Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Hasselt du 18.11.2010
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR nr. 07/174/A
V. L. R., zelfstandige, met ondernemingsnummer …, wonende te …, ….
eiser,
vertegenwoordigd door mr. B. T., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS- EN INKOMENSFISCALITEIT, Controlecentrum Hasselt-Beringen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 43.
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. O. M. loco mr. R. F., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak dat werd neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18.01.200;
- de conclusie, tweede conclusie, syntheseconclusie en de stukken van verweerder;
- de besluiten van eiser.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN
Eiser is geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer BE … ingevolge de door hem uitgeoefende zelfstandige activiteit van netwerkarchitect en adviseur voor computernetwerken en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.
Bij de heer V. K. werd een controle op de toepassing van de BTW-wetgeving en de wetgeving inzake inkomstenbelastingen voor de jaren 2002 en 2003, uitgeoefend door mevr. Ch. E. fiscaal deskundige bij een fiscaal bestuur van de FOD Financiën, te beschikking gesteld van het controlecentrum AOIF te Hasselt.
Bij de controle werd vastgesteld dat de heer V. K. een aantal overtredingen tegen de BTW-wetgeving had begaan.
Aangezien de controleagent geen akkoord kon bereiken met de heer V. K. en zijn fiscale raadgeefster, werd er op 20.12.2006 een proces-verbaal opgesteld met daarin de vastgestelde overtredingen.
In het proces verbaal werd gesteld dat eiser de hierna volgende bedragen verschuldigd is :
- 7.125,75 euro aan BTW;
- 710,00 euro verminderde geldboete in toepassing van art. 70, § 1bis W.BTW en van tabel H van het KB nr. 41;
- wettelijke intresten overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW van rechtswege verschuldigd vanaf 21.01.2004.
Op 21.12.2006 werd er tegen eiser een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 20.12.2006. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 21.12.2006.
In dit dwangbevel werden de volgende bedragen gevorderd van eiser :
- 7.125,75 euro aan BTW;
- 710,00 euro verminderde geldboete in toepassing van art. 70, § 1bis W.BTW en van tabel H van het KB nr. 41;
- wettelijke intresten overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW van rechtswege verschuldigd vanaf 21.01.2004;
- de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboete vanaf de eerste kennisgeving van dit dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 van het Wetboek BTW;
- de vervolgingskosten.
Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18.01.2007 tekent eiser verzet aan tegen het dwangbevel.
II. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk
2. Ten gronde
Art. 45, § 1 W.BTW legt het principe vast dat de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek mag brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen in de mate dat hij die goederen gebruikt voor het verrichtingen van belaste handelingen.
De bewijslast ligt bij de belastingplichtige.
2.1. De aftrekt van BTW op autokosten en de bijbehorende attributen
Luidens art. 45, § 2 W.BTW mag, ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 % van de betaalde belasting.
Vermits art. 45, § 2 W.BTW een uitzondering vormt op de algemene regel van art. 45, § 1 W.BTW, moet eiser het bewijs leveren dat deze uitzondering van toepassing is.
De rechtbank dient thans na te gaan aan de hand van de wettelijke bepalingen en op basis van de feitelijke vaststellingen na te gaan of verweerder terecht kon oordelen dat de Landrover Defender 110 onder het toepassingsgebied van art. 45, § 2 W.BTW valt.
De BTW-administratie roept in dat eiser ten onrechte de BTW volledig heeft afgetrokken met betrekking tot het voertuig Landrover Defender 110, onder verwijzing naar art. 45, § 2 W.BTW.
De administratie is van oordeel dat het voertuig van eiser niet als een "lichte vrachtwagen" kan worden aangemerkt en aldus niet kan genieten van een volledige aftrek van BTW.
Verweerder verwijst naar de gepubliceerde aanschrijving nr. 10 van 11.09.1987 en de gepubliceerde aanschrijving nr. 25 van 11.12.1990. In deze aanschrijvingen wordt het onderscheid tussen personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen enerzijds en lichte vrachtwagens anderzijds afgelijnd. In de aanschrijving nr. 25 van 11.12.1990 wordt uitdrukkelijk gesteld dat de criteria erin vervat gemeen zijn aan de BTW, aan de inschrijvingsbelasting, aan de verkeersbelasting en aan de materies welke ressorteren onder de bevoegdheid van de minister van verkeerswezen.
Nu het voertuig niet voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in deze aanschrijvingen, kan volgens de administratie eiser niet genieten van volledige aftrek.
De enige wijze om uit te maken of het litigieuze voertuig nu al dan niet als lichte vrachtwagen kan beschouwd worden, en of het al dan niet aan de criteria van art. 45, § 2 W.BTW en de daaraan gekoppelde gepubliceerde aanschrijvingen voldoet, is door de feitelijke toestand te onderzoeken, waarbij de inschrijving op zich bij DIV niet doorslaggevend is (vgl. Rb. Hasselt, 26.02.03, F.J.F., 2003/171, 616).
Welnu, uit het proces-verbaal van 20.12.2006 blijkt dat het voertuig niet voldeed aan de voorwaarden van de aanschrijving voor wat betreft de afscheiding van de voorste zetels met de laadruimte van het voertuig. In het voertuig was geen onbuigzame en niet-wegneembare afscheiding van ten minste 20 cm hoog aangebracht tussen de zitruimte en de laadruimte en de zitruimte bevond zich op hetzelfde niveau als de laadruimte.
Daardoor is komen vast te staan dat de afscheiding met de ruimte die bestemd is voor de goederen, geen tussenwand heeft en dus zeker niet zoals bepaald in de aanschrijving uit een niet wegneembare wand.
De administratie heeft rechtsgeldig de aftrek van BTW voor aankoop, onderhoud en herstellingen van het litigieuze voertuig beperkt tot 50 % conform art. 45, § 2 W.BTW.
Buiten het feit dat het voertuig niet gebruikt werd voor goederenvervoer en niet voldeed aan de voorwaarden om als lichte vracht te worden beschouwd, bleek tevens dat het voertuig gebruikt werd voor andere doeleinden dan deze van een belastbare activiteit. Het voertuig was uitgerust met allerlei attributen die gebruikt werden voor andere doeleinden dat voor een belastbare economische activiteit.
Voor de uitrustingstukken kon geen enkel beroepsgebruik aangetoond worden, zodat er geen recht op aftrek bestaat.
2.2. De aftrek van BTW op uitgaven die niet bestemd zijn voor de uitoefening van de economische activiteit
Eiser bracht BTW in aftrek die hem werd aangerekend voor diverse kosten waarvan geen beroepsgebruik met recht op aftrek of slechts een beperkt beroepsgebruik kon aangetoond worden.
De aftrek van de BTW werd terecht aanvaard voor de kosten gemaakt voor het gebruik van de woning tot beloop van 10 % aangezien dit percentage overeenstemt met het gedeelte van de woning dat wordt gebruikt als kantoorruimte.
Eiser laat verder na het beroepskarakter aan te tonen van diverse kosten zoals opgenomen in het proces-verbaal o.a. wapens onderhoud, aanpassing van een wapen, hondeneten, kosten van een dierenarts, ....
2.3. De aftrek van BTW op basis van onregelmatige facturen
Opdat een belastingplichtige de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten zou mogen aftrekken, moet de belastingplichtige overeenkomstig art. 3 van het KB nr. 1 van 23.07.1969 in het bezit zijn van een door zijn leverancier of dienstverrichter uitgereikte regelmatige factuur waarop hem inzonderheid de opeisbare belasting wordt in rekening gebracht.
Krachtens voormeld art. 3 van het KB nr. 3 van 10.12.1969 moet eiser aldus, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig art. 2 van het KB nr. 1 van 23.07.1969.
De stukken voldoen niet aan de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek.
Bovendien blijkt uit de omschrijving van de aangekochte goederen dat het gaat om aankopen zoals gereedschappen, een tuinparasol en een partytent waarvan het gebruik voor de doeleinden van de economische activiteit van eiser niet wordt aangetoond.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).
Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.
De vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werd nageleefd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
rechtdoende op tegenspraak
VerkIaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van verweerder op 900,00 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 18.11.2010, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., enige rechter, en
De heer L. P., griffier.
L. P. M. C.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.