Droit à déduction de l’impôt, preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 18 avril 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôt, preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-preuve-mesure-tribunal-kortrijk-2005-04-18-7524

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
18 avril 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

346 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Courtrai du 18.04.2005

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER FISCAAL MET EEN RECHTER, RECHTSPREKEND IN BURGERLIJKE ZAKEN

In de zaak AR nr. 03/2189/A - a7z

NV A. D. & ZONEN, machinebouw, met zetel te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer …,

eiseres,

vertegenwoordigd door en pleitend Mr. S. H. loco Mr. J. S., beiden advocaat te …, …, (ref. …)

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, administratie der BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de heer Ontvanger van het 2e BTW­ontvangkantoor te Kortrijk, wiens kantoren gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31, de heer Hoofdcontroleur der BTW te Harelbeke, wiens kantoren gevestigd zijn te 8530 Harelbeke, Kortrijksesteenweg 2,

verweerder,

vertegenwoordigd door en pleitend Mr. F. W., advocaat te …, …, (ref. …).

en

In de zaak AR nr. 03/2188/A - a7z

NV M.T. I., verkoop en herstel tweedehandsmachines, met zetel te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer …,

eiseres,

vertegenwoordigd door en pleitend Mr. S. D., advocaat …, …, (ref. …)

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, administratie der BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de heer Ontvanger van het 1e BTW­ontvangkantoor te Kortrijk, wiens kantoren gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31, de heer Hoofdcontroleur der BTW te Waregem, wiens kantoren gevestigd zijn te 8790 Waregem, Het Pand 307,

verweerder,

vertegenwoordigd door en pleitend Mr. F. W., advocaat te …, …, (ref. …).

I. Relevante feitelijke gegevens

A. De NV A. D. en Zonen

1. De NV A. D. en Zonen produceert industriële machines en is derhalve BTW-belastingplichtige.

2. De Bijzondere Belastinginspectie stelde bij deze vennootschap een onderzoek in in verband met de toepassing van de wetgeving en de reglementering van de BTW.

De ambtenaren R. D. en F. L. gingen op 5 januari 1994 ter plaatse.

Zij namen tevens kennis van de verklaring van ambtenaar H. L.. Op 27 april 1993 had J. A. een schriftelijke verklaring afgegeven aan H. L., waarin hij stelde dat hij fictieve facturen opgemaakt en uitgereikt had aan de NV A. D. en Zonen.

Op 10 oktober 1995 namen de ambtenaren D. en L. kennis van het gerechtsdossier ten laste van de NV A. D. en Zonen.

Zij namen ook kennis van de door Y. D., gedelegeerd bestuurder van de NV A. D. en Zonen, en J. A. afgelegde verklaringen.

Op 30 oktober 1995 maakten zij proces-verbaal op.

De conclusie van dat proces-verbaal luidt :

"Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de NV D. A. en Zonen volgende sommen verschuldigd is aan de Belgische Staat, Administratie van de BTW, registratie en domeinen :

- als belasting over de toegevoegde waarde, de som van … BEF [thans … euro];

- als boete op grond van artikelen 70, § 1bis van het BTW-Wetboek een som gelijk aan tweemaal de verschuldigde belasting : … BEF [thans … euro].

Bij toepassing van artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987, achteraf gewijzigd, wordt die boete niet verminderd ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken;

- de intresten bedoeld in en te berekenen overeenkomstig artikel 91, § 1 van het BTW-Wetboek vanaf 21 januari 1993.".

Op 24 november 1995 werd een dwangbevel uitgevaardigd.

Op 30 november 1995 werd het dwangbevel uitvoerbaar verklaard.

Op 1 december 1995 werd het dwangbevel betekend met deurwaardersexploot.

3. In de boekhouding van de NV A. D. en Zonen werden eveneens facturen aangetroffen van M. B..

De NV A. D. en Zonen gaf toe dat deze facturen vals waren.

Op 22 mei 1995 sloten de administratie en de NV A. D. en Zonen hieromtrent een akkoord.

B. De NV M.T. I..

1. De NV M.T. I. drijft handel en herstelt tweedehands machines en is derhalve BTW-belastingplichtige.

2. De Bijzondere Belastinginspectie stelde bij deze vennootschap een onderzoek in verband met de toepassing van de wetgeving en de reglementering van de BTW.

De ambtenaren R. D. en F. L. gingen op 3 maart 1994 ter plaatse.

Zij namen tevens kennis van de verklaring van ambtenaar H. L.., J. A. had hem verklaard dat hij fictieve facturen opgesteld en uitgereikt had aan de NV M.T. I..

Op 10 oktober 1995 namen zij kennis van het gerechtsdossier ten laste van de NV M.T. I..

Zij namen ook kennis van de door M. T., gedelegeerd bestuurder van de NV M.T. I., en J. A. afgelegde verklaringen.

Op 29 februari 1996 maakten zij proces-verbaal op.

De conclusie van dat proces-verbaal luidt :

"Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de NV M.T. I., voornoemd, wegens het toepassen van onrechtmatige aftrek van BTW, volgende sommen verschuldigd is aan de Belgische Staat, Administratie van de BTW, registratie en domeinen :

- als belasting over de toegevoegde waarde, de som van … BEF [thans … euro];

- als boete op grond van artikelen 70, § 1bis van het BTW Wetboek een som gelijk aan tweemaal de verschuldigde belasting : … BEF [thans … euro].

Bij toepassing van artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987, achteraf gewijzigd, wordt die boete niet verminderd ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken;

- de intresten bedoeld in en te berekenen overeenkomstig artikel 91, § 1 van het BTW Wetboek vanaf 21 januari 1993.".

Op 13 maart 1996 werd een dwangbevel opgemaakt.

Op 28 maart 1996 werd het dwangbevel uitvoerbaar verklaard.

Op 29 maart 1996 werd het dwangbevel ter kennisgeving verstuurd per aangetekende brief.

3. ln de boekhouding van de NV M.T. I. werden eveneens facturen aangetroffen van M. B..

De NV M.T. I. gaf toe dat deze facturen vals waren.

De administratie en de NV M.T. I. sloten hieromtrent een akkoord.

C. Gemeenschappelijke gegevens.

1. De NV A. D. en Zonen en de NV M.T. I. zijn zustervennootschappen.

2. Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Brugge van 30 juni 1997 werd J. A. veroordeeld wegens het opmaken van fictieve facturen voor de BVBA I.T.B.

3. Bij brief van 3 mei 2002 liet de substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden weten dat zijn ambt beslist had het dossier ten laste van de NV A. D. en Zonen en de NV M.T. I. zonder gevolg te rangschikken.

Hij schreef : "Er zijn onvoldoende bewijzen van valsheid, wat betreft de tenlastelegging van het opmaken van valse facturen door A. J., destijds gevestigd te …, ten behoeve van de firma A. D. en Zonen, naamloze vennootschap, met zetel te … (…), met als gedelegeerd-bestuurders D. I. en D. S., en respectievelijk ten behoeve van de firma M.T. I., naamloze vennootschap, voorheen genoemd D. I., gevestigd te … (…), met als gedelegeerd-bestuurder T. M..".

II. Vorderingen en standpunten

A. De zaak de NV A. D. en Zonen tegen de Belgische Staat.

1. De NV A. D. en Zonen.

a. Bij dagvaarding op 11 december 1995 betekend aan de Belgische Staat leidde de NV A. D. en Zonen de zaak in en stelde zij haar vordering.

b. Bij cocclusie neergelegd ter griffie op 24 februari 1997 breidde zij haar vordering uit.

c. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 16 juli 2003 wijzigde zij haar vordering.

d. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 13 april 2004 breidde zij haar vordering nogmaals uit.

Zij vordert thans :

- het verzet-dagvaarding ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- rechtdoende het dwangbevel lastens haar van 24 november 1995 nietig, minstens onwettelijk en/of ongegrond te verklaren;

- te zeggen voor recht dat het dwangbevel en de betekening ervan geen enkel gevolg mogen hebben;

- minstens kwijtschelding, dan wel aanzienlijke vermindering te bevelen van de opgelegde administratieve boete van 200 %;

- ondergeschikt te zeggen voor recht dat de invordering van de BTW en toebehoren inmiddels is verjaard;

- de terugbetaling te bevelen van alle sommen die werden betaald of op eender welke wijze werden achtergehouden of gecompenseerd, vermeerderd met de wettelijk bepaalde interesten;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, spijt elke voorziening en zonder borgstelling of kantonnement.

2. De Belgische Staat

a. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 20 mei 1996 nam de Belgische Staat een standpunt in ten opzichte van de vordering.

b. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 17 december 2002 handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

c. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 28 augustus 2003 handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

d. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 16 juni 2004 handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

De Belgische Staat vraagt :

- het verzet van de NV A. D. en Zonen af te wijzen als zijnde ongegrond;

- haar te veroordelen tot de kosten van het geding.

B. De zaak de NV M.T. I. tegen de Belgische Staat

1. De NV M.T. I..

a. Bij dagvaarding op 5 april 1996 betekend aan de Belgische Staat leidde de NV M.T. I. de zaak in en stelde zij haar vordering.

b. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 22 januari 1997 breidde zij haar vordering uit.

c. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 21 augustus 1997 handhaafde zij haar vordering.

d. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 16 juli 2003 breidde zij haar vordering nogmaals uit.

e. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 14 april 2004 handhaafde zij haar vordering.

Zij vordert thans :

- het verzet-dagvaarding ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- rechtdoende het dwangbevel lastens haar van 13 maart 1996 nietig, minstens onwettelijk en/of ongegrond te verklaren;

- te zeggen voor recht dat het dwangbevel en de betekening ervan geen enkel gevolg mogen hebben;

- ondergeschikt de kwijtschelding, minstens de aanzienlijke vermindering te bevelen van de opgelegde administratieve boete van 200 %;

- de terugbetaling te bevelen van alle sommen die werden betaald of op eender welke wijze werden achtergehouden of gecompenseerd, vermeerderd met de wettelijk bepaalde interesten;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding;

- het vonnis uitvoerbaar te verklaren, spijt elke voorziening en zonder borgstelling of kantonnement.

2. De Belgische Staat

a. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 2 augustus 1996 nam de Belgische Staat een standpunt in ten opzichte van de vordering.

b. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 5 mei 1997 handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

c. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 17 december 2002 handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

d. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 28 augustus 2003 handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

e. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 16 juni 2004 handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

De Belgische Staat vraagt :

- het verzet van de NV M.T. I. af te wijzen als zijnde ongegrond;

- haar te veroordelen tot de kosten van het geding.

III. Procedure

A. De zaak de NV A. D. en Zonen tegen de Belgische Staat.

Mr. S. H. in de plaats van Mr. J. S. voor de NV A. D. en Zonen en Mr. F. W. voor de Belgische Staat verschenen in openbare terechtzitting.

De raadslieden zetten de zaak uiteen.

De debatten werden gesloten.

De raadslieden legden elk een dossier neer.

De zaak werd in beraad genomen.

De stukken werden ingezien.

B. De zaak de NV M.T. I. tegen de Belgische Staat

Mr. S. D. voor de NV M.T. I. en Mr. F. W. voor de Belgische Staat verschenen in openbare terechtzitting.

De raadslieden zetten de zaak uiteen.

De debatten werden gesloten.

De raadslieden legden elk een dossier neer.

De zaak werd in beraad genomen.

De stukken werden ingezien.

IV. Argumentatie van de partijen

A. De zaak de NV A. D. en Zonen tegen de Belgische Staat.

1. De NV A. D. en Zonen.

Op 13 april 2004 legde de NV A. D. en Zonen een syntheseconclusie neer.

De argumentatie in deze conclusie kan samengevat worden als volgt:

a. Voeging wegens samenhang.

De concluante vraagt de voeging wegens samenhang van deze zaak met de zaak tussen de NV M.T. I. en de Belgische Staat.

b. Verjaring van de vordering.

De concluante drukt een voorbehoud uit inzake de verjaring van de vordering tot voldoening van de BTW

c. Wat betreft de schending van de rechten van verdediging.

De concluante doet afstand van haar grief van schending van de rechten van verdediging.

d. Wat betreft de rechtsgeldigheid van de inzage in het strafdossier.

De concluante meent dat de Belgische Staat niet aantoont dat zijn ambtenaren op rechtsgeldige wijze inzage genomen hebben van het strafdossier.

e. Wat betreft de bewijswaarde van de elementen uit het strafdossier.

De concluante stelt dat de administratie zich niet kan steunen op elementen van het strafdossier, omdat de strafzaak zonder gevolg gerangschikt werd op grond van de motivering dat er onvoldoende bewijzen van valsheid zijn.

f. Wat betreft de realiteit van de prestaties van J. A..

i. De bewijslast.

De concluante meent dat de administratie vraagt een onmogelijk bewijs te leveren.

ii. Indirect bewijs van de realiteit van de prestaties.

De concluante houdt voor dat de realiteit van de prestaties van J. A. bevestigd wordt door het bestaan van de facturen.

Zij verwijst naar artikel 25, 2 ° W. Kh.

iii. De elementen van de administratie.

> De verklaring van J. A. van 27 april 1993.

Volgens de concluante mag er niet al te veel geloof gehecht worden aan de verklaring van J. A. van 27 april 1993.

> De verklaringen afgelegd in het kader van het strafdossier.

Volgens de concluante valt het huidig dossier in geen geval te vergelijken met het dossier A. - I.T.B.

> De vermeende anomalieën in de facturaties en de betalingen.

De administratie tracht gelijkenissen aan te tonen met de facturen van J. A. gericht aan de BVBA I.T.B. en de facturen van M. B. aan de concluante.

De concluante meent dat de administratie deze elementen niet zonder meer kan toepassen in de voorliggende situatie.

g. Wat betreft de aftrek van de BTW

i. Algemeen.

De BTW in hoofde van de actoren van het productie- en distributieproces is in beginsel neutraal.

ii. Bestemmingsbeginsel.

De concluante houdt voor dat er in casu geen betwisting kan bestaan omtrent de bestemming van de door J. A. gepresteerde diensten.

iii. Beperkingen aan het recht op aftrek.

De concluante stelt dat, gelet op het onbetwist beroepsmatig karakter van de diensten die door J. A. werden geleverd, de aftrek van BTW aan haar niet kan worden geweigerd op grond van één van de beperkingen die in de BTW-wetgeving werden opgenomen in uitvoering van artikel 17, zesde lid van de Zesde BTW-Richtlijn.

iv. Schending van het neutraliteitsbeginsel

De concluante houdt voor dat, indien de administratie de aftrek van BTW in haar hoofde zou verwerpen, dan moet worden vastgesteld dat de administratie het neutraliteitsbeginsel van de BTW niet eerbiedigt.

h. Wat betreft de boete van 200 %.

i. Gebrek aan bewijs van het bedrieglijk opzet - schending van artikel 70 W.BTW - onwettige verlegging van de bewijslast - opportuniteitsbeoordeling.

De concluante stelt dat de fiscus faalt in de bewijslast van het bedrieglijk opzet.

De hoegrootheid van de boete, namelijk 200 %, bevestigt het strafrechtelijk karakter.

De Rechtbank is bevoegd om de opportuniteit van de boete te beoordelen.

De rechter kan de opgelegde boete verminderen op grond van loutere opportuniteitsredenen.

ii. Schending van artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986.

De concluante houdt voor dat een opsomming van de feiten en een algemene verwijzing naar het artikel 1, laatste lid K.B. nr. 41 geen voldoende motivering inhouden in de zin van artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986.

De sanctie op de gebrekkige motivering is de nietigheid van de opgelegde sanctie.

iii. Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.

De concluante meent dat de loutere verwijzing naar een wetsartikel geen voldoende motivering is in de zin van de wet van 29 juli 1991.

Ook hier is de sanctie de nietigheid van de boete.

iv. Beoordeling in concreto.

De concluante verzoekt in ondergeschikte orde om kwijtschelding, minstens aanzienlijke vermindering, van de opgelegde boete van 200 %. Bij de beoordeling moet naar mening van de concluante rekening gehouden worden met het feit dat er door haar een dading werd afgesloten omtrent de facturen van M. B. en dat door de administratie in dit geval slechts een administratieve boete van 50 % werd opgelegd.

2. De Belgische Staat.

De Belgische Staat antwoordde op de syntheseconclusie van de NV A. D. en Zonen in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 16 juni 2004.

De argumentatie in deze conclusie kan samengevat worden als volgt.

a. Voeging.

Ook de Belgische Staat acht het aangewezen om onderhavig dossier samen te behandelen met het dossier van het zusterbedrijf NV M.T. I..

b. Verjaring van de vordering.

De Belgische Staat houdt voor dat de wetgever uitdrukkelijk bepaald heeft dat er in casu geen verjaring kan intreden.

c. Wat betreft de schending van de rechten van verdediging.

De Belgische Staat neemt akte van de afstand van de grief.

d. De rechtsgeldigheid van de inzage in het strafdossier.

De Belgische Staat stelt dat de machtiging tot inzage en kopiename vanwege de Procureur - die niet op naam is / hoeft te zijn - terecht overhandigd werd aan de controlerende ambtenaar F. L.. Het inzagerecht is geen exclusieve bevoegdheid voor de Inspecteur­diensthoofd.

e. De bewijswaarde van de elementen uit het strafdossier.

De Belgische Staat houdt voor dat het feit dat de strafrechter niet geoordeeld heeft over de grond van de zaak, geen afbreuk doet aan het recht van de fiscus om gebruik te maken van de gegevens die tijdens het eerste strafonderzoek ontdekt werden.

f. Wat betreft de realiteit van de prestaties van J. A..

i. Algemeen.

De Belgische Staat stelt dat er mag worden aangenomen dat machines moeten worden ontvet en herschilderd alvorens ze tweedehands kunnen worden verkocht.

Nochtans beschikt de NV A. D. en Zonen zelf over personeel en de werkruimte om deze werken uit te voeren.

ii. Indirect bewijs van de realiteit van de prestaties.

De Belgische Staat houdt voor dat de verwijzing naar artikel 25, 2° W. Kh. totaal irrelevant is, vermits dit slaat op de relatie tussen kooplieden onderling.

Dat de facturen werden aanvaard door de NV A. D. en Zonen, is logisch, gezien de intentie om zich langs deze weg te verrijken.

iii. De elementen van de administratie.

> De verklaring van J. A. van 27 april 1993.

De Belgische Staat stelt dat de argumenten van de NV A. D. irrelevant zijn en hem niet kunnen vrijpleiten.

> De verklaringen afgelegd in het kader van het strafdossier.

De Belgische Staat stelt dat hij in casu een geheel van gewichtige en overeenstemmende vermoedens kan aanbrengen die wijzen op het fictief karakter van de voorgelegde facturen.

> De 'vermeende' anomalieën in de facturaties en de betalingen.

De Belgische Staat werpt een aantal vragen op.

De NV A. D. moet hierop het antwoord schuldig blijven.

g. Wat betreft de aftrek van de BTW

i. Algemeen.

De Belgische Staat stelt dat er slechts sprake kan zijn van enig recht op aftrek van de voorbelasting in de mate dat de facturen beantwoorden aan effectief verrichte prestaties.

ii. Bestemmingsbeginsel.

De Belgische Staat vraagt hoe de NV A. D. en Zonen kan beweren dat er geen twijfel kan bestaan omtrent de bestemming van de door J. A. gepresteerde diensten, als er al ernstig betwist wordt of er ooit wel diensten gepresteerd werden door deze.

iii. Beperkingen aan het recht op aftrek.

De Belgische Staat houdt voor dat de uitsluiting voor privé- of andere dan beroepsdoeleinden hier niet aan de orde is, wel het bestaan van effectief geleverde prestaties.

iv. 'Schending van het neutraliteitsbeginsel'.

De Belgische Staat stelt dat de Schatkist wel degelijk schade geleden heeft door de praktijken van de betrokken partijen.

h. Wat betreft de boete van 200 %.

i. Algemeen.

De Belgische Staat blijft erbij dat er wel degelijk sprake is van bedrieglijk opzet.

ii. 'Schending van artikel 70 W.BTW - onwettige verlegging van de bewijslast - opportuniteitsbeoordeling'.

De Belgische Staat stelt dat de boete van 200 % de lege verschuldigd is op grond van artikel 70, § 1bis W.BTW.

De Belgische Staat citeert een arrest van het Hof van Cassatie van 24 januari 2002 :

"... Dit toetsingsrecht houdt echter niet in dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen de wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen."

iii. 'Schending van artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986'.

De Belgische Staat meent dat met het proces-verbaal van 30/10/1995 wel degelijk voldaan is aan de vereiste motivering van de opgelegde wettelijke geldboete.

iv. Beoordeling in concreto.

De Belgische Staat stelt dat een dergelijke benadeling van de Schatkist (zonder minnelijk akkoord) niet eenzelfde 'gunsttarief' inzake administratieve geldboete kan genieten als bij de fictieve facturen van B..

B. De zaak de NV M.T. I. tegen de Belgische Staat.

1. De NV M.T. I..

a. Op 16 juli 2003 legde de NV M.T. I. een syntheseconclusie neer.

Voor de weergave van de argumentatie in de syntheseconclusie van de NV M.T. I. wordt verwezen naar de weergave hierboven van de argumentatie in de syntheseconclusie van de NV A. D. en Zonen.

De syntheseconclusie van de NV M.T. I. is immers bijna identiek als de syntheseconclusie van de NV A. D. en Zonen.

Wel wordt de exceptie van verjaring van de vordering van de BTW niet opgeworpen in de syntheseconclusie van de NV M.T. I..

b. In de conclusie van de NV M.T. I. neergelegd ter griffie op 14 april 2004 wordt verder ingegaan op het feit dat de strafzaak zonder gevolg geklasseerd werd.

2. De Belgische Staat.

De Belgische Staat antwoordde op de syntheseconclusie van de NV M.T. I. in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 28 augustus 2003.

Voor de weergave van de argumentatie in de conclusie van de Belgische Staat neergelegd ter griffie op 28 augustus 2003 in deze zaak wordt verwezen naar de weergave hierboven van de argumentatie in de conclusie van de Belgische Staat neergelegd ter griffie op 16 juni 2004 in de zaak tussen de NV A. D. en Zonen en de Belgische Staat.

De argumentatie van de Belgische Staat in de conclusie neergelegd ter griffie op 28 augustus 2003 in de zaak tussen de NV M.T. I. en de Belgische Staat is immers in grote lijnen dezelfde als in de conclusie neergelegd ter griffie op 16 juni 2004 in de zaak tussen de NV A. D. en Zonen en de Belgische Staat.

V. Beoordeling

A. Voeging

1. Voor een goede rechtsbedeling worden de zaken A.R. 03/2189/A de NV A. D. en Zonen tegen de Belgische Staat en A.R. 03/2188/A de NV M.T. I. tegen de Belgische Staat gevoegd.

2. De beide zaken worden samen beoordeeld.

Hierbij wordt zoveel mogelijk dezelfde volgorde gevolgd als van de argumentatie van de eisende partijen in hun syntheseconclusies.

Herhaald wordt dat de exceptie van verjaring van de vordering van de BTW enkel opgeworpen wordt in de zaak de NV A. D. en Zonen tegen de Belgische Staat en niet in de zaak de NV M.T. I. tegen de Belgische Staat.

B. Verjaring van de vordering van de BTW

1. De vordering van de BTW tegen de NV A. D. en Zonen is niet verjaard.

2. Het toenmalig artikel 83 van het Wetboek van BTW bepaalde onder meer :

"Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen 5 jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is."

Er is een rechtsgeding hangend.

3. Het zou trouwens geen evenwichtige regeling zijn, indien een geding enerzijds wel de invordering zou beletten, maar anderzijds de verjaring niet schorsen.

4. Overigens drukt de NV A. D. en Zonen wel een voorbehoud uit, maar stelt zij niet formeel dat de vordering verjaard is.

C. Schending van de rechten van verdediging

De Rechtbank neemt akte van de afstand van de grief van schending van de rechten van verdediging door de beide vennootschappen.

D. Rechtsgeldigheid van de inzage in en kopiename van het strafdossier.

1. De inzage in en de kopiename van het strafdossier gebeurden rechtsgeldig.

F. L. mocht inzage nemen van het strafdossier.

2. De brief van de Procureur-Generaal van 27 september 1995 vermeldt onder meer :

"In antwoord op uw bovenvermelde brief heb ik de eer u te laten weten dat mijn ambt aan een door u aan te duiden ambtenaar van uw administratie de toelating verleent tot inzage en kopiename van het strafdossier ...".

Deze formulering belet niet dat de gewestelijke directeur de aanduiding van de ambtenaar die inzage kon nemen van het strafdossier, delegeert.

3. Overigens tonen de eisende partijen niet aan dat hun belangen geschaad werden door het feit dat het F. L. was die het strafdossier ingezien heeft.

E. De seponering van het strafdossier.

De Rechtbank is niet gebonden door de beslissing van de substituut­procureur des Konings tot seponering van het strafdossier.

De Rechtbank kan autonoom beslissen of er fictieve facturen opgemaakt werden.

De beslissing tot seponering van het Openbaar Ministerie heeft geen gezag van gewijsde.

F. De realiteit van de prestaties van J. A..

1. De verklaringen van J. A..

a. De Rechtbank is van oordeel - mede rekening houdend met de overige elementen van de beide zaken, die hieronder besproken worden - dat de verklaringen van J. A. met de werkelijkheid overeenstemmen.

b. Men ziet hoegenaamd niet in waarom J. A. ten onrechte zichzelf zou beschuldigen van valsheid in geschrifte, een misdrijf waarop een gevangenisstraf tot 5 jaar en/of een forse geldboete staan.

c. De eisende partijen geven geen valabele argumenten aan waarom de verklaringen van J. A. niet zouden overeenstemmen met de werkelijkheid.

De Rechtbank hecht geen geloof aan de suggestie van de eisende partijen dat J. A. onder druk gezet werd door de administratie om deze verklaringen af te leggen.

2. Bijkomende elementen.

a. Er zijn nog een reeks andere elementen die in dezelfde zin wijzen als de verklaringen van J. A..

Elk afzonderlijk vormen deze elementen geen doorslaggevend bewijs, maar samen zijn het gewichtige en overeenstemmende vermoedens die de geloofwaardigheid van de verklaringen van J. A. ondersteunen.

b. J. A. werd bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Brugge van 30 juni 1997 veroordeeld wegens het opmaken van fictieve facturen voor de BVBA I.T.B.

Dit feit op zich bewijst niet dat J. A. fictieve facturen opgemaakt heeft voor de eisende partijen, maar het wijst er wel op dat hij in het verleden reeds dergelijke praktijken toegepast heeft.

c. M. B. heeft fictieve facturen opgemaakt en uitgereikt aan de eisende partijen.

Dit feit op zich bewijst niet dat de eisende partijen fictieve facturen van J. A. ontvangen hebben, maar het wijst er wel op dat de eisende partijen in het verleden reeds aan dergelijke praktijken meegewerkt hebben.

d. Men vraagt zich af waarom de eisende partijen J. A. telkens per cheque betaalden (zie verklaring van I. D. van 1 maart 1995).

e. Men vraagt zich af waarom I. D. met J. A. meeging naar het bankkantoor om de cheques te innen (zie verklaring van I. D. van 1 maart 1995).

f. Nog een aantal andere elementen komen eveneens eigenaardig over :

- de eisende partijen kunnen - naast de facturen- geen enkel geschrift (contract, offertes, prestatiestaten, kladnotities, ...) voorleggen in verband met de zogezegde door J. A. of zijn aangestelden verrichte prestaties;

- meerdere facturen werden dezelfde dag opgesteld;

- er werd meer gefactureerd dan er praktisch gezien gepresteerd kon zijn;

- de nummering van een aantal facturen is onregelmatig;

- wie voerde er de vermeende prestaties van de aangestelden van J. A. uit vóór december 1990 en ná maart 1992 ?

De Rechtbank stelt vast dat de eisende partijen deze elementen niet met valabele argumenten beantwoorden.

3. De bewijskracht van de facturen.

a. De verwijzing van de eisende partijen naar artikel 25, 2° W. Kh. vormt geen element dat het reëel karakter van de prestaties van J. A. aantoont.

Zelfs in de veronderstelling dat het toepassingsgebied van artikel 25, 2° W. Kh. verruimd wordt tot dienstverrichtingen, is dat artikel hier niet relevant (zie E. DIRIX en G.L. BALLON, Factuur, in A.P.R., nr. 187 en volgende). Een aanvaarde factuur vormt enkel een bewijs van de overeenkomst tussen de partijen - de leverancier, bij uitbreiding de dienstverrichter (hier J. A.), en de cliënt (hier de eisende partijen) -, maar niet ten opzichte van derden (hier de administratie).

b. Het feit dat beroepsuitgaven ten opzichte van de administratie bewezen kunnen worden door middel van facturen, is hier evenmin relevant (zie E. DIRIX en G.L BALLON, l.c., nr. 324).

Om als bewijsstuk in de zin van artikel 49 WIB in aanmerking te komen, is op de eerste plaats vereist dat de factuur regelmatig is.

Hier staat de regelmatigheid van de facturen van J. A. juist ter discussie.

Daarenboven gaan de voorliggende zaken over de aftrekbaarheid van de BTW en niet over de aftrekbaarheid van beroepsuitgaven.

4. Besluit.

Op grond van de verklaringen van J. A. en de overige hierboven uiteengezette overeenstemmende elementen, die de verklaringen van J. A. ondersteunen, komt de Rechtbank tot het besluit dat de kwestieuze facturen van J. A. fictieve facturen zijn.

G. De aftrek van de BTW

Het argument van de eisende partijen dat zij de BTW mogen aftrekken, omdat J. A. de BTW betaald heeft, wordt door de Rechtbank niet aanvaard.

Artikel 45, § 1 W.BTW bepaalt onder meer :

"Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem ... verleende diensten ...".

In de beide zaken is niet voldaan aan artikel 45, § 1 W.BTW.

Zoals hierboven gesteld, is de Rechtbank van oordeel dat de facturen van J. A. fictieve facturen zijn. Dat houdt in dat J. A. noch zijn aangestelden diensten verricht hebben voor de eisende partijen. Uit artikel 45, § 1 W.BTW moet daarentegen afgeleid worden dat de aftrek enkel toegestaan is voor effectief verrichte diensten.

Overigens heeft J. A. niet alle BTW op zijn facturen afgedragen aan de Staat (zie syntheseconclusie NV A. D. en Zonen, p. 13 en p. 19).

H. De geldboeten.

1. De geldboeten worden in de beide zaken verminderd tot 50 % van de verschuldigde BTW

2. Het is thans verworven in de rechtspraak en de rechtsleer dat administratieve geldboeten van 200 % een repressief karakter hebben en door de Rechtbank beoordeeld en desgevallend verminderd kunnen worden.

3. De motivering van de boeten is weliswaar beknopt, doch voldoende.

In de gegeven omstandigheden volstaat een verwijzing naar artikel 1, laatste lid van het K.B. nr. 41.

De overtredingen werden inderdaad begaan met het oogmerk de belastingen te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

4. Bij de bepaling van de omvang van de boeten wordt rekening gehouden enerzijds met de overdreven omvang van de initiële boeten en anderzijds met het frauduleus karakter van de overtredingen.

Overigens hebben de beide eisende partijen zich bij de fictieve facturen van M. B. akkoord verklaard met boeten van 50 %.

I. Algemeen besluit.

1. In de beide zaken zijn de eisende partijen de (volledige) BTW verschuldigd aan de Belgische Staat.

De vorderingen van de eisende partijen zijn op dat punt ongegrond.

2. In de beide zaken worden de geldboeten verminderd tot 50 % van de verschuldigde BTW.

De vorderingen van de eisende partijen zijn op dat punt gedeeltelijk gegrond.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende op tegenspraak,

Gelet op de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Voegt de zaken A.R. 03/2189/A de NV A. D. en Zonen tegen de Belgische Staat en A.R. 03/2188/A de NV M.T. I. tegen de Belgische Staat.

Verklaart het verzet van de NV A. D. en Zonen ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Hervormt het dwangbevel, uitgevaardigd op 24 november 1995 door E. B., ontvanger van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30 november 1995 door J. P., inspecteur te Brugge, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge, als volgt.

Zegt dat de NV A. D. en Zonen verschuldigd is aan de Belgische Staat, administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen :

- BTW : … (…) [voorheen … BEF];

- geldboete : … (…) [voorheen … BEF];

- de interest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 1993;

- de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van het dwangbevel;

- de vervolgingskosten.

Verklaart het verzet van de NV M.T. I. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Hervormt het dwangbevel, uitgevaardigd op 13 maart 1996 door P. L., ontvanger van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 28 maart 1996 door J. P., inspecteur te Brugge, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge, als volgt.

Zegt dat de NV M.T. I. verschuldigd is aan de Belgische Staat, administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen :

- BTW : … EURO (…) [voorheen … BEF];

- geldboete : … EURO (…) [voorheen … BEF];

- de interest van 0,80 procent per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 1993;

- de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboete die loopt vanaf de kennisgeving / betekening van het dwangbevel;

- de vervolgingskosten.

Zegt dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het gerechtsgebouw I te Kortrijk in openbare terechtzitting op ACHTTIEN APRIL TWEEDUIZEND EN VIJF.

Aanwezig :

C. V., alleenzetelend rechter,

I. D., e.a. adjunct-griffier.

I. D. C. V.

Textes cités

4
AR no 41 art. 14 occurrences
CTVA art. 702 occurrences
CTVA art. 912 occurrences

Décisions similaires

8