Droit à déduction de l’impôt, disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Louvain 21 avril 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôt, disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-disposition-penale-tribunal-louvain-2006-04-21-7957

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Louvain
Date
21 avril 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

98 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Louvain du 21.04.2006

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK - twaalfde kamer

zitting : 21 april 2006.

eindvonnis

Rol nr. : 01/1330/A

Inzake :

W. J.-P. q.q., advocaat, met kantoor te …, …, handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV E. M. A. AND C., afgekort E.M.A.C., met zetel te …, …, voor geopend verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel van 29 januari 2002

eiser,

ter zitting vertegenwoordigd door meester M. G., advocaat te …, …

tegen :

De BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW, met kantoor te 3001 Heverlee, Philipssite 3A bus 1

verweerder,

ter zitting vertegenwoordigd door meester C. M. loco meester d. N. E., advocaat te …, ….

In deze zaak, in beraad genomen ter zitting van 10 maart 2006, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit.

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

-

- de gedinginleidende dagvaarding op 28 mei 2001 op verzoek van de NV E. M. A. AND C. betekend aan de BELGISCHE STAAT, administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Leuven

- de conclusie, de aanvullende conclusie en de tweede aanvullende conclusie op respectievelijk 25 september 2001, 28 januari 2003 en 23 december 2004 op de griffie·neergelegd door de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, neergelegd door de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, controlecentrum Leuven

- de conclusie en de aanvullende conclusie houdende gedinghervatting door meester W. J.-P., qualitate qua curator van het faillissement van de NV E. neergelegd respectievelijk op de zitting van 10 maart 2006 en op de griffie op 6 december 2004

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 10 maart 2006, waarna de bundels met stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

1. Feiten en procesverloop

1.1. De NV E. M. A. AND C., (hierna genoemd NV E.). heeft sedert 1 juli 1991 als activiteit raadgever inzake financiële, handels- of sociale aangelegenheden, publiciteit, marktstudies, communicatie en tussenpersoon voor kredietondernemingen.

Haar zetel is gevestigd in het onroerend goed dat zij huurt van haar oprichters, met uitzondering van de slaapkamers en de badkamer.

In 1994 verrichtte de NV E. verbouwingen aan het onroerend goed. De BTW op de verbouwingen bracht zij volledig in aftrek.

1.2. Tijdens een BTW-controle over de periode van 1 april 1994 tot en met 31 december 1998 betwistte de administratie het recht op volledige aftrek van de BTW, om reden dat de investeringen slechts gedeeltelijk voor de doeleinden van de economische activiteit van de NV E. werden gebruikt. De bedoeling van de verbouwing was volgens de administratie veeleer het onroerend goed meer geschikt voor privé-bewoning te maken. Er werd overgegaan tot herziening van de oorspronkelijke aftrek voor de jaren 1996, 1997 en 1998.

1.3. Op 20 juni 2000 werd een correctieopgave opgestuurd, waarmee de NV E. zich niet akkoord verklaarde.

Op 27 maart 2001 werd een proces-verbaal van vaststelling opgesteld. Op 19 april 2001 werd een dwangbevel aangetekend ter kennis gebracht, waarin de verschuldigdheid wordt vastgesteld van :

- BTW 13.836,25 EUR

- boete 1.363,41 EUR

- wettelijke interesten over de verschuldigde BTW

- moratoire interesten over de boete

- vervolgingskosten

1.4. Eiseres tekende op 28 mei 2001 verzet aan tegen dit dwangbevel. Zij vordert :

- de intrekking van het dwangbevel betekend op 19 april 2001

- de vrijgave van ieder ten onrechte ingehouden belasting

- alle kosten, interesten en vergoedingen zoals nader te bepalen, onafgezien verhaal tot vergoeding van meerdere schade mits bewijs

- de veroordeling van de BELGISCHE STAAT in de kosten

- de uitvoerbaarverklaring bij voorraad

De BELGISCHE STAAT, hierna genoemd "verweerder", vraagt de vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, en de NV E. in de kosten te veroordelen.

De NV E. werd bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 29 januari 2002 failliet verklaard. Meester W. J.-P., hierna genoemd "eiser", werd als curator aangesteld en hervatte het geding op 6 december 2004.

Eiser breidt in conclusie de vordering uit met de subsidiaire vraag te oordelen over de boete en haar kwijt te schelden.

2. In rechte

2.1. Voor verweerder is het duidelijk dat na 1994 de bestemming van het onroerend goed wijzigde, aangezien het gezin het als verblijfplaats gebruikte. Verweerder verwijst hiervoor naar de vaststellingen van het proces-verbaal van vaststelling van 27 maart 2001 : de verhuring behoudens de slaapkamer en de badkamer; het verblijf van de bestuurder van de NV E. in het onroerend goed van 22 mei 1996 tot 7 februari 2002; het verblijf van de echtgenote van de bestuurder en de dochter vanaf 24 februari 1994; het verblijf van de dochter alleen vanaf 7 februari 2002.

Verweerder meent dat wanneer de goederen en diensten zowel voor de doeleinden van de economische activiteit als voor andere doeleinden worden gebruikt, de belasting slechts gedeeltelijk mag worden afgetrokken naar verhouding van de vermoedelijke bestemming voor de behoeften van de economische activiteit, dat om deze verhouding te bepalen de belastingplichtige in beginsel de regels volgt die worden toegepast voor het aanvaarden van de uitgaven als bedrijfslasten voor de heffing van de inkomstenbelastingen, wanneer de administratie der directe belastingen zelf, door middel van een percentage, de aanvaardbare inkomsten heeft vastgesteld, en dat in het tegenovergestelde geval die verhouding voor de toepassing van de BTW wordt bepaald onder controle van de administratie.

Verweerder besluit dat de bestemming van het onroerend goed een wijziging onderging tijdens de herzieningsperiode en dat bijgevolg een herziening van de aftrek diende te gebeuren.

2.2. Eiser betwist de wijziging van de bestemming en bijgevolg enige aanleiding tot herziening. Eiser stelt dat de NV E. het in 1994 geschikt maken van het gebouw voor 90 % als bedrijfsmiddel bestemde en het vooropgesteld bedrijfsmatig gebruik van 90 % steeds respecteerde, zodat er geen aanleiding tot herziening was.

Eiser ontkent dat er een wijziging van de bestemming was : de betrokken ruimten hadden door de jaren heen steeds een bedrijfsmatige bestemming; een deel hiervan werd gedurende een tijd daartoe niet effectief gebruikt, maar werd ook niet voor andere doeleinden, zijnde privé-doeleinden, gebruikt. Enkel werd in 1997 de nuttige gebruikscapaciteit verhoogd, wat echter niets aan de bestemming wijzigt.

Volgens eiser leest verweerder verkeerdelijk in een schrijven van de NV E. van 2 mei 1997 de erkenning dat de tot bedrijfsgebruik bestemde lokalen voordien een andere bestemming, zijnde privé-gebruik, hadden. Dit schrijven stelt enkel dat de activiteiten werden uitgebreid, zodat de lokalen intensiever werden gebruikt.

Eiser roept ook de verjaring in.

2.3. Beoordeling

2.3.1. Luidens de huurovereenkomst van 9 december 1991 huurde de NV E. vanaf 1 juni 1991 de tuin, de living, de eetkamer, het bureau, de wc en de gang, met uitsluiting van de slaapkamers en de badkamer.

Uit de getuigschriften afgeleverd door de ambtenaar van de burgerlijke stand blijkt het verblijf van de bestuurder van de NV E. in het onroerend goed van 22 mei 1996 tot 7 februari 2002, het verblijf van de echtgenote van de bestuurder en de dochter vanaf 24 februari 1994, het verblijf van de dochter alleen vanaf 7 februari 2002.

Blijkens de facturen liet de NV E. in 1994 de volgende verbouwingswerken aan het gehuurde onroerend goed uitvoeren :

- nieuwe vloer in garage

- beschikbare ruimten maken op de zolderverdieping

- electriciteitswerken en verlichting in gans de woning

- hout voor tuin en tuinwerken (afboording van de siervijver)

- schilderwerken in de woning

- decoratie in de woning

- nieuwe vloer in de woning (living en privé-vertrekken)

- gordijnen

Uit het proces-verbaal van vaststelling van 27 maart 2001 blijkt dat de NV E. de BTW op de verbouwingen volledig in aftrek bracht, en niet voor 90 % zoals eiser stelt. De controleambtenaar aanvaardde dat 50 % van de nieuwe vloer van de garage en 25 % van de overige verbouwingen bestemd waren voor beroepsdoeleinden en ging dienovereenkomstig over tot herziening van de oorspronkelijke aftrek.

Het bovenstaand overzicht van de verbouwingen toont aan dat de werken evenzeer aan de niet-gehuurde ruimten (garage, zolder, ganse woning) werden uitgevoerd. Deze vaststelling van het proces-verbaal van vaststelling ontzenuwt volledig de bewering van eiser als zou er enkel een intensiever gebruik van de gehuurde lokalen geweest zijn als gevolg van een uitbreiding van de activiteiten van de NV E., en als zouden de lokalen voordien geen privé-gebruik hebben gekend.

2.3.2. Uit het vorenstaande volgt dat de NV E. het bestemmingsbeginsel niet respecteerde. Na het einde van de verbouwingswerken in 1994 verbleef het gezin van haar bestuurder immers in het gehuurde goed.

De verbouwingswerken werden bijgevolg gedeeltelijk gebruikt voor privé-doeleinden of handelingen die geen recht op aftrek verlenen.

Artikel 10, eerste paragraaf, 1° van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat in dergelijk geval de herziening van de aftrek kan worden verricht.

De administratie herzag voor de jaren 1996, 1997 en 1998 de aftrek tot beloop van één vijfde van het bedrag van de belasting overeenkomstig artikel 11, eerste paragraaf, van het voormeld koninklijk besluit.

Tijdens de controle betwistte de NV E. niet de door de controleambtenaar in aanmerking genomen verhouding privé- en beroepsgebruik. Eiser betwist in conclusie subsidiair deze verhouding evenmin.

2.3.3. Eiser roept de verjaring in die naar zijn mening moet worden berekend vanaf het laatste feit dat tot belasting aanleiding geeft en dat zich in 1994 situeert, aangezien verweerder zelf stelt dat de herzieningsperiode liep van 1 januari 1994 tot 31 december 1998.

Zodoende miskent eiser volledig dat de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten begint te lopen vanaf de dag waarop de vordering is ontstaan, zijnde de datum waarop de belastingplichtige zijn BTW-aangifte uiterlijk moet indienen.

Overeenkomstig het oude artikel 81, eerste lid, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop de vordering is ontstaan.

Overeenkomstig het nieuwe artikel 81bis, eerste paragraaf, van het wetboek bedraagt de verjaringstermijn drie jaar die verstrijkt na verloop van het derde kalanderjaar volgend op het jaar waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Overeenkomstig het nieuwe artikel 81 van het wetboek begint. de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.

Aangezien de dag waarop de vordering ontstaat het ogenblik is vanaf hetwelk de administratie de belasting kan vorderen, zijnde de datum waarop de belastingplichtige zijn BTW-aangifte uiterlijk moet indienen, ontstond de vordering van verweerder op volgende tijdstippen :

- voor het jaar 1996 op 20 april 1997

- voor het jaar 1997 op 20 april 1998

- voor het jaar 1998 op 20 april 1999

Artikel 83, eerste paragraaf, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde voorziet dat de verjaring kan worden gestuit, waarna een nieuwe termijn van vijf jaar begint te lopen, en dat de verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden van artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Het dwangbevel van 19 april 2001 heeft stuitende werking.

De oude verjaringstermijn van vijf jaar blijft van toepassing op de vorderingen die zijn ontstaan vóór 1 januari 1999. De vorderingen die zijn ontstaan vanaf 1 januari 1999 vallen onder de nieuwe verjaringstermijn (artikel 97 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen).

Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van verweerder geenszins verjaard is.

2.3.4. De NV E. werd bij toepassing van artikel 70, eerste paragraaf bis van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, een verminderde boete van 1.363,41 EUR opgelegd.

Eiser vordert subsidiair de kwijtschelding van de boete die niet in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser niet aanduidt waarin de wanverhouding dan wel bestaat. Die wanverhouding blijkt alleszins niet uit de gegevens van de zaak.

Dispositif

OP DEZE GRONDEN,

DE RECHTBANK,

gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken,

rechtsprekend op tegenspraak,

alle andersluidende en meer omvattende conclusies van de hand wijzende als niet terzake en/of overbodig,

verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond

veroordeelt eiser in de kosten, aan de zijde van eiser begroot op het bedrag van 420,28 EUR (dagvaarding : 63,31 EUR; rechtsplegingsvergoeding : 356,97 EUR) en aan de zijde van verweerder op de rechtsplegingsvergoeding van 356,97 EUR.

Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag 21 april 2006 waar zetelden :

de heer P. V., alleen zetelend rechter;

mevrouw J. C., griffier.

J. C. P. V.

Textes cités

1
CTVA art. 812 occurrences

Décisions similaires

8