Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 7 septembre 1999

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-preuve-cour-appel-anvers-1999-09-07-f5a7

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
7 septembre 1999

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

80 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 07.09.1999

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest gewezen :

Zitting van : 7/9/1999

Inzake : 1997/AR/982

C. J., schoonheidsverzorgster, H.R. te Hasselt nr. …, voorheen wonende te …, …, en thans te …, …;

appellante,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 20 januari 1997;

vertegenwoordigd door Meester E. d. B. loco Meester H. V., advocaat te …, …;

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de Rekenplichtige van het eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt, wiens burelen gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester L. A. loco Meester P. V. d. S., advocaat te …, …;


Gelet op het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanslag te Hasselt op 20 januari 1997, waarvan geen akte van betekening wordt meegedeeld en waartegen bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 27 maart 1997, naar vorm en termijn regelmatig en toelaatbaar hoger beroep wordt ingesteld;

dat de eerste rechter het verzet van appellante tegen de verdere uitvoering van het dwangbevel, op verzoek van geïntimeerde betekend op 22 augustus 1991, ongegrond verklaart;

Overwegende dat, wat de betwisting betreft, appellante die een kleinhandel in schoonheidsproducten uitbaat, voor de jaren 1986, 1987 en 1988 onterecht de door de medecontracten aangerekende BTW in aftrek zou hebben gebracht alsmede in haar boekhouding niet alle door haar verrichte leveringen zou hebben opgenomen en de hierop verschuldigde BTW niet te hebben afgedragen aan de geïntimeerde; dat appellante hierdoor een bedrag van … frank als rechten verschuldigd zou zijn alsmede een geldboete van … frank op grond van het bepaalde in artikel 70, § 1 en § 1bis van het BTW-wetboek;

Overwegende dat appellante geen grieven uit tegen de onterechte uitgeoefende aftrek van BTW, bepaald op … frank, doch stelt dat de verhoging van de door haar aangegeven omzet niet gerechtvaardigd is omdat verkopen met verlies mogelijk zijn en niet wordt bewezen dat de boekhouding niet overeenstemt met de werkelijkheid; dat bovendien appellante vindt dat de bewijswaarde van het proces-verbaal d.d. 9 april 1991 dient te worden gerelativeerd en dat artikel 64, § 1 van het BTW-wetboek de Zesde Richtlijn schendt;

Overwegende dat verweerder concludeert tot de bevestiging van het bestreden vonnis;

Overwegende dat krachtens artikel 59, § 1 van het BTW-wetboek kunnen overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemeen recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën; dat deze processen­verbaal gelden tot bewijs van het tegendeel;

Overwegende dat appellante terecht opmerkt dat de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal enkel geldt voor de vaststellingen die de verbalisant deed en niet voor deducties die worden gemaakt door de verbalisant; dat tot die vaststelling behoren zowel het feit van de afgelegde verklaring door de belastingplichtige als weergave van de inhoud van de afgelegde verklaring;

Overwegende dat luidens het proces-verbaal opgesteld door de adjunct-verificateur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het tweede controlekantoor van de BTW van Beringen op 9 april 1991, appellante verklaarde alle producten te verkopen tegen vastgestelde prijzen, geen goederen te hebben verkocht tegen verminderde prijzen, geen extra kortingen te hebben gegeven en geen producten te hebben vernietigd;

dat de verbalisant eveneens vaststelde dat de ontvangsten van schoonheidsproducten bestemd voor doorverkoop kleiner zijn dat de aankoopwaarde van dezelfde producten voor de gecontroleerde jaren 1987 en 1988 doch dat dit niet het geval was voor het jaar 1991; dat aan deze werkelijke vaststellingen een karakter van waarheid toekomt;

Overwegende dat uit voormelde vaststellingen de administratie terecht heeft afgeleid dat niet alle verkopen werden ingeschreven in de boekhouding van appellante nu een handelaar winstbejag nastreeft en het economisch niet verantwoord is dat de belastingplichtige systematisch verkoopprijzen vaststelt die lager dan de aankoopprijzen zijn en nu op grond van de door appellante in 1991 opgegeven verkoopprijzen tot een winstmarge van 61 percent in laatstgenoemd jaar werd besloten en in 1986 met 11 % winst, in 1987 met 21 % verlies en in 1988 met 16 % verlies werd verkocht; dat dienvolgens de boekhouding van appellante bewijskracht mist;

Overwegende dat hieraan ten overvloede kan worden toegevoegd dat tijdens de controle met betrekking tot de voorraad van 31 december 1990 onregelmatigheden werden vastgesteld; dat op 1 februari 1991 eiseres het inventarisboek aan de verbalisant overhandigde doch de werkelijke controle van de voorraad categoriek weigerde en het dagboek van ontvangsten slechts was ingeschreven tot en met 23 januari 1991; dat op 6 februari 1991, na grondige controle van de voorraad, bleek dat sommige van de op dat ogenblik niet meer in voorraad zijnde producten niet werden opgenomen in het dagboek van ontvangsten in de periode van 1 januari 1991 tot 6 februari 1991; dat die producten volgens verklaring van eiseres, ofwel werden geschonken ofwel zelf werden gebruikt; dat voor sommige niet in voorraad zijnde producten eiseres aan de verbalisanten geen verklaring gaf; dat in zoverre er producten na 1990 tot aan de controle op 6 februari 1991 uit de voorraad werden verkocht, deze goederen evenmin terug te vinden waren in het dagboek van de ontvangsten; dat appellante beweert doch niet aantoont dat de voorraad klopte met het dagboek van de ontvangsten, op uitzondering van twee potloden; dat de belastingplichtige gehouden is een boekhouding te voeren die voldoende gedetailleerd is om de heffing van de belasting mogelijk te maken; dat deze vaststellingen aantonen dat de boekhouding van appellante ook met betrekking tot een later jaar bewijskracht mist aangaande de juistheid van de geboekte gegevens en het aangegeven omzetcijfer;

Overwegende dat in de gegeven omstandigheden, bij gebreke van een betrouwbare en fiscaal correcte boekhouding, om tot de juiste heffing van de belasting over te gaan, geïntimeerde verplicht was toepassing te maken van artikel 59, § 1 en artikel 64, § 1 van het BTW-Wetboek;

Overwegende dat luidens het wettelijk vermoeden van artikel 64, § 1 van het BTW-Wetboek hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht wordt de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt;

Overwegende dat volgens de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van wet tot invoering van de BTW dit vermoeden wordt toegepast wanneer de met controle belaste ambtenaren een vergelijking maken tussen, eensdeels, het bedrag van de aankopen die door een belastingplichtige over een bepaalde periode werd verricht, vermeerderd met een vermoedelijke winst en anderdeels het bedrag van de belaste verkopen; dat het huidige in artikel 64, § 1 geformuleerde vermoeden werd overgenomen uit artikel 48ter van het Wetboek van met Zegel Gelijkgestelde Taksen; dat onder het stelsel van de met zegel gelijkgestelde taksen er werd van uitgegaan dat laatstgenoemd artikel 48ter een wettelijke bevestiging was van een feitelijk vermoeden dat reeds voordien in de rechtspraak werd toegepast; dat dit wettelijk vermoeden in het BTW-Wetboek werd opgenomen onder het hoofdstuk X : Bewijsmiddelen en controlemaatregelen; dat gezegd artikel 64 geen afwijking is van de artikelen in verband met onder meer de verschuldigdheid van de BTW, de vaststelling van de plaats van de handeling, het belastbaar feit en dus ook niet behandeld wordt in de Zesde Richtlijn; dat dienvolgens de Belgische Staat geen kennisgeving had moeten doen van deze maatregel aan de Commissie en er geen sprake is van een schending van deze Richtlijn; dat appellante in haar conclusie niet langer aandringt tot het stellen van een prejudiciële vraag aangaande voormelde schending;

Overwegende dat appellante niet aantoont op grond waarvan de overheid met artikel 64 BTW-Wetboek de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden;

Overwegende dat de bestreden beslissing wordt bevestigd;

Dispositif

OM DIE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op de artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis;

Verwijst appellante in de kosten, begroot aan de zijde van geïntimeerde op … fr. rechtsplegingsvergoeding, volgens opgave in conclusie.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZEVEN SEPTEMBER NEGENTIENHONDERDNEGENENNEGENTIG,

waar aanwezig waren :

mevrouw M. B., Voorzitter;

mevrouwen A W. en D. W., Raadsheren;

de heer A v. L., Griffier.

A. V. L. D. W. A. W. M. B.

Décision jointe par le SPF

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, VIJFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE AR NR. 95/2491/A

J. C., …, …, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder nr. …, geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder nr. …, schoonheidsverzorgster,

eiseres,

vertegenwoordigd door Mr. B. loco Mr. V., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het Eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt, wiens burelen gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan, 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. M. B. loco Mr. V. M., advocaat te …, …,

VOLGT HET VONNIS :

Bij geregistreerd exploot van gerechtsdeurwaarder L. R. te … d.d. 9.9.1991 tekende eiseres verzet aan tegen de verdere uitvoering van een dwangbevel dat haar ten verzoeke van verweerder op 22.8.1991 werd betekend.

Ingevolge een onderzoek door de diensten van verweerder werd er voor de jaren 1986, 1987 en 1988 een omzetverhoging weerhouden van … fr.. Desbetreffende werd er d.d. 9.4.1991 een proces-verbaal opgemaakt waarbij een verschuldigde BTW werd weerhouden van … fr meer boeten en intresten.

Eiseres op verzet houdt voor dat.

1. de invordering voor de eerste twee kwartalen van 1986 is verjaard.

2. voor genoemde jaren er geen onregelmatigheden werden vastgesteld in haar boekhouding zodat deze bewijskrachtig is spijts de door haar afgelegde verklaringen.

3. er betreffende het vermoeden van art. 64 een prejudiciële vraag dient te worden gesteld aan het Europees Hof van Justitie.

Beoordeling

1. Gezien de afstand van verjaring dewelke door eiseres per 9.4.1991 v:erd gedaan (stuk 5 van verweerder) kan deze zich niet beroepen op de vijfjarige verjaring wat betreft voornoemde kwartalen.

2. In genoemd proces-verbaal werd vastgesteld "de ontvangsten van de verkoop van schoonheidsproducten bestemd voor doorverkoop zijn kleiner dan de aankoopwaarde van diezelfde producten voor de gecontroleerde jaren".

Gezien deze vaststelling en de verklaringen van eiseres afgelegd aan de verbalisant was deze van mening dat er voldoende elementen waren om over te gaan tot een herberekening van de omzet over voornoemde jaren.

Uit genoemde vaststelling leidt verweerder af dat niet alle verkopen werden opgenomen in de boekhouding van eiseres.

Gezien de bewijskracht ener boekhouding van een belastingplichtige is het aan verweerder om te bewijzen dat deze niet overeenstemt met de werkelijkheid.

Principieel betwist eiseres genoemde vaststelling niet doch stelt dat deze veroorzaakt werd doordat zij bepaalde goederen met verlies zou verkocht hebben.

Hier speelt het vermoeden van art. 64, § 1 van het BTW-wetboek en daartoe hoeft geen prejudiciële vraag te worden gesteld.

Eiseres dient aan te tonen dat zij verkocht met verlies. De overwegingen desbetreffende gedaan door eiseres kunnen de rechtbank niet overtuigen. Ten deze dient te worden verwezen naar de door haar aan de verbalisant afgelegde verklaringen en het feit dat deze laatste in 1991 een winstmarge vaststelde van 61 %, waaruit helemaal niet blijkt dat eiseres een zodanig slechte zakenvrouw was, als door haar thans wordt voorgehouden.

Verweerder verwierp derhalve om gegronde motieven de bewijskracht van de boekhouding van eiseres.

De voorraadcontrole dewelke de verbalisant uitvoerde in 1991 bracht hiervan de bevestiging en wordt door verweerder niet rechtstreeks gebruikt om de weerhouden omzetverhoging te staven (zie aanvullende besluiten p. 4).

3. Er is geen enkele aanwijzing dat de gemiddelde winstmarge in onderhavige sector lager was dan 58 % zodat de herberekening terecht werd gedaan op basis dezer in deze sector aangenomen forfaitaire winstmarge.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart het verzet ontvankelijk doch ongegrond.

Verwijst eiseres tot de kosten van het geding, deze in haren hoofde begroot op de som van … fr (… fr dagvaardingskosten, … fr rechtsplegingsvergoeding) en begroot in hoofde van verweerder op … fr rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vijfde kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 20 JANUARI 1997,

alwaar zetelden :

De Heer R. S., Ondervoorzitter,

De Heer R. D., Griffier.

R. D. G. L.

Textes cités

3
CTVA art. 645 occurrences
CTVA art. 591 occurrence
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8