Droit à déduction de l’impôt, régime particulier · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 6 février 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôt, régime particulierTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-regime-particulier-tribunal-bruxelles-2006-02-06-6d0b

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
6 février 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

95 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 06.02.2006

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer·

AR 1999/11424/A

Fiscaal geschil - belastingen

op tegenspraak

eindvonnis

In zake van :

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mter. K. L. loco Mter. D. V. B., advocaat te …, ….

tegen :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, FOD Financiën, Administratie van de BTW registratie en domeinen, in de persoon van het hoofd van het centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, wiens kantoor gevestigd is te …, ….

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mter. N. D., advocaat te …, ….

De rechtbank spreekt het navolgend vonnis uit :

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 12 december 2005 waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

• de dagvaarding van 2 april 1999 door het ambt van Meester A. kantoorhoudend te …, … van de Belgische staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën;

• het vonnis van 2 november 1999 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dat deze zaak naar de rechtbank verwijst;

• de tweede aanvullende en syntheseconclusies voor eiseres neergelegd ter griffie op 10 oktober 2005;

• de tweede aanvullende en syntheseconclusies voor verweerder;

• neergelegd ter griffie op 10 november 2005.

Bovendien heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

1. FEITEN

Op 10 augustus 1995 wordt door de verantwoordelijke onderdirecteur van de NV R. B., de Heer R. S., klacht neergelegd wegens diefstal van een oplegger met een container gevuld met 920 kartons sigaretten van het merk L&M.

De eigenaar van de sigaretten is de firma P. M. INC. Deze goederen werden opgeslagen onder dekking van het douanedocument … van op 9 augustus 1995.

De Administratie van Douane en Accijnzen stelt op 4 maart 1996 een proces-verbaal op, verwijzende naar het strafdossier gekend onder het notitienummer ….

Verificateur E. T. berekent de diverse verschuldigde rechten als volgt :

Invoerrechten : 2.019.995 BEF

Accijns : 36.588.400 BEF

Bijzondere accijns : 2.346.000 BEF

BTW : 12.129.740 BEF

Totaal : 53.084.135 BEF

Ingevolge de aangifte van 18 november 1996 en afgestempeld door het kantoor van bestemming der douane op 25 november 1996, betaalt eisers 12.129.740 BEF, inclusief BTW.

Op 20 maart 1997 dient eiseres een aanvraag in tot teruggave van de BTW op grond van het formulier …, bij het Centraal BTW-kantoor op 18 maart 1997. Hel betreft een aanvraag tot teruggaaf op grond van de 13de Richtlijn nr. 86/560/EEG van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzakt omzetbelasting Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan de niet op het grondgebied van de gemeenschap gevestigde belastingplichtigen.

Bij brief van 28 maart 1997 maakt eiseres het zonder gevolg geklasseerde strafdossier waaruit de diefstal blijkt over.

Bij brief van 27 juni 1997 legt eiseres, op uitdrukkelijk verzoek van de BTW-administratie, het bewijs voor van de betalingsverrichtingen door P. M. aan R. B. en door deze laatste aan de administratie.

Bij ontstentenis van beslissing door de Centrale administratie dagvaardt eiseres de Belgische Staat op 2 april 1999.

2. VORDERING

Eiseres verzoekt de rechtbank de Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling van de BTW voor een bedrag van 300.688,40 euro meer interesten.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. ONTVANKELIJKHEID

Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.

4. BESPREKING TEN GRONDE

Eiseres beroept zich voor haar recht op teruggaaf op de 13de Richtlijn zoals omgezet in artikel 76, § 2 en 77, § 1bis, 10 W.BTW en KB nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.

Artikel 76, § 2 W.BTW bepaalt dat :

"De niet in § 1 bedoelde belastingplichtige kan, bij wijze van teruggaaf, de belasting recupereren die geheven werd van de aan hem geleverde goederen en versnelde diensten, en van de door hem ingevoerde goederen en verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate waarin die belasting intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate waarin die belasting voor aftrek in aanmerking komt overeenkomstig de artikelen 45 tot 48."

Artikel 77, § 1bis, 10 W.BTW bepaalt vervolgens dat de belasting die ter zake van de invoer wordt geheven tot beloop van het passende bedrag wordt teruggegeven in de gevallen als bedoeld in § 1, 10 en 20 van dit artikel, zijnde "wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is";

Hiermee doelt de wetgever op situaties waarbij teveel BTW wordt afgedragen aan de Belgische Staat. Op grond van deze bepaling kan dan ook bijvoorbeeld de teruggave van BTW worden bedongen die werd afgedragen over handelingen, wanneer nadien de staat zou veroordeeld worden door het Europees Hof van Justitie omdat zij BTW hief in strijd met het communautair recht. (I. VANDENBERGHE, BTW-handboek, editie 2003, Brussel, Larcier, 2003, nr. 567).

In antwoord op een parlementaire vraag in verband met de gevolgen van een diefstal antwoordt de Minister van Financiën (Parl. Vr., 22.04.1993, Kamer, BTW-Rev., nr. 106, 1083); In geval van betaling van een vergoeding door een verzekeringsmaatschappij tengevolge bijvoorbeeld van een diefstal van goederen, staat de administratie aldus in principe de teruggaaf van BTW toe die de belastingplichtige zou hebben voldaan op zijn forfaitair berekend omzetcijfer. (De rechtbank onderlijnt).

Naar analogie kan ook worden verwezen naar het standpunt van verweerder met betrekking tot goederen die ingevolge brand zijn teloor gegaan en de toekenning van een recht op teruggaaf op grond van artikel 77, § 1, 1° W.BTW (Beslissing van28 juni 1974, nr. E.T. 14.462 BTW-Revue, nr. 20,149-150).

Eiseres verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van 14 juli 2005 waarin wordt geoordeeld over een gelijkaardige zaak.

De feiten in deze zaak zijn de volgende : B. A. T. I. Ltd. (hiema genaamd BATI) heeft tabaksfabrikaten opgeslagen in een belastingentrepot in Antwerpen. Deze tabaksfabrikaten zijn niet van fiscale bandjes voorzien. In 1996 en 1998 worden uit dit belastingentrepot sigaretten gestolen. Van deze diefstallen wordt aangifte gedaan bij de politie. De Belgische Administratie der douane en accijnzen vordert bij aanslag betaling van de accijns en de BTW over de ontbrekende sigaretten. De gevorderde bedragen, worden integraal betaald.

Vervolgens dagvaardt BATl de Belgische Staat voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tot de terugbetaling van de betaalde bedragen. In eerste aanleg oordeelt de rechtbank dat geen terugbetaling van BTW kan plaatsvinden aangezien de accijns verschuldigd was en aldus ook de BTW opeisbaar was krachtens artikel 58, lid 1 W.BTW en artikel 1 van het KB nr. 13. Bovendien oordeelt de rechtbank dat deze bepalingen inzake BTW over tabaksfabrikaten tot doel heeft de belastingheffing te vereenvoudigen en dus in overeenstemming is met artikel 27 van de Zesde BTW-Richtlijn.

In hoger beroep spitst de discussie zich enkel nog toe op de terugbetaling van de betaalde BTW. lnzake accijnzen is er een dading tussengekomen en wordt er aldus om procedurele redenen niet meer aangedrongen door BATI op terugbetaling van accijnzen, doch enkel op terugbetaling van BTW.

Een gelijkaardige situatie doet zich in casu voor in hoofde van eiseres : er wordt enkel een terugbetaling gevraagd van BTW en niet van accijnzen.

Met betrekking tot de BTW merkt het Hof van Beroep te Antwerpen op dat wanneer van het door de rechterlijke instantie in eerste aanleg aanvaarde administratief standpunt wordt uitgegaan, niet hoeft worden onderzocht of de diefstal van de goederen kan worden aangemerkt als "levering van goederen" in de zin van de richtlijn. Het belastbare feit bestaat dan niet in de levering van het goed, noch de invoer maar in de heffing van accijns.

Hof van Beroep te Antwerpen stelt een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te Luxemburg. Samenvattend kan het standpunt van het Hof van Justitie als volgt worden weergegeven.

In hoofdorde stelt het Hof van Justitie in rechte vast dat de diefstal van goederen geen "levering van goederen onder bezwarende titel" is in de zin van artikel 2 van de zesde BTW-richtlijn en bijgevolg als zodanig niet aan BTW kan worden onderworpen. Met andere woorden wordt er geen BTW verschuldigd in hoofde van de eigenaar van goederen doordat zijn goederen worden ontstolen. In de eerste plaats is er immers geen sprake van een levering van een goed aangezien de dief niet de macht heeft om als eigenaar over het goed te beschikken. Bij diefstal wordt de pleger enkel houder van de goederen. In de tweede plaats is er evenmin sprake van een levering van een goed onder bezwarende titel. In die omstandigheden kan er geen BTW worden geheven over ontstolen goederen. Het beginsel van de fiscale neutraliteit staat hier niet aan in de weg.

Aansluitend oordeelt het Hof van Justitie dat de omstandigheid dat het om accijnsgoederen (lees sigaretten) gaat, irrelevant is. Geen enkele bepaling van de zesde BTW-richtlijn koppelt immers het verschuldigd worden van BTW aan accijnsheffing. Het belastbare feit voor de BTW, waarmee de wettelijke voorwaarden voor het verschuldigd worden van de belasting wordt vervuld, is de levering of de invoer van de goederen en niet de heffing van de accijns daarover.

Volledigheidshalve merkt het Hof van Justitie op dat de machtiging die het Koninklijk België op basis van artikel 27, lid 5 van de zesde BTW-richtlijn is verleend (systeem van vereenvoudigingsmaatregel middels taks bandjes), deze lidstaat geenszins de bevoegdheid geeft de diefstal van tabaksfabrikanten aan BTW te onderwerpen.

De rechtbank stelt vast dat de grondslag van de vordering van eiseres lastens de Belgische Staat in de persoon van de Minister van Financiën (zie dagvaarding d.d. 2 april 1999), gelijkaardig is : met name een vordering tot terugbetaling (teruggaaf) op basis van het gegeven dat er ten onrechte BTW werd gevorderd en betaald (het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is).

Het argument van verweerder als zou het recht op teruggaaf noodzakelijkerwijs gekoppeld zijn aan het recht op de teruggaaf van accijnzen, omdat dit ook het geval is met betrekking tot de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde, is niet correct.

Art. 11, eerste lid KB nr. 4 bepaalt :

Wanneer, ten aanzien van tabaksfabrikaten of andere in artikel 58, § 1, van het Wetboek bedoelde goederen, één en dezelfde oorzaak de teruggaaf van accijns en van de belasting over toegevoegde waarde rechtvaardigt, dient de aanvraag om teruggaaf van die belasting te worden ingediend bij de ambtenaar die bevoegd is om de aanvraag om teruggaaf van accijns te ontvangen (De rechtbank onderlijnt.)

Uit deze bepaling volgt, dat wanneer enkel om de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde wordt verzocht, de hierin voorziene procedure niet moet worden gevolgd. Uit deze bepaling en meer bepaald haar derde lid ("De teruggaaf vindt plaats onder dezelfde voorwaarden en op dezelfde wijze als de teruggaaf van de accijns’) kan bovendien niet worden afgeleid - zoals verweerder doet - dat het recht op aftrek en aldus de teruggaaf van de BTW noodzakelijk gekoppeld is aan dit van de teruggaaf van accijnzen. In casu gaat het slechts over de voorwaarde en wijze van de terugbetaling van accijnzen en BTW.

De voorwaarden voor teruggaaf inzake BTW zijn gebaseerd op het recht op aftrek, die niet noodzakelijk dezelfde hoeven te zijn als de voorwaarden voor het recht op teruggaaf van accijnzen. Dit volgt uit het verschil in aard en doelstelling van enerzijds de Belasting over de Toegevoegde Waarde en anderzijds de accijnzen of invoerrechten.

Het aanvaarden van deze koppeling zou in strijd zijn met artikel 17 van de Zesde BTW-Richtlijn en het Wetboek BTW. De Zesde Richtlijn en meer bepaald artikel 17 inzake het recht op aftrek bevat geen enkele bepaling die in deze koppeling voorziet.

Daarenboven oordeelt het Hof van Justitie in het bovenvermelde arrest van 14 juli 2005 uitdrukkelijk dat de nationale regeling inzake terugbetaling van BTW - eventueel gelinkt met de terugbetaling inzake accijnsrechten om redenen van vereenvoudiging of controle - geen nieuwe, in de Richtlijn niet genoemde categorie, belastbare handelingen kunnen invoeren. Hier anders over oordelen zou tevens een schending in zich houden van artikel 2 van de Zesde BTW-Richtlijn. De machtiging voorzien in artikel 27, lid 5, van de Zesde Richtlijn kan dus geen rechtsgrondslag verschaften aan een nationale regeling die diefstal van goederen uit een belastingentrepot aan BTW onderwerpt.

Het wordt niet betwist dat eiseres een belastingplichtige is voor toepassing van de BTW, die in beginsel recht op aftrek heeft in overeenstemming met artikel 45, § 1 W.BTW.

Verweerder baseert zich echter op artikel 45, § 3, 10 W.BTW om het recht op aftrek en aldus de teruggaaf te weigeren.

De rechtbank oordeelt dat deze bepaling in casu op geen enkele wijze kan worden toegepast om de aftrek -en aldus de teruggaaf - te weigeren. Deze bepaling luidt als volgt :

"§ 3. Voor aftrek komt niet in aanmerking de belasting ter zake van :

10 leveringen en intracommunautaire verwervingen van tabaksfabrikaten;"

Zij is aldus niet van toepassing op de invoer van goederen. Hieruit volgt dan ook dat eiseres recht op aftrek heeft en aldus recht op teruggaaf.

Het feit dat terzake van de heffing van de BTW het BTW-wetboek voorziet in een speciale regeling (art. 58 W.BTW) heeft en kan hierop geen invloed hebben.

Uit hetgeen voorafgaat volgt dat eiseres recht heeft op aftrek van de belasting die zij verschuldigd was ten gevolge van de invoer van later ontvreemde tabakswaren en aldus recht op teruggaaf aangezien zij dit bedrag niet wettelijk verschuldigd was.

Dit onderdeel van de vordering is gegrond.

Eiseres voert aan dat de administratie de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden omdat zij haar beslissing met betrekking tot de aanvraag om teruggaaf van 20 maart 1997 niet binnen een termijn van zes maanden na de aanvraag zou hebben meegedeeld.

Terecht merkt verweerder op dat eiseres een aanvraag tot teruggaaf heeft ingediend in uitvoering van de dertiende EG-richtlijn van 17 november 1986. In tegenstelling tot hetgeen vermeld is in artikel 7.4 van de achtste EG-richtlijn, vermeldt de dertiende EG-richtlijn geen termijn van zes maanden. Bovendien geldt de termijn van zes maanden slechts vanaf het tijdstip dat alle nodige elementen ter beoordeling van de aanvraag aan de administratie werden meegedeeld. In casu werden na de indiening van de aanvraag nog bijkomende gegevens opgevraagd bij eiseres.

In verband met de gevorderde interesten merkt: eiseres terecht op dat de wettelijke interest op grond van artikel 91, § 4 W.BTW begint te lopen vanaf de datum van de aanvraag tot teruggaaf, dit is 20 maart 1997. Deze aanvraag kan immers als een ingebrekestelling worden beschouwd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend op tegenspraak;

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond;

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van de BTW voor een bedrag van 300.683,40 euro, te verhogen met de interesten vanaf de datum van aanvraag tot teruggave van de BTW in overeenstemming met artikel 91, § 3, 2° W.BTW.

Veroordeelt verweerder tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van eiseres begroot op 356,97 euro;

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 6 februari 2006

Waar aanwezig waren en zitting namen :

Mevrouw N. S., alleenrechtsprekend rechter

Mevrouw V. V. D. S., afg. adj. griffier

V. V. D. S. N. S.

Textes cités

6

Décisions similaires

8