Droit à déduction de l’impôt, disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 10 décembre 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôt, disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-disposition-penale-tribunal-hasselt-2012-12-10-a3e6

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
10 décembre 2012

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

84 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 10.12.2012

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLDKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER B, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE A.R. nr. 10/250/A :

BVBA J., met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer … en gekend voor BTW-doeleinden onder het nummer BE ….

Eiseres, vertegenwoordigd door mr. H. W. loco mr. V. P. M., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCH E STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het Tweede BTW-ontvangkantoor te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 47.

Verweerder, vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde de heer A. J..

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het exploot van gerechtsdeurwaarder R. K. plaatsvervanger van J. W., gerechtsdeurwaarder te …, van 15.01.2010 waarbij eiseres verzet heeft aangetekend tegen een dwangbevel van 25.11.2009;

- de eerste conclusie, tweede conclusie en stukken van verweerder;

- de conclusie, syntheseconclusie en stukken van eiseres.


I. FEITEN EN VOORGAANDEN

1. Eiseres is sedert 01.10.1982 geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW-nummer … en heeft als activiteit: detailhandel in lingerie en badmodeartikelen. Zij dient maandelijkse BTW-aangiften in.

2. Op 07.07.2009 startte de heer S. W., e.a. inspecteur dienstchef bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van het AOIF en verbonden aan het controlecentrum Hasselt-Beringen, een onderzoek bij eiseres met betrekking tot de periode 01.01.2006 tot 30.09.2007.

Achteraf werd de onderzoeksperiode uitgebreid tot de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005. Hiertoe heeft de controlerende ambtenaar in toepassing van art. 84ter W.BTW, eiseres per aangetekende brief van 04.08.2009 in kennis gesteld van het voornemen om toepassing te maken van de verjaringstermijn van 7 jaar, zoals bepaald in art. 81bis, § 1, tweede lid, 4° W.BTW.

3. Bij brief van 05.10.2009 werd er een correctie-opgave overgemaakt aan eiseres waarbij er een bedrag van … euro aan BTW, bedragen van … euro en … euro aan geldboeten, alsook de intresten werd gevorderd.

4. Aangezien er geen akkoord kon worden bereikt, werd er op 12.11.2009 een proces-verbaal opgemaakt in verband met het recht op aftrek van BTW.

Het recht op aftrek van BTW werd verworpen omdat eiseres niet kan bewijzen dat de door NV S. & co gefactureerde diensten werkelijk hebben plaatsgevonden.

Er werd gesteld dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

- … euro BTW;

- … euro aan administratieve geldboete gelijk aan het dubbel van de BTW in toepassing van art. 70, § 1bis en § 2 WBTW;

- de intresten bedoeld in en te berekenen volgens art. 91 WBTW over de BTW vanaf 21.10.2007.

5. Op 25.11.2009 werd dan een dwangbevel uitgevaardigd dat op 03.12.2009 aan eiseres werd betekend per deurwaardersexploot.

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de betekening van het dwangbevel overeenkomstig art. 91, § 4 W.BTW en de vervolgingskosten.

6. Bij het exploot van gerechtsdeurwaarder R. K. plaatsvervanger van J. W., gerechtsdeurwaarder te Hasselt, van 15.01.2010 heeft eiseres verzet aangetekend tegen het dwangbevel van 25.11.2009.

II. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid :

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

2.1. M.b.t. verjaring van de vordering m.b.t. de periode 2002, 2003, 2004 en 2005

1. Overeenkomstig art. 81bis, §1, eerste lid W.BTW "is er verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan".

Overeenkomstig art. 81bis, § 1, tweede lid, 4° W.BTW (van toepassing vanaf 29.09.2008) "is er in afwijking van het eerste lid evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden".

Overeenkomstig art. 84ter W.BTW moet de administratie indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in art. 81bis, § 1 , tweede lid, 4° W.BTW toe te passen op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

Bij schrijven van 04.08.2009 deelde verweerder aan eiseres mee dat er voor de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005 ten haren aanzien vermoedens van belastingontduiking bestonden en dat derhalve de verjaringstermijn zou worden uitgebreid (art. 81bis, § 1, tweede lid en art. 84ter W.BTW.

2. Wanneer een naheffing door de BTW-administratie wordt vooropgesteld zonder dat er bijkomende onderzoeksdaden nodig zijn, vereist het art. 84ter W.BTW een voorafgaande kennisgeving.

De verjaringstermijn kan worden uitgebreid wanneer een overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 W.BTW begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. Er wordt aangenomen dat er "bedrieglijk opzet" bestaat, wanneer de overtreding wordt begaan met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen, meestal ten nadele van een persoon of van de gemeenschap. Er is sprake van "oogmerk om te schaden" wanneer de overtreding wordt begaan met de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat de betrokkene enig voordeel uit zijn handeling haalt.

Het is niet vereist dat de administratie het absoluut bewijs levert van het bedrieglijk opzet of van het oogmerk om te schaden. Het volstaat dat zij beschikt over ernstige vermoedens die toelaten te veronderstellen dat er sprake is van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden.

In casu bleek uit de controle dat eiseres niet afdoende wijze kon aantonen dat de prestaties op aankoopfacturen uitgaande van de NV S. & co (facturen van 6/4/2006 en 15/6/2006) daadwerkelijk werden verricht. Derhalve werd vermoed dat het om aankoopfacturen ging waarvan de gegevens niet overeenstemden met de werkelijkheid. Op basis van deze vaststellingen kon verweerder vermoeden dat er bedrieglijk opzet in het spel was.

Op basis van een vermoeden met betrekking tot het jaar 2006, ging de administratie, zonder verdere verduidelijking ervan uit dat er ook belastingontduiking zou geweest zijn in 2002, 2003, 2004 en 2005.

Bovendien werd voor deze jaren niet aangetoond waaruit het bedrieglijk opzet of het frauduleus handelen van eiseres zou bestaan.

3. Gelet op het voorafgaande waren de voorwaarden voor de uitbreiding van de verjaringstermijn niet vervuld zodat er verjaring was van de vordering m.b.t. de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005.

2.2. Art. 45 W.BTW

De betwisting behelst de vraag of eiseres kon over kon gaan tot aftrek van de BTW met betrekking de facturen van de NV S. & co zoals opgesomd in het proces­verbaal van vaststellingen van 12.11.2009, te weten :

- factuur nr. 453 van 06.04.2006 ten bedrage van … euro;

- factuur nr. 671 van 15.06.2006 ten bedrage van … euro.

Krachtens het op huidig geschil van toepassing zijnde art. 45, § 1 W.BTW waarin het beginsel van het recht op aftrek is vastgelegd, mag de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten.

Opdat een belastingplichtige de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten zou mogen aftrekken, moet de belastingplichtige overeenkomstig art. 3 van het KB nr. 1 van 23.07.1969 in het bezit zijn van een door zijn leverancier of dienstverrichter uitgereikte regelmatige factuur waarop hem inzonderheid de opeisbare belasting wordt in rekening gebracht.

Krachtens voormeld art. 3 van het KB nr. 3 van 10.12.1969 moet eiseres aldus, om haar recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig art. 2 van het KB nr. 1 van 23.07.1969.

De loutere overlegging van een factuur of van het bewijs van betaling levert op zichzelf niet het bewijs van de werkelijkheid van de verrichting en toont niet aan dat de wettelijke voorwaarden tot aftrek van de BTW vervuld zijn.

Het feit dat voor de BTW-plichtige het recht op aftrek doet ontstaan is niet zozeer de factuur op zich maar de handelingen die zijn leverancier/dienstverrichter schuldenaar heeft gemaakt. Het bewijs dat hem goederen of diensten werden verstrekt, behoort door de belastingplichtige te worden geleverd (zie Gent, 24 juni 1988, BTW-revue, nr. 84, p. 39).

Uit het proces-verbaal van 12.11.2009, waarvan de vaststellingen door eiseres niet worden weerlegd, blijkt dat aan de wettelijke voorwaarden tot aftrek van de BTW niet voldaan zijn.

De rechtbank stelt vast dat, niettegenstaande de administratie eiseres de mogelijkheid heeft geboden om de werkelijkheid van de verrichtingen aan te tonen, eiseres geen nuttige verantwoordingsstukken heeft voorgelegd met betrekking tot de gepresteerde diensten.

De vordering van eiseres is derhalve ongegrond.

2.3. M.b.t. de opgelegde geldboeten

Krachtens art. 70, § 1bis W.BTW wordt voor ieder die onrechtmatig aftrek van belasting heeft genoten, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van die belasting.

Krachtens art. 84, lid 3 W.BTW wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens art. 1 van het KB nr. 41 van 30.01.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

In tegenstelling tot hetgeen verweerder voorhoudt, is er geen kwade trouw bewezen in hoofde van eiseres.

Kwade trouw wordt immers niet vermoed, en wordt te deze ook niet bewezen.

Het feit dat eiseres inderdaad de BTW geheven over twee facturen ten onrechte in aftrek heeft gebracht, bewijst geenszins het bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres.

In tabel H van de bijlage van het KB nr. 41 van 30.01.1987 wordt bepaald dat wanneer de BTW ten onrechte wordt in aftrek gebracht en het bedrag van de BTW meer dan … euro bedraagt, een geldboete van 10 % van de verkeerdelijk in aftrek gebrachte belasting wordt opgelegd.

De geldboete dient dan ook herleid te worden tot 10 %


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Dispositif

OM DEZE REDENEN

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond,

Stelt vast dat de BTW-vordering voor de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005 verjaard is.

Zegt voor recht dat het dwangbevel van 25.11.2009 ongegrond is voor wat betreft de BTW-navordering, geldboeten en intresten voor de jaren 2002 t.e.m. 2005, alsook voor de opgelegde administratieve geldboeten i.v.m. de facturen van de NV S. & co van 06.04.2006 en 15.06.2006.

Veroordeelt verweerder tot de helft kosten van het geding en begroot deze kosten aan de zijde van verweerder op :

- … euro dagvaardingskosten;

- … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer B, op het gerechtshof te Hasselt op 10.12.2012, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enige rechter, en

De Heer L. P., griffier.

L. P. M. C.

Textes cités

4
AR no 3 art. 31 occurrence
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8