Parcours procédural
2 étapes · 1 an 6 mois- Décision affichéeTribunal de première instance de Hasselt06.10.2010
- Décision sur appelCour d'appel d'Anvers17.04.2012
Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Hasselt du 06.10.2010
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER D, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR nr. 06/353/A
C. S. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, … en met exploitatiezetel te …, …, met ondernemingsnummer ….
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. B. A. loco mr. L. S., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 21.
ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de heer eerstaanwezend inspecteur van het tweede BTW-Ontvangkantoorte Hasselt, van wie het kantoor gevestigd is te 3500 Hasselt, Voorstraat43 bus 47.
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. O. M. loco mr. R. F., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het exploot van gerechtsdeurwaarder D. P. loco G. M., gerechtsdeurwaarder te …, van 20.01.2006 waarbij eiseres verzet heeft aangetekend tegen een dwangbevel van 15.12.2005;
- de besluiten, synthese besluiten en stukken van verweerder;
- de besluiten en stukken van eiseres.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN
1. Eiseres is sedert 01.10.1989 geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW-nummer … wegens de vervaardiging en verkoop van metalen constructiewerken.
2. Op 24.02.2005 startte het AOIF, controlecentrum Tongeren-Genk, een onderzoek bij eiseres met betrekking tot de jaren 2202 en 2003. Het nazicht was bedoeld om de echtheid vaneen aantal facturen te controleren uitgereikt door de NV H., de NV L. en de NV M.L.T. aan eiseres; deze laatste heeft de BTW op die facturen integraal in aftrek gebracht.
Achteraf werd de onderzoeksperiode uitgebreid tot de jaren 2000 en 2001. Hiertoe heeft de controlerende ambtenaar in toepassing van art. 84ter oud W.BTW, eiseres per aangetekende brief van 24.08.2005 in kennis gesteld van het voornemen om toepassing te maken van de verjaringstermijn van 5 jaar, zoals bepaald in art. 81bis oud W.BTW.
3. Er werd door de diensten van het AOIF, controlecentrum Tongeren-Genk op 08.12.2005 een proces-verbaal opgemaakt in verband met het recht op aftrek van BTW.
Het recht op aftrek van BTW wordt verworpen omdat eiseres niet kan bewijzen dat de door NV H., de NV L. en de NV M.L.T. gefactureerde diensten werkelijk hebben plaatsgevonden.
Er werd gesteld dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd is :
- 5.747,98 euro BTW;
- 11.495,96 euro aan administratieve geldboete gelijk aan het dubbel van de BTW in toepassing van art. 70, § 1bis W.BTW en art. 1 van het KB nr. 41 van 30.01.1987;
- de intresten bedoeld in en te berekenen volgens art. 91 W.BTW over de BTW vanaf 21.01.2004.
4. Op 15.12.2005 werd dan een dwangbevel uitgevaardigd dat op 28.12.2005 aan eiseres werd betekend per deurwaardersexploot.
In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de betekening van het dwangbevel overeenkomstig art. 91, § 4 W.BTW en de vervolgingskosten.
5. Bij het exploot van gerechtsdeurwaarder D. P. loco G. M., gerechtsdeurwaarder te …, van 20.01.2006 heeft eiseres verzet aangetekend tegen een dwangbevel van 15.12.2005.
II. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
2.1. Aangaande de toepassing van art. 84ter W.BTW
1. Art. 84ter W.BTW bepaalt dat indien de administratie voornemens is de verjaringstermijn bepaald in art. 81bis (oud), § 1, tweede lid W.BTW toe te passen, zij op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis moet geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.
Eiseres houdt voor dat verweerder niet aan deze voorwaarden heeft voldaan omdat :
- de kennisgeving niet voorafgaand aan iedere onderzoeksdaad is gebeurd;
- er geen nauwkeurige aanwijzingen van fraude zijn.
2. De rechtbank stelt vast dat het fiscale onderzoek door het Controlecentrum Tongeren-Genk initieel werd aangevat met betrekking tot de jaren 2002 en 2003. Dit onderzoek werd aangekondigd bij brief van 24.01.2005 (zie stuk 17, bundel verweerder), gevolgd door een plaatsbezoek op 24.02.2005.
De in art. 84ter W.BTW bedoelde voorafgaandelijke kennisgeving, waarbij eiseres in kennis werd gesteld van het voornemen van de administratie om toepassing te maken van de in art. 81bis (oud), § 1, tweede lid W.BTW bedoelde verjaringstermijn van vijf jaar werd op 24.08.2005 verzonden (zie stuk 5, bundel verweerder), gevolgd door een plaatsbezoek op 14.09.2005.
Terecht stelt verweerder dat de onderzoeksverrichtingen voor 24.08.2005 door het Controlecentrum Tongeren-Genk enkel betrekking hadden op de jaren 2002 en 2003.
Ten onrechte houdt eiseres. voor dat de BBI onderzoeksdaden zou ,hebben gesteld voor iedere kennisgeving. De BBI heeft geen onderzoeksdaden gesteld bij eiseres. De BBI heeft enkel onderzoeksdaden gesteld in het dossier van de NV H. en andere firma's waarvan de heer H. G. zich sedert 1997 heeft bezig gehouden.
Verder motiveert verweerder terecht dat de voorafgaande kennisgeving inzake BTW niet de onderzoeksdaad maar de rechtzetting dient vooraf te gaan.
3. Verder is de rechtbank van oordeel dat de kennisgeving overeenkomstig art. 84ter W.BTW van 24.08.2005 wel degelijk nauwkeurige aanwijzingen van fraude bevat.
Vermoedens van belastingontduiking tegen de betrokkene in de periode zijn voldoende; er dienen niet reeds bewijzen voorhanden te zijn van belastingontduiking.
2.2 Aangaande de bewijswaarde van het proces-verbaal van 08.12.2005
De materiële vaststellingen die zijn geschied door de controle-ambtenaren hebben door hun opname ervan in het proces-verbaal van 08.12.2005 de in art. 59, § 1 in fine W.BTW bepaalde bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
De in het proces-verbaal van 08.12.2005 opgenomen vermeldingen omtrent de door de controle-ambtenaar tijdens het onderzoek ter plaatse gedane vaststellingen in verband met de boekhouding van eiseres, in verband met de in deze boekhouding aangetroffen betwiste facturen en andere stukken, in verband met het niet aanwezig zijn in de boekhouding van andere stukken die de op de betwiste facturen vermelde gegevens staven, in verband met de bekomen inlichtingen uit een BBI-onderzoek en een gerechtelijk onderzoek lastens de heer H. en een aantal firma's, genieten dan ook bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
Door eiseres wordt niet het minste bewijs van het tegendeel geleverd van dein het proces-verbaal opgenomen vaststellingen, zodat de juistheid en de waarachtigheid van de in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen dienen aanvaard te worden.
Deze bijzondere bewijskracht vaneen proces-verbaal geldt enkel voor wat de controle-ambtenaar persoonlijk heeft vastgesteld, de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen zullen evenwel moeten bewezen worden door de administratie d.m.v. de wettelijk toegestane bewijsmiddelen.
2.3. Aangaande het recht op aftrek van BTW
De betwisting behelst de vraag of eiseres over kon gaan tot aftrek van de BTW met betrekking tot de betwiste facturen uitgereikt door de NV H., NV L. en de NV M.L.T.
Krachtens het op huidig geschil van toepassing zijnde art. 45, § 1 W.BTW waarin het beginsel van het recht op aftrek is vastgelegd, mag de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten.
Opdat een belastingplichtige de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten zou mogen aftrekken, moet de belastingplichtige overeenkomstig art. 3 van het KB nr. 1 van 23.07.1969 in het bezit zijn van een door zijn leverancier of dienstverrichter uitgereikte regelmatige factuur waarop door hem inzonderheid de opeisbare belasting wordt in rekening gebracht.
Krachtens voormeld art. 3 van het KB nr. 3 van 10.12.1969 moet eiseres aldus, om haar recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig art. 2 van het KB nr. 1 van 23.07.1969.
De loutere overlegging van een factuur of van het bewijs van betaling levert op zichzelf niet het bewijs van de werkelijkheid van de verrichting en toont niet aan dat de wettelijke voorwaarden tot aftrek van de BTW vervuld zijn.
Uit het proces-verbaal van 08.12.2005, waarvan de vaststellingen door eiseres niet worden weerlegd, blijkt dat aan de wettelijke voorwaarden tot aftrek van de BTW niet voldaan zijn.
De rechtbank stelt vast dat, niettegenstaande de administratie eiseres de mogelijkheid heeft geboden om de werkelijkheid van de verrichtingen aan te tonen, eiseres geen nuttige verantwoordingsstukken heeft voorgelegd met betrekking tot de gepresteerde diensten.
Het feit dat voor de BTW-plichtige het recht op aftrek doet ontstaan is niet zozeer de factuur op zich maar de handeling die zijn leverancier/dienstverrichter schuldenaar heeft gemaakt. De formele voorwaarde, namelijk de vermelding van de belasting op de factuur is slechts ondergeschikt ten aanzien van de essentiële voorwaarde, namelijk de verwezenlijking van een handeling die aan de belasting is onderworpen.
Het bewijs dat hem goederen of diensten werden verstrekt, behoort door de belastingplichtige te worden geleverd (zie Gent, 24 juni 1988, BTW-Revue, nr. 84, p. 39).
De vordering van eiseres is derhalve ongegrond.
2.4. Aangaande de administratieve geldboete
Eiseres vordert dat de boete tot een minimum zou herleid worden gezien haar goede trouw.
De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete is regelmatig, met redenen omkleed en naar recht verantwoord.
In de gegeven omstandigheden is er dan ook geen reden om in te gaan op het verzoek van eiseres om de administratieve geldboete te verminderen.
De vordering van eiseres is ongegrond.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).
Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.
In casu wordt de in het dwangbevel gestelde fiscale vordering betwist.
Deze vordering is in geld waardeerbaar; nu beide partijen de rechtsplegingsvergoeding begroten op 1.200,00 euro wijkt de rechtbank van het basis bedrag.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak en na beraadslaging,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, vereffend in hoofde van verweerder op 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist te Hasselt op 06.10.2010, en aldaar in openbare terechtzitting van de elfde·kamer D, door de voorzitter van de kamer uitgesproken :
De Heer L. B., voorzitter van de kamer,
Mevrouw M. C., rechter,
Mevrouw V. M., rechter,
De Heer L. P., griffier.
L. P. V. M. M. C. L. B.
Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit vonnis, deze beschikking ten uitvoer zullen leggen;
Dat Onze procureurs-generaal en Onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;
Ten blijke waarvan dit vonnis, deze beschikking is ondertekend en gezegeld met het zegel van de rechtbank.
VOOR EENSLUIDENDE UITGIFTE, afgeleverd aan FOD Financiën, Adm. V. BTW, registratie en domeinen
Hasselt, 19 OKT. 2010
De griffier-hoofd van dienst,
PH. N.
Mr. R.
Minuut : 7 blz.
Kosten : vrij (art. 280, 1° en art. 162, 47° Wetboek Registratie).
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.