Parcours procédural
2 étapes · 1 an 6 mois- Décision attaquéeTribunal de première instance de Hasselt06.10.2010
- Décision affichéeCour d'appel d'Anvers17.04.2012
Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 17.04.2012
Résumé non fourni
Texte de l‘arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep Antwerpen, 6e kamer burgerlijke zaken – terechtzitting van 17.04.2012
2010/AR/3626
Fiscaal
Eindarrest
C. S. S. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven met KBO-nummer …,
eiseres in hoger beroep,
vertegenwoordigd door Mr. A. B. loco Mr. L. S., advocaat te …, …,
tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 06 oktober 2010
tegen :
1. BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, Minister van Financiën, te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,
2. DE BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN IN DE PERSOON VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN,2DE BTW-ONTVANGSTKANTOOR HASSELT, te 3500 HASSELT, Voorstraat 43,
verweerders in hoger beroep,
vertegenwoordigd door Mr. M. O. loco Mr. R. F., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 6 oktober 2010, dat aan eiseres in hoger beroep zou betekend zijn op 9 december 2010, doch waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 16 december 2010, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld.
1. De feiten
1.1. Eiseres in hoger beroep is ingevolge haar activiteit van vervaardiging en verkoop van metalen constructiewerken sedert 1 oktober 1989 geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder nummer ….
Op 24 februari 2005 start het AOIF, controlecentrum Tongeren-Genk, een onderzoek bij eiseres in hoger beroep met betrekking tot de jaren 2002 en 2003. Het onderzoek heeft voornamelijk betrekking op de echtheid van een aantal facturen aan eiseres in hoger beroep uitgereikt door de NV H., de NV L. en de NV M.L.T., waarbij eiseres in hoger beroep de BTW op deze facturen integraal in aftrek heeft gebracht.
Later wordt de onderzoeksperiode uitgebreid tot de jaren 2000 en 2001. Bij aangetekende brief van 24 augustus 2005 stelt de controlerende ambtenaar in toepassing van artikel 84ter oud W.BTW eiseres ervan in kennis dat de controle zal uitgebreid worden tot de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2001 omdat een onderzoek van de Bijzondere Belastinginspectie en een gerechtelijk onderzoek hebben uitgewezen dat er een ernstig vermoeden is dat bepaalde gefactureerde handelingen fictief zijn en dat de vastgestelde overtreding met bedrieglijk opzet werd begaan.
Op 8 december 2005 wordt een proces-verbaal opgesteld van de vastgestelde overtredingen. Deze overtredingen betreffen het ten onrechte in aftrek brengen van de BTW die door de firma's NV H., NV L. en M.L.T. in rekening werd gebracht op respectievelijk één, twee en drie in de loop van het jaar 2000 aan eiseres in hoger beroep uitgereikte facturen, waarvan niet het bewijs werd geleverd dat de gefactureerde leveringen van goederen en/of diensten werkelijk aan haar werden verricht. De aftrek wordt ook verworpen omdat de facturen één of meerdere belangrijke formele gebreken vertonen (o.m. wordt de datum van levering van de goederen en/of de datum waarop de dienst werd voltooid niet vermeld).
1.2. Op grond van dit proces-verbaal wordt op 15 december 2005 door D. S., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor van Hasselt, een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 15 december 2005 door de heer L. V., directeur, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Hasselt, wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Bij exploot van gerechtsdeurwaarder D. V., met kantoor te Hasselt, van 28 december 2005 wordt-het dwangbevel, samen met het proces-verbaal, aan eiseres in hoger beroep betekend.
Volgens dit dwangbevel is eiseres in hoger beroep volgende bedragen verschuldigd :
- € … als BTW
- € … als geldboete overeenkomstig artikel 70, § 1bis W.BTW
- de intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 december 2005 te vermeerderen met € … reeds vervallen intresten
- de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van het dwangbevel, ingevolge artikel 91, § 4 W.BTW
- de vervolgingskosten.
2. De voorafgaande rechtspleging
2.1. Bij dagvaarding in verzet van 20 januari 2006 vordert eiseres in hoger beroep het dwangbevel te vernietigen en te zeggen voor recht dat zij noch de gevorderde BTW, noch de gevorderde geldboete verschuldigd is; de Belgische Staat te veroordelen tot de kostén van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding; het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht op kantonnement.
2.2. Het bestreden vonnis verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, vereffend in hoofde van de Belgische Staat op € … rechtsplegingvergoeding.
De rechtbank oordeelt dat de kennisgeving van 24 augustus 2005 voldoet aan de voorwaarden van artikel 84ter W.BTW : de BBI heeft geen onderzoeksdaden gesteld bij eiseres in hoger beroep, maar heeft enkel onderzoeksdaden gesteld in het dossier van de NV H. en andere firma's waarvan de heer H. zich sedert 1997 heeft bezig gehouden en de kennisgeving bevat nauwkeurige aanwijzingen van fraude. De materiële bewijzen die zijn gebeurd door de controleambtenaren hebben door hun opname ervan in het procesverbaal van 8 december 2005 de in artikel 59, § 1 in fine W.BTW bepaalde bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel. Door eiseres in hoger beroep wordt niet het minste bewijs van het tegendeel geleverd van de in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen, zodat de juistheid en de waarachtigheid van de in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen dienen aanvaard te worden. Uit het proces-verbaal van 8 december 2005, waarvan de vaststellingen niet worden weerlegd, blijkt dat aan de wettelijke voorwaarden tot aftrek van de BTW niet voldaan is. De rechtbank stelt vast dat, niettegenstaande de administratie aan eiseres in hoger beroep de mogelijkheid heeft geboden om de werkelijkheid van de verrichtingen aan te tonen, eiseres in hoger beroep geen nuttige verantwoordingsstukken heeft voorgelegd met betrekking tot de gepresteerde diensten. De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete is regelmatig, met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In de gegeven omstandigheden is er geen reden om in te gaan op het verzoek van eiseres in hoger beroep om de administratieve geldboete te verminderen.
2.3. Eiseres in hoger beroep heeft bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 16 december 2010, hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
Het hoger beroep werd behandeld ter terechtzitting van 19 maart 2012.
3. De vorderingen en standpunten in hoger beroep
3.1. Eiseres in hoger beroep vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; het bestreden dwangbevel nietig te verklaren en de vordering van verweerder in hoger beroep ongegrond te verklaren en de opgelegde boete kwijt te schelden; verweerder in hoger beroep te veroordelen tot terugbetaling van de betaalde of ingehouden sommen, verhoogd met de moratoriumintresten; verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding begroot, op € … per aanleg; in ondergeschikte orde, alvorens recht te doen, overeenkomstig artikel 877 Ger. W., verweerder in hoger beroep te bevelen tot voorlegging van de bijlagen aan de brief van januari 2005.
De argumenten van eiseres in hoger beroep kunnen als volgt worden samengevat :
- in hoofdorde : onrechtmatige toepassing van artikel 84ter W.BTW nietigheid van het dwangbevel; de kennisgeving is niet voorafgaand gebeurd (de administratie heeft voor de kennisgeving van 24 augustus 2005 onderzoeksdaden gesteld met betrekking tot de boekjaren 2000 en 2001); geen nauwkeurige aanwijzingen van fraude;
- in ondergeschikte orde : geen bewijs van fraude - verjaring - nietigheid van het dwangbevel; het proces-verbaal van 8 december 2005 bevat geen vaststellingen maar gevolgtrekkingen en heeft geen bijzondere bewijskracht;
- in meest ondergeschikte orde: de ontvangen facturen hebben betrekking op werkelijk geleverde goederen en diensten; eiseres in hoger beroep mag haar recht op aftrek van BTW uitoefenen op basis van de uitgereikte facturen;
- onverschuldigdheid van de opgelegde boete.
Ter zitting heeft eiseres in hoger beroep verklaard akkoord te gaan met de begroting van de rechtsplegingvergoeding voor de procedure in eerste aanleg op € ….
3.2. Verweerder in hoger beroep concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis; de veroordeling van eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding in graad van hoger beroep begroot op € …; indien de vordering van eiseres in hoger beroep gegrond zou verklaard worden, de door eiseres in hoger beroep gemaakte kosten van betekening van de dagvaarding in verzet ten bedrage van € … alleszins ten haren laste te leggen, nu zij krachtens artikel 1385decies Ger. W. de mogelijkheid had haar vordering in te stellen bij verzoekschrift op tegenspraak .vermits het een vordering inzake de toepassing van een belastingwet, bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32° Ger. W. betreft.
Volgens verweerder in hoger beroep werd de voorafgaande kennisgeving van 24 augustus 2005 niet alleen verzonden voor er enige rechtzetting met betrekking tot de jaren 2000 en 2001 werd verricht, maar ook vooraleer enige onderzoeksdaad met betrekking tot deze jaren bij eiseres in hoger beroep werd verricht. De voor de kennisgeving van 24 augustus 2005 bij eiseres in hoger beroep verrichte onderzoekdaden hadden uitsluitend betrekking op de jaren 2002 en 2003. Deze kennisgeving is ook voldoende nauwkeurig, vermits eiseres in hoger beroep duidelijk werd ingelicht over de oorsprong van het vermoeden van belastingontduiking, over de naam van de leverancier over wie het ging en over de periode waarop het vermoeden van belastingontduiking betrekking had. Het in de voorafgaande kennisgeving vermelde vermoeden van belastingontduiking is gebaseerd op concrete vaststellingen van fraude bij de opsteller van de factuur. Het procesverbaal van 8 december 2005 geniet de volledige bewijskracht tot bewijs van het tegendeel. Het door eiseres in hoger beroep te leveren tweeledige bewijs in verband met de in aftrek gebrachte BTW met betrekking tot de door NV H., M.L.T en NV L. uitgereikte facturen, met name dat deze leveringen werkelijk aan haar hebben plaats gevonden en dat ze werden gebruikt in het kader van het verrichten van een in artikel 45, § 1 W.BTW bedoelde handeling, wordt niet geleverd en bovendien vertonen de uitgereikte facturen essentiële vormgebreken, die de inning 'en betaling van de belasting belemmeren. De aftrek van BTW met betrekking tot de bedoelde facturen werd bijgevolg terecht verworpen. Een boete gelijk aan twee maal de ten onrechte in aftrek gebrachte BTW is niet overdreven en sluit aan bij de feiten.
4. Beoordeling
4.1. De toepassing van artikel 84ter W.BTW
4.1.1. In principe verjaart de vordering tot voldoening van belasting, intresten en administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde kalanderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan (artikel 81, § 1, lid 1 W.BTW).
De normale verjaringstermijn wordt met twee jaar verlengd, en de verjaring zal dus intreden na het verstrijken van het vijfde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van BTW, boeten en intresten zich heeft voorgedaan, wanneer blijkt dat de belastingplichtige met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden de reglementering heeft overtreden (artikel 81bis, § 1, lid 2 W.BTW); er moet dus sprake zijn van fraude.
4.1.2. Artikel 84ter W.BTW bepaalt dat indien de administratie voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis (oud), § 1, tweede lid W.BTW toe te passen, zij op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de belastingplichtige schriftelijk en nauwkeurig kennis moet geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.
Eiseres in hoger beroep houdt voor dat de administratie niet aan deze voorwaarden heeft voldaan omdat enerzijds de kennisgeving niet voorafgaand aan iedere onderzoeksdaad is gebeurd en anderzijds er geen nauwkeurige aanwijzingen van fraude zijn.
4.1.3. Uit de voorliggende stukken blijkt dat het fiscale onderzoek door het Controlecentrum Tongeren-Genk initieel werd aangevat met betrekking tot de jaren 2002 en 2003 en dat dit onderzoek werd aangekondigd bij brief van 24 januari 2005, gevolgd door een plaatsbezoek op 24 februari 2005.
Op 24 augustus 2005 werd de in artikel 84ter W.BTW bedoelde voorafgaande kennisgeving verzonden, waarbij eiseres in hoger beroep in kennis werd gesteld van het voornemen van de administratie om toepassing te maken van de in artikel 81bis (oud), § 1, tweede lid W.BTW bedoelde verjaringstermijn van vijf jaar, gevolgd door een nieuw plaatsbezoek op 14 september 2005. Dit nieuw plaatsbezoek werd eveneens vooraf aangekondigd bij afzonderlijk schrijven van 24 augustus 2005.
Voor de kennisgeving van 24 augustus 2005 werden bij eiseres in hoger beroep uitsluitend onderzoeksdaden gesteld met betrekking tot de jaren 2002 en 2003. De BBI heeft geen onderzoeksdaden gesteld bij eiseres in hoger beroep zelf, maar alleen bij de NV H. en andere firma's waarvan de heer G. H. zich sedert 1997 heeft bediend om fictieve facturen uit te schrijven.
In tegenstelling tot wat eiseres in hoger beroep voorhoudt, maken deze bij de NV H. en andere firma’s verrichte onderzoeksdaden de·eventuele verzending van een voorafgaande kennisgeving slechts noodzakelijk aan de firma's waar het onderzoek op dat ogenblik wordt gevoerd en er zich een uitbreiding van de verjaringstermijn inzake BTW opdringt, maar niet bij de eventuele medecontracten bij wie op dat ogenblik nog geen onderzoek wordt gevoerd en ook nog geen uitbreiding van de verjaringstermijn wordt ingeroepen.
Het is slechts naar aanleiding van de bij voormelde NV H. en andere firma's aangetroffen aanwijzingen dat een of meerdere aan eiseres in hoger beroep uitgereikte facturen mogelijk fictieve prestaties tot voorwerp hadden dat het Controlecentrum Tongeren-Genk een fiscaal onderzoek heeft gestart bij eiseres in hoger beroep. Het onderzoek bij appellante werd uitsluitend gevoerd door voormeld Controlecentrum Tongeren-Genk, dat eiseres in hoger beroep voorafgaandelijk en schriftelijk in kennis heeft gesteld van haar voornemen om de vijfjarige verjaringstermijn toe te passen met betrekking tot de jaren 2000 en 2001. Deze kennisgeving ging niet alleen iedere rechtzetting inzake BTW vooraf maar ook iedere onderzoeksdaad met betrekking tot de jaren 2000 en 2001 tot dewelke de verjaringstermijn werd uitgebreid.
Zoals verweerder in hoger beroep terecht aanvoert betreft de in artikel 84ter W.BTW vermelde uitbreiding van de verjaringstermijn inzake BTW geen uitbreiding van de onderzoekstermijn,· maar wel een uitbreiding van de termijn binnen dewelke de administratie een vordering kan stellen tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten.
4.1.4. In het schrijven van 24 augustus 2005 heeft de administratie duidelijk en uitdrukkelijk gesteld dat het gaat om minstens één fictieve factuur die tijdens het jaar 2000 werd uitgereikt door de NV H., vertegenwoordigd door de heer G. H., waarvoor er een vermoeden is dat de gefactureerde handelingen fictief zijn.
De brief van 24 augustus 2005 brengt eiseres in hoger beroep duidelijk en nauwkeurig op de hoogte van de vermoedens van belastingontduiking die tegen haar bestaan voor de periode 2000-2001, namelijk minstens één fictieve factuur die werd uitgereikt door de NV H..
Zoals de eerste rechter terecht heeft geoordeeld, zijn vermoedens van belastingontduiking voldoende en dienen er niet reeds bewijzen van belastingontduiking voorhanden te zijn.
De brief van 24 augustus 2005 voldoet wel degelijk aan het vereiste van artikel 84ter W.BTW.
Het feit dat achteraf tijdens het onderzoek·is gebleken dat eiseres in hoger beroep tijdens de betreffende periode ook van andere firma's, die aan voornoemde G. H. konden gelinkt worden, facturen heeft ontvangen waarvan zij - volgens de administratie - niet het bewijs kan leveren dat de gefactureerde handelingen werkelijk hebben plaatsgevonden, doet hieraan geen afbreuk.
4.2. De bewijskracht van het proces-verbaal van 8 december 2005
Krachtens artikel 59, § 1, tweede lid W.BTW leveren de processenverbaal bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.
De bewijskracht strekt zich uit tot alle handelingen die de verbalisanten verklaren gesteld te hebben en alle feiten waarvan zij verklaren getuige te zijn geweest; het proces-verbaal levert bewijs op inzonderheid van hetgeen de verbalisanten hebben ontdekt in de hen overgelegde stukken, van de verklaringen die zij afgelegd of ingewonnen hebben en, meer algemeen, van al wat zij gezien, gehoord of anders waargenomen hebben mits de vaststellingen binnen het kader van hun opdracht blijven. Maar de bewijskracht van het proces-verbaal geldt niet voor de gevolgtrekkingen die de verbalisanten uit hun vaststellingen afleiden: deze gevolgtrekkingen blijven aan de controle van de rechtbanken onderworpen zoals alle andere gevolgtrekkingen.
Opdat het proces-verbaal geldig zou zijn, moet het :
a) de naam en de hoedanigheid vermelden van de opsteller die daartoe bevoegd is;
b) de datum vermelden waarop de vaststellingen zijn gedaan;
c) op nauwkeurige en omstandige wijze de gedane vaststellingen weergeven;
d) gedagtekend en ondertekend zijn door de ambtenaar die het opgesteld heeft.
Het proces-verbaal van 8 december 2005 voldoet aan deze voorwaarden.
De in het proces-verbaal van 8 december 2005 opgenomen vermeldingen betreffende de door de controleambtenaar tijdens het onderzoek ter plaatse gedane vaststellingen in verband met de boekhouding van eiseres in hoger beroep, in verband met de in deze boekhouding aangetroffen betwiste facturen en andere stukken, in verband met het niet aanwezig zijn in de boekhouding van andere stukken die de op de betwiste facturen vermelde gegevens staven en in verband met de inlichtingen bekomen uit een onderzoek van de BBI en uit een gerechtelijk onderzoek ten laste van de heer H. en een aantal door hem vertegenwoordigde firma's, hebben dan ook bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
Zoals de eerste rechter terecht heeft geoordeeld, levert eiseres in hoger beroep niet het bewijs van het tegendeel van de in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen, zodat de juistheid en de waarachtigheid ervan dienen aanvaard te worden.
4.3. Het recht op aftrek van BTW
4.3.1. Overeenkomstig artikel 45, § 1 W.BTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek brengen die werd geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van :
1° belaste handelingen,
2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42 W.BTW,
3° handelingen in het buitenland waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden,
4° de handelingen en diensten, bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°,
5° diensten als makelaar of lasthebber bij de in 4° bedoelde handelingen.
Het is aan de belastingplichtige, die aanspraak maakt op de aftrek van de voorbelasting om aan te tonen dat hij aan de voorwaarden van artikel 45, § 1 W.BTW voldoet. De belastingplichtige dient dus aan te tonen enerzijds dat de levering van een goed of dienst werkelijk heeft plaatsgevonden en anderzijds dat deze levering werd gebruikt in het kader van het verrichten van een in artikel 45, § 1 W BTW bedoelde handeling.
Bovendien moet de belastingplichtige om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen in het bezit zijn van een factuur voorzien van de bij artikel 5, § 1 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 verplichte vermeldingen.
Volgens dit artikel moet de factuur die de BTW-belastingplichtige gehouden is uit te reiken aan zijn medecontractant volgende elementen bevatten :
1. de datum waarop ze wordt uitgereikt en het volgnummer waaronder ze is ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen;
2. de naam of de maatschappelijke benaming van de belastingplichtige, het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel, zijn inschrijvingsnummer in het handels of ambachtsregister wanneer deze inschrijving vereist is en zijn BTW-identificatienummer;
3. de datum van de levering van het goed of van de voltooiing van de diensten, in de in artikel 1, § 1, 2° bedoelde gevallen, de datum waarop de belasting opeisbaar wordt of, wanneer die datum niet met zekerheid kan bepaald worden, het tijdvak waarin de handeling heeft plaatsgevonden.
De vereiste van het bezit van een deugdelijke factuur is een essentiële vormvoorwaarde voor het uitoefenen van het recht op aftrek.
4.3.2. Eiseres in hoger beroep heeft onder nummer 262 van haar aankoopjourmaal de factuur nr. … van 1 februari 2000 uitgaande van de NV H. geboekt voor een bedrag van … BEF (€ …), vermeerderd met … BEF (€ …) BTW of in totaal … BEF (€ …). De omschreven handeling blijkt de verhuur te zijn van een compressor met een capaciteit van 8 m3 gedurende een periode van 18 dagen tegen de prijs van … BEF (€ …) excl. BTW per dag. De factuur bevat de vermelding "voldaan met cheque".
Als rechtstreeks bewijs dat de kwestieuze handeling werkelijk heeft plaatsgevonden, kan eiseres in hoger beroep enkel de factuur voorleggen.
Als onrechtstreeks bewijs verwijst eiseres in hoger beroep naar een op 10 februari 2000 uitgereikte factuur aan de Duitse firma E. M. KG voor een bedrag van € … voor de werken die zij in onder aanneming voor deze Duitse firma zou uitgevoerd hebben en waarbij zij gebruik zou hebben gemaakt van deze compressor. Op deze factuur wordt evenwel. geen melding gemaakt van het gebruik van een compressor en worden de kosten voor de huur van een compressor niet doorgerekend.
Eiseres in hoger beroep verwijst ook naar twee door haar bijgebrachte verklaringen van de genaamde M. R.. De eerste verklaring is niet gedateerd en werd blijkbaar ook niet door de heer R. zelf ondertekend. De tweede verklaring dateert van 19 september 2011, dit wil zeggen dat zij werd opgesteld tijdens de procedure voor het hof van beroep en dit elf jaar na de feiten.
Het feit dat de kwestieuze factuur niet werd opgenomen in de eindvordering van het Openbaar Ministerie is op zich evenmin een bewijs dat de gefactureerde handeling effectief heeft plaatsgehad.
Bovendien wordt op de factuur het tijdstip van voltooiing van de dienst niet vermeld, zoals nochtans wettelijk voorgeschreven.
Eiseres in hoger beroep bewijst niet dat de levering aan haar werkelijk heeft plaats gehad en dat deze levering werd gebruikt in het kader van het verrichten van een in artikel 45, § 1 W.BTW bedoelde handeling en bovendien bevat de factuur niet alle wettelijk voorgeschreven vermeldingen.
De administratie heeft dan ook terecht het recht op aftrek verworpen.
4.3.3. Door de firma M.L.T. werden op 12 januari 2000, 27 april 2000 en 4 mei 2000 aan eiseres in hoger beroep facturen uitgereikt voor respectievelijk de aankoop van 3.121 kg platen in aluminium voor een totaal bedrag van … BEF (€ …), 3.168 kg platen in aluminium voor een totaal bedrag van … BEF (€ …) en twee gereedschapskoffers voor een totaal bedrag van … BEF (€ …). Volgens eiseres in hoger beroep heeft zij deze leveringen op verzoek van de leverancier betaald per cheque.
Ook voor de op deze facturen vermelde leveringen beschikt eiseres in hoger beroep over geen ander bewijs dan de factuur zelf; zij kan geen bestelbon of leveringsbon of enig ander document voorleggen.
Bovendien vermelden de facturen niet de naam van de leverancier (de firmanaam M.L.T. bevat geen enkele informatie over de juiste identiteit van de leverancier) noch het tijdstip van levering van de-goederen, zoals nochtans wettelijk voorgeschreven.
Ook voor deze facturen voldoet eiseres in hoger beroep niet aan de op haar rustende bewijslast.
De administratie heeft terecht het recht op aftrek voor deze facturen verworpen.
4.3.4. De NV L., die reeds op 23 juni 1998 failliet was verklaard, heeft op 8 maart 2000 en op 20 maart 2000 aan eiseres in hoger beroep facturen uitgereikt voor respectievelijk de verkoop van 3.224 kg aluminium voor een totaal bedrag van … BEF (€ …) en 164 stuks machinezaagbladen voor een totaal bedrag van … BEF (€ …). Op verzoek van de leverancier zou eiseres in hoger beroep deze facturen per cheque hebben betaald.
Eiseres in hoger beroep heeft voor geen van de op de facturen vermelde leveringen enig ander bewijs omtrent de echtheid van de leveringen dan de factuur zelf; zij kan geen bestelbon of leveringsbon voorleggen.
De kwestieuze facturen vermelden ook niet het tijdstip van levering.
Eiseres in hoger beroep voldoet ook voor deze facturen niet aan haar bewijslast en de facturen vertonen vormgebreken.
Het recht op aftrek voor deze facturen werd terecht verworpen.
4.4. De administratieve boete
De administratie heeft bij toepassing van artikel 70, § 1bis W.BTW een proportionele geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ten onrechte in aftrek gebrachte voorbelasting.
Eiseres in hoger beroep houdt ten onrechte voor geen boete verschuldigd te zijn omdat zij geen inbreuk heeft gepleegd op de bepalingen van het BTW-wetboek.
Uit wat voorafgaat blijkt duidelijk dat eiseres in hoger beroep ten onrechte de voorbelasting op een aantal facturen in mindering heeft gebracht, wat wel degelijk een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van het BTW-wetboek.
Wat de hoogte van de boete betreft, oordeelt het hof dat deze evenredig is met de ernst van de feiten en de begane overtredingen en dat er geen redenen zijn om deze boete te verminderen.
4.5. Besluit
Het bestreden vonnis is op juiste en oordeelkundige motieven gesteund en dient bevestigd te worden.
Het hoger beroep is ongegrond en eiseres in hoger beroep dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.
Dispositif
5. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van de BVBA C. S. S. toelaatbaar doch ongegrond.
Het hof bevestigt het beroepen vonnis in al zijn beschikkingen.
Het hof veroordeelt de BVBA C. S. S. tot de kosten van het hoger beroep, in hoofde van de Belgische Staat begroot op € … rechtsplegingvergoeding.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van ZEVENTIEN APRIL 2012 door :
D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;
M. G., Raadsheer;
N. V., Raadsheer;
A. V. L., Griffier.
A. V. L. N. V. M. G. D. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.