaal met betrekking tot de periode van 1 april 2003 tot en met 30 april 2003 van eiseres, werd onder het nummer … en met als boekingsdatum 30/04/2003 een ontvangen creditnota ingeschreven. Deze bevatte de volgende gegevens:
"(…) Verbeterend stuk opgemaakt in toepassing van art. 4 K.B. 4 W BTW Periode 01/1987 ... -12/1994.
BTW terug te storten aan de Staat in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht, de aftrek nog niet werd geregulariseerd en in de mate dat de vordering nog niet is verjaard. ( ...)”
Ten gevolge van deze boeking werd de BTW ten bedrage van … euro opgenomen in rooster 63 (bedrag terug te storten belasting ingevolge ontvangen creditnota's waarop BTW werd vermeld) van de periodieke aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand april 2003, op 13 mei 2003 ondertekend door de gevolmachtigde van eiseres en op 14 mei 2003 geregistreerd.
De maatstaf van heffing werd opgenomen in rooster 85 van de voornoemde periodieke aangifte.
In rooster 62 (diverse BTW-herzieningen in het voordeel van de aangever (belasting waarvan de aangever teruggave kan verkrijgen, herzieningen van de aftrek, regularisaties ingevolge administratieve beslissingen)) van voornoemde periodieke aangifte werd een bedrag van … euro opgenomen.
In het Diverse posten - journaal met betrekking tot de periode van 1 april 2003 tot en met 30 april 2003 werd, onder verwijzing naar stuk nummer 32 en met als boekingsdatum 30/04/2003, de volgende boeking opgenomen.:
"Op het debet van rekening … herziening BTW … euro
Op de credit van rekening … Andere uitzonderlijke opbrengsten … euro"
In hun proces-verbaal van 19 juli 2006 stelden de controlerende ambtenaren dat door eiseres niet werd aangetoond dat er zich een geval voordeed waarin het BTW Wetboek teruggaaf van belasting voorziet. Derhalve werd volgens de fiscale administratie de teruggevraagde BTW ten onrechte ingeschreven in rooster 62 van de periodieke BTW-aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand april 2003.
Bijgevolg is volgens de BTW-administratie verschuldigd: de som van … euro BTW, een bedrag gelijk aan het dubbel van de ontdoken belasting, hetzij … euro als fiscale geldboete op grond van artikel 70 W BTW en de interesten van rechtswege verschuldigd op grond van artikel 91 § 1 W BTW (stuk 1 verweerder).
Op 13 september 2006 werd door de ontvanger van de BTW-Leuven, waarnemend e.a, . inspecteur G. M., op naam van eiseres een BTW-dwangbevel nr. …, voor een bedrag van … euro in hoofdsom (… euro aan verschuldigde BTW, … euro als proportionele geldboeten, te vermeerderen met de interesten, vanaf 21 maart 2003, zjjnde … euro) uitgevaardigd. Dit dwangbevel werd op 15 oktober 2014 door de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur van de BTW te Hasselt, adviseur a.i.- e.a. inspecteur a.i., A. W., geviseerd en uitvoerbaar verklaard (stuk 2 verweerder).
Het dwangbevel werd per aangetekende brief van 20 september 20006 aan eiseres betekend (stuk 3 verweerder).
Eiseres verzoekt het dwangbevel van 13 september 2006 nietig te verklaren en de eis van verweerder tot betaling van een bedrag van … euro aan BTW in hoofdsom en/of van een geldboete van … euro, vermeerderd met de intresten, ongegrond te verklaren. Dienvolgens verweerder te veroordelen tot teruggave van de wederrechtelijk geïnde bedragen, met inbegrip van de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 § 4 W BTW en de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op … euro.
Ondergeschikt vraagt zij de opgelegde boete van … nietig te verklaren en verweerder te veroordelen tot teruggave van de wederrechtelijk geïnde bedragen, met inbegrip van de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 § 4 W BTW.
Uiterst ondergeschikt verzoekt eiseres de opgelegde boete kwijt te schelden, minstens te verminderen tot 1/20 van de oorspronkelijk opgelegde boete.
III Beoordeling
1. De vordering van eiseres is ontvankelijk.
2. Eiseres stelt dat zij op grond van het verbeterend stuk weliswaar gehouden zou zijn om de BTW terug te storten aan de Belgische Staat, maar dat zij meende en meent dat de vordering van de Belgische Staat tot terugstorting verjaard was.
Het verbeterend stuk van 15 april 2003 dat door VOF M. werd uitgereikt aan eiseres betreft immers facturen voor de periode van 1 januari 1987 tot en met 31 december 1994. De laatste BTW die ten onrechte in aftrek werd genomen en dus verschuldigd was, werd opgenomen in de aangifte voor de maand december 1994 en moest uiterlijk worden ingediend op 20 januari 1995. De vordering tot voldoening van de belasting is ontstaan op 21 januari 1995. Vanaf die datum begon de verjaring overeenkomstig artikel 81 W BTW (oud) te lopen.
De verjaringstermijn bedroeg vijf jaar, aangezien de vordering dateert van voor 1 januari 1999. Bijgevolg is de invorderingstermijn volgens eiseres verstreken op 21 januari 2000. Het dwangbevel werd echter pas uitgereikt op 13 september 2006.
3. De rechtbank volgt deze redenering niet.
Er dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen de verjaring van de vordering tot voldoening van de BTW op de facturen daterend van 1 januari 1987 tot en met 31 december 1994 enerzijds en de verjaring van de vordering tot terugstorting van de BTW aan de Belgische Staat anderzijds.
De verjaringstermijn zoals door eiseres berekend ,heeft betrekking op de vordering tot vol doening van de BTW op de facturen.
In onderhavig geschil staat echter de verjaringstermijn van de vordering tot terugstorting van de BTW ter discussie.
De wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (B.S. 27 maart 1999) heeft de regeling inzake verjaringen op het stuk van de BTW grondig gewijzigd. Deze nieuwe bepalingen zijn in werking getreden op 6 april 19992.
Krachtens artikel 81 (nieuw)W BTW, begint de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat. Zo er geen aangifte moet worden ingediend ontstaat de vordering tot voldoening van de BTW de dag waarop de belasting verschuldigd is.
In casu is de rechtsgrond van de vordering tot voldoening, i.e. terugstorting, van de BTW het uitreiken van een verbeterend stuk door VOF M. aan eiseres, overeenkomstig artikel 4 § 1, 1° en 3° K.B. nr. 4.
Het verbeterend stuk van 15 april 2003 vermeldt in die zin uitdrukkelijk:
"BTW terug te storten aan de Staat in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht, de aftrek nog niet werd geregulariseerd en in de mate dat de vordering nog niet is verjaard".
Artikel 79, alinea-2 W BTW bepaalt:
"Heeft de medecontractant deze belasting in aftrek gebracht, dan moet hij ze aan de Staat terugstorten door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen" (cursivering door de rechtbank).
De vordering is ontstaan door de opname van het bedrag van … euro in rooster 63 van de periodieke aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand april 2003, op 13 mei 2003 ondertekend door de gevolmachtigde van eiseres, zoals op 14 mei 2003 geregistreerd.
De vordering is bijgevolg ontstaan op 14 mei 2003.
2 De oude verjaringstermijnen, geregeld door de artikelen 81 (oud), 82 (oud) en 83 (oud), van het Wetboek, blijven van toepassing op de vorderingen tot voldoening en de vorderingen tot teruggaaf van de BTW die zijn ontstaan vóór 1 januari 1999. Anderzijds worden de nieuwe verjaringstermijnen, geregeld door de artikelen 81 (nieuw), 81bis, 82 (nieuw), 82bis en 83 (nieuw), van het Wetboek toepasselijk op de vorderingen tot voldoening en de vorderingen tot teruggaaf van de BTW die zich voordoen na 31 december 1998.
Krachtens artikel 81bis, § 1 (nieuw) W BTW is er verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan3.
De vordering van de Belgische Staat, zoals gesteld in het dwangbevel van 13 september 2006, in uitvoering van het proces-verbaal van 19 juli 2006, is bijgevolg niet verjaard.
4. Op grond van artikel 70 § 1 W BTW werd een fiscale geldboete gelijk aan het dubbel van het ontdoken bedrag opgelegd.
Het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt onder artikel 1 de schaal voor vermindering van de betreffende geldboete. De verminderde boeten, zoals bepaald in het K.B. nr. 41, moeten altijd door de belastingadministratie worden toegestaan wanneer de toepassingsvoorwaarden vervuld zijn.
5. Volgens de BTW-administratie kon de schaal voor de vermindering van de proportionele geldboeten in casu, gelet op het bepaalde in artikel 1 laatste lid K.B. nr. 414, niet worden toegepast vermits uit de aard van de overtreding duidelijk bleek dat zij werd begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
De BTW-administratie stelt te worden geconfronteerd met een gebonden bevoegdheid die haar verplicht op grond van het fiscaal legaliteitsbeginsel een geldboete op te leggen van zodra de wettelijke voorwaarden vervuld zijn.
Zij is van oordeel dat de krachtens de wet vastgestelde administratieve geldboete verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, en niet onevenredig is met de ernst van de vastgestelde overtreding, zodat deze rechtmatig werd opgelegd en moet worden behouden.
Volgens de BTW-administratie is ook voldaan aan de motiveringsplicht zoals bepaald in de wet van 4 augustus 1986. Eiseres had immers door kennisname van het dwangbevel van 13 september 2006; gesteund op het proces-verbaal van 19 juli 2006, voldoende gegevens in handen om de draagwijdte van de gehele beslissing ten volle te begrijpen en aldus kritiek uit te oefenen op de motieven. Zoals hogerop gesteld, betreft de opgelegde evenredige geldboete een beslissing die door de BTW-administratie werd genomen in het kader van een gebonden bevoegdheid, waarvan de reikwijdte precies werd begrepen.
3 Volgens de BTW-administratie is er in casu trouwens sprake van bedrieglijk opzet voor eiseres. In afwijking van de algemene verjaringstermijn is er evenwel verjaring na het verstrijken van het vijfde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, zodra de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden (Wetboek art. 81bis, § 1, tweede lid).
4 Artikel 1, laatste lid K.B. nr. 41: "De in de tabellen A tot J van de bijlage bij dit besluit opgenomen schalen zijn echter niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken".
6. De geldboeten die door· de BTW-administratie: voor de. voormelde overtreding werden opgelegd, vallen onder het rechterlijk wettigheidstoezicht. De rechtbank kan bijgevolg nagaan of de toegepaste boeten wettelijk gezien wel verschuldigd zijn.
Als de BTW-administratie meent dat er een bedoeling was om de BTW te ontduiken, draagt zij in principe de bewijslast en moet zij dit motiveren bij de oplegging van de boete.
"Bedrieglijk opzet" bestaat wanneer de overtreding wordt begaan met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen, meestal ten nadele van een persoon of van de gemeenschap.
Telkens wanneer een be!astingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve geldboete wordt opgelegd, vermeldt dit bericht de feiten die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet-of verordeningsteksten, en geeft de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen (art. 109 Wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen).
In het proces-verbaal van 19 juli 2006 werd duidelijk omschreven welke de aard van de vastgestelde overtreding was, het bedrag van de vastgestelde verschuldigde BTW ingevolge de begane overtreding, de wettelijke bepalingen die werden geschonden, de wettelijke bepalingen voor het opleggen van de geldboete, alsook het bedrag van deze administratieve geldboete en de bepalingen met betrekking tot de verschuldigde interesten.
De rechtbank stelt echter vast dat het bedrieglijk opzet, het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, dat door de BTW-administratie werd aangenomen om eiseres uit te sluiten van de toepassing van de bepalingen van het K.B. nr. 41, niet wordt gepreciseerd.
Onder rubriek III. Inbreuken vermeldt het proces-verbaal van 19 juli 2006 slechts:
"In strijd met het bovenstaande werd voor volgende boeking niet aangetoond dat er zich een geval voordeed waarin het BTW. Wetboek teruggaaf van de belasting voorziet. Derhalve werd de teruggevraagde B.T.W. ten onrechte ingeschreven in rooster 62 van de periodieke B.T.W.-aangifte m.b.t. de handelingen van de maand april 2003. ( ...)".
Pas in haar synthesebesluiten poneert de BTW-administratie dat eiseres zich door opname van het bedrag van … euro in rooster 63 en de onterechte opname van dit bedrag in rooster 62, poogt te verrijken ten koste van de Belgische Staat.
Eiseres daarentegen stelt dat zij op geen enkel tijdstip BTW heeft teruggevraagd. Zij bevestigt aldus het standpunt van de BTW-administratie dat er in casu geen reden was om een vordering tot teruggaaf in te stellen. Zoals hogerop gesteld, heeft zij het BTW-bedrag enkel opgenomen in rooster 62 van de aangifte omdat zij van mening was/is dat de vordering van de Belgische Staat verjaard was. Rekening houdend met de verjaring heeft zij het verbeterende stuk zowel verwerkt in rooster 63 alsook onmiddellijk in rooster 62.
Samengevat, is de rechtbank van oordeel dat in het proces-verbaal van 19 juli 2006 een overtreding van de BTW-reglementering werd aangetoond en afdoende werd toegelicht (i.e. de onterechte opname van dit bedrag in rooster 62). Deze inbreuk kan onbetwistbaar worden bestraft met een evenredige administratieve geldboete (art. 70 § 1 W BTW). Anderzijds wordt het bewijs van het bedrieglijk opzet, namelijk de intentie van eiseres om zich pogen te verrijken ten koste van de Belgische Staat, door de BTW-administratie niet geleverd, minstens blijkt dit niet uit de motivering van het voormeld proces-verbaal. Bijgevolg is er geen reden om de opgelegde geldboete niet verder te moduleren (beperken) overeenkomstig de bepalingen van het K.B. nr. 41.
Conform TABEL A, Afdeling 1, V van voormeld K.B. vermindert de rechtbank de proportionele administratieve geldboete tot 10% van het terug te storten BTW-bedrag (i.e. … euro), zijnde … euro.
De rechtbank acht deze geldboete evenredig aan de ernst van de begane inbreuk; er is geen reden tot bijkomende vermindering of kwijtschelding.
7. Beide partijen worden deels in het ongelijk gesteld. Zij worden veroordeeld tot de kosten van de procedure zoals hierna bepaald.
Dispositif
IV. DE RECHTBANK beslist het volgende
De rechtbank doet uitspraak op tegenspraak en in eerste aanleg.
De rechtbank verklaart de vordering van P. nv ontvankelijk en gegrond als volgt.
De rechtbank vermindert de lastens P. nv bij dwangbevel nr. … opgelegde proportionele administratieve geldboete tot 10% van het verschuldigde BTW-bedrag (i.e. … euro), namelijk tot een bedrag van … euro. De rechtbank beveelt de terugbetaling van alle sommen die ten onrechte werden geïnd,. vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 §,4 W BTW.
De rechtbank wijst het meer gevorderde af als ongegrond.
De rechtbank laat de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, ten laste van de partij die ze heeft gemaakt.
Dit vonnis werd uitgesproken in de openbare zitting van kamer 12 van de rechtbank van eerste aanleg Leuven op vrijdag 12 februari 2016.
Waar zitting namen:
K. V. I., rechter
A. K., griffier
A. K.
K. V. I.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.