Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 20 décembre 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-preuve-tribunal-anvers-2004-12-20-ceaf

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
20 décembre 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

51 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 20.12.2004

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op twintig december tweeduizend en vier in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

Inzake : A.R. Nr. 02/4482/A

C. P.,

zonder gekend beroep, met BTW-nummer …, wonende te …, ….

EISENDE PARTIJ

-verschijnende bij meester H. V. O. loco meester F. M., advocaat, kantoorhoudende …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,

- Ministerie van Financiën, Administratie van de Invorderingssector, BTW, Ontvangkantoor Antwerpen 1, met kantoren gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4 (volgens inleidende dagvaarding),

- Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Rekenplichtige van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen; waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4 (volgens eigen besluiten).

VERWERENDE PARTIJ

- verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder P. G. te … op …,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 20 december 2004.


Gegevens en voorgaande

Eiser was als 'kleinhandelaar in kranten en tijdschriften' voor de jaren 1996 en 1997 forfaitair BTW-belastingplichtige en hij viel voor de jaren 1998 en 1999 onder de normale regeling.

Een bevoegd BTW-ambtenaar heeft 16 februari 2001 een proces-verbaal opgesteld over de periode 1 januari 1996 tot en met 31 december 1999.

Er wordt daarin verwezen naar twee (door verweerder pas in de procedure voor de rechtbank voorgelegde) processen-verbaal van 26 mei 2000 van een collega te Brugge ten name van ene N.V. H. aldaar, bij wie was vastgesteld dat ze niet verkocht aan particulieren hoewel talrijke van haar klanten niet stonden geregistreerd als BTW-belastingplichtige, dat van deze klanten 'tal van namen en/of adressen fictief' waren, dat de toegang bij genoemde NV werd geregeld door een aankooppas met een door een scanner aan de inkomdeur te lezen streepjescode, dat verder sommige afnemers in het bezit waren van meer koperskaarten (een met juiste identiteit, naast een of meer met fictieve namen en/of adressen op naam van familieleden, met dan de tweede en volgende zonder streepjescode).

Hetzelfde proces-verbaal van 16 februari 2001 stelt onder littera 1.B dat genoemde N.V. H. een verband had toegegeven tussen de effectieve koperskaart op naam van eiser en de fictieve koperskaart op naam van een zekere V. H. op een onbestaand gebleken adres, en dat bij nazicht van enkele van de door N.V. H. uitgeschreven facturen bleek dat het tijdstip waarop de facturen op naam van eiser en op naam van V. H. werden uitgereikt telkens verschil vertoonden van 'hooguit één minuut' (waarbij dit 'samenvallen' het geval was met betrekking tot 76 van de aan eiser in 1996 tot en met 1998 uitgeschreven facturen).

De verbalisant heeft de aankopen door 'V. R.' van daaruit beschouwd als aankopen door eiser, en hij heeft daarop het wettelijk vermoeden van artikel 64, § 1 Wetboek BTW van omzet onder met BTW belastbare omstandigheden toegepast.

Aan de berekende BTW werd daaraan krachtens artikel 70, § 1 BTW-Wetboek en artikel 1 laatste lid van KB nr. 41 inzake BTW, een boete gelijk aan 200 % gekoppeld om reden van oogmerk van belastingontduiking, naast vordering tot intrest en tot de kosten.

Op 20 februari 2001 heeft de Ontvanger onder verwijzing naar een vergeefs betalingsverzoek van 19 januari 2001 een op 23 februari 2001 uitvoerbaar verklaard dwangbevel opgesteid, en daarvan werd met aangetekende brief van 27 februari 2001 aan eiser kennis gegeven.

Op 19 augustus 2001 heeft eiser laten dagvaarden in betwisting van dit dwangbevel.

Onderzoek en beoordeling

Er loopt geen betwisting ter zake toelaatbaarheid van de aldus gestelde rechtsvordering, ook niet zo nodig van ambtswege aan te voeren.

Eiser werpt ten gronde - in essentie - op dat niet is bewezen dat eiser en V. R. dezelfde persoon zijn, dat in ieder geval niet vaststaat dat alle aankopen voor beroepsdoeleinden zijn gebeurd, en dat hoe dan ook de boete van 200 % niet mag worden behouden.

I. Uit de bijlagen bij hogervermeld proces-verbaal blijkt dat aankopen door eiser en aankopen door 'V. R.' in de loop van 1996, 1997 en 1998 nu eens samenvielen en dan weer niet.

Uit de gelijklopendheid qua factuurmoment in 76 van de 648 gevallen, samen gelezen met de verklaring door N.V. H. van verband tussen beiden, ook met het gegeven dat de koperskaart van eiser wel toegang verleende tot de verkoopruimte terwijl de koperskaart op naam van V. R. dat niet deed, heeft de BTW-belastingdienst een afdoende feitelijk vermoeden afgeleid dat eiser - onder het mom van de onbestaande 'V. R.' met fictief adres - zwarte aankopen deed.

II. De op zich juiste verdere stelling van eiser dat hij in een aantal gevallen aankopen deed die op zich geen professionele bestemming lijken te hebben uit oorzaak van hun aard of hoeveelheid (100 gram pepersalami, een toiletborstel, ... ) neemt niet weg dat hij zijn aankopen deed onder gebruik der aankoopkaarten (N.V. R. blijkt niet te verkopen aan particulieren), van waaruit de belastingdienst dan terecht het wettelijk vermoeden van omzet (van artikel 64, §1 Wetboek) heeft aangewend, en waardoor de bewijslast ter zake zeer bepaaldelijk die gevallen waarvoor het vermoeden niet geldt, op de schouders van eiser terechtkomt.

Deze bewijslast vult hij te dezen niet in, onderneemt daartoe ook geen pogingen.

III. Uit het geheel van bovenstaande gegevens blijkt dat eiser deelnam aan een systeem waar­ bij goederen werden onttrokken aan de normale heffing van BTW door zijn leverancier, en dat hij uit die handelwijze zelf geldelijk voordeel haalde.

Het gegeven dat de belastingdienst aanvankelijk naar aanleiding van een eerder toegestuurde correctieopgave de gevorderde boete heeft herleid tot 40 % in plaats van 200 %, mag te dezen niet in het voordeel van eiser worden uitgelegd als een recht waarop hij aanspraak zou kunnen maken.

Hij toont niet aan dat de herneming van de volledige boete van 200 % in het proces-verbaal en aldus in het dwangbevel, hem hebben belet of gehinderd in het voorleggen van zijn betwisting aan een rechtbank met volledige beoordelingsmacht ter zake de rechten en ter zake de boete.

Er ligt geen reden voor om ten aanzien van eiser over te gaan tot matiging van de toegepaste, wettelijk bepaalde boete, gelijk aan 200 % van de rechten, boete die tegelijk van bestraffende, afschrikkende en vergoedende aard is, en die de systematische belastingontduiking van eiser sanctioneert.

Dispositif

OM DIE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar, maar ongegrond,

Veroordeelt eiser tot de kosten, deze aan elke zijde begroot in de respectieve conclusies, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op … EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingvergoeding.

N. D. L. B.

Textes cités

3
CTVA art. 642 occurrences
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8