Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 23 février 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-tribunal-bruxelles-2010-02-23-6ca6

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
23 février 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

98 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 23.02.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel, 35ste Kamer

AR 2007/1443/A

Fiscale zaken : BTW

op tegenspraak

eindvonnis

In zake van :

De BVBA B. & T. C., met zetel te …, … met KBO-nummer …

eisende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. F. D. C. loco Mr. L. T., advocaat te …, …

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de e.a. Inspecteur van het Ontvangkantoor Vilvoorde, met kantoren te 1800 Vilvoorde, Groenstraat nr. 51,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. F. S., advocaat te …, …

In deze zaak, in beraad genomen op 26/01/2010, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken

Gelet op :

- het gedinginleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 30/01/2007;

- de beschikking genoemd in toepassing van art. 747, § 2 Ger. W. d.d. 20/05/2008;

- de conclusies en syntheseconclusies voor verwerende partij neergelegd ter griffie op 29/11/2007 en op 12/11/2009;

- de conclusies voor eisende partij, neergelegd ter griffie op 18/02/2009;

- het bundel met stukken van verweerder neergelegd ter zitting op 26/01/2010;

- het bundel met stukken van eisende partij neergelegd ter griffie op 30/12/2009;

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 26/01/2010, waarna twee bundels met de stavingstukken van partijen werden neergelegd en de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op. het taalgebruik in gerechtszaken.

1. GEEN SAMENVOEGING

Eisende partij vordert de samenvoeging van huidige zaak met de zaak gekend onder AR nummer 07/2391/A.

De rechtbank is van oordeel dat huidige zaak en de zaak gekend onder AR nr. 07/2391/A geen samenhangende zaken als bedoeld in art. 30 Ger. W. Zijn omdat het twee verschillende partijen betreft, zodat er geen reden is om ze samen te voegen.

Beide zaken worden wel op dezelfde zitting behandeld.

2. FEITEN

Het geding heeft betrekking op een geschil inzake BTW-wetgeving.

Eisende partij is BTW-plichtige.

Na een door de bevoegde diensten van verwerende partij bij eisende partij uitgevoerde BTW-controle m.b.t. de periode 1/10/2001 - 30/09/2003 werden er een aantal overtredingen vastgesteld.

Op grond daarvan werd een correctie-opgave opgesteld en ondertekend door eisende partij op 25/10/2004.

Uit deze correctie-opgave blijkt dat eisende partij volgende bedragen aan BTW en aanhorigheden verschuldigd zou zijn aan verwerende partij :

BTW·: € 59 683,05

Boetes : € 194 362,26

Interest : p. m.

Eisende partij ondertekende evenwel onder de vermelding "Gelezen en goedgekeurd voor de vorm van zevenennegentigduizendhonderdéénentachtig euro en dertien cent".

Op 7 juni 2005 vaardigde verwerende partij een dwangbevel uit voor voormelde bedragen dat op 9 juni 2005 door de bevoegde Gewestelijke Directeur geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd.

Dit dwangbevel werd op 30 juni 2005 aan eisende partij betekend.

D.m.v. verzoekschrift neergelegd ter griffie op 30/01/2007 stelde eisende partij een vordering in rechte in tegen voormeld dwangbevel.

3. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering van eisende partij strekt erto “te zegge voor recht dat de opgelegde boete integraal dient te worden vernietigd ingevolge haar willekeurig karakter".

In ondergeschikte orde vordert eisende partij de herleiding van de opgelegde boete naar 20 % van het te betalen BTW-bedrag, zijnde € 11.936,61, “minstens te herleiden naar redelijkheid".

Tot slot beoogt zij de veroordeling van de Belgische Staat tot teruggave van de ten onrechte geïnde bedragen meer moratoire interesten en tot de betaling van de kosten van het geding.

Verwerende partij concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

4. BEOORDELING

4.1. Ontvankelijkheid

De vordering van eisende partij werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 30/01/2007.

Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering van eisende partij niet.

Nu de rechtbank van oordeel is dat er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn dient de vordering van eisende partij ontvankelijk te worden verklaard.

4.2. Gegrondheid

Eisende partij voert aan dat de aan haar opgelegde boete manifest overdreven is. Volgens eisende partij is de boete overdreven omdat er bij het bepalen van de boete geen rekening werd gehouden met de in de correctie-opgave toegestane aftrek (rekening houdend met de toegestane aftrek bedroeg de schuld in hoofdsom € 59 683,05 aldus eisende partij).

Nog volgens eisende partij was er nooit een akkoord m.b.t. de boete.

M.b.t. de opgelegde boete

De inzake in toepassing van art. 70, § 1 en art. 70, § 4 W.BTW opgelegde boetes zijn administratieve sancties.

Krachtens artikel 70, § 1, van het BTW-wetboek, wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 84 van dat wetboek, wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boet bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van de overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cassatie 13/02/2009, arrest nr. F. 06.0106.N. www.cass.be ).

Inzake wordt niet aangetoond dat de opgelegde sanctie in strijd zou zijn met dwingende rechtsregels van het internationale recht of fundamentele algemene rechtsbeginselen.

De rechter kan niet alleen een wettigheidscontrole doorvoeren maar heeft ook een toetsingsrecht dat hem toelaat na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk.

Uit het dossier (uit de correctieopgave meerbepaald, want dit is het enige relevante stuk dat aan de rechtbank wordt voorgelegd) blijkt dat de gesanctioneerde inbreuken o.m. zijn

- materiële vergissingen;

- inbreuken op de aftrekregeling t.a.v. goederen en/of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privé- of andere doeleinden dan die van economische activiteit;

- inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van levering, intracommunautaire verwerving en invoer van personenwagens en van goederen en diensten m.b.t. die voertuigen;

- inbreuken op bepalingen m.b.t. het opnemen in de BTW-aangifte van de verschuldigde en aftrekbare BTW m.b.t. handelingen die met verlegging van heffing dienen te gebeuren.

- vergissingen inzake tarieven;

- het indienen van nihil aangiften terwijl er belastbare handelingen werden gesteld;

Eisende partij voert informaticaproblemen aan om deze inbreuken te verrechtvaardigen die ze evenwel niet verwijst : verwerende partij stelt dat er bedrieglijk opzet voorhanden was inzake maar bewijst dit evenmin.

In tegenstelling tot wat eisende partij voorhoudt is het aan de rechtbank niet toegelaten om loutere redenen van billijkheid of opportuniteit de door de wet opgelegde geldboete te verminderen of kwijt te schelden (vgl. Cass., 21 januari 2005, www.cass.be ).

Een boete van 200 % komt evenwel onverantwoord voor in voorliggende zaak volgens de rechtbank (vgl. ook Vraag nr. 359 van de heer Luk Van Biesen van 30 september 2008 aan de Vice-eerste Minister en Minister van Financiën en Institutionele Hervormingen aangaande de verlegging van BTW en de onterechte verlegging, Vr. en Antw. 52 042, 24 november 2008, 11 263 waarin de Minister van Financiën verklaart dat hij van oordeel is dat de huidige administratieve geldboeten voor de diverse overtredingen van de bestaande systemen van verlegging van heffing niet altijd in verhouding staan tot de begane overtredingen en tot de belangen van de Schatkist).

De boete dient een zekere omvang te hebben wil zij een ontmoedigend karakter hebben.

Gelet op het geheel van de feiten inzake (de aard van de inbreuken, het gebrek aan antecedenten, ... ) zoals die blijken uit het summiere dossier is de rechtbank van oordeel dat de boete in voorliggend geval onevenredig is en herleid dient te worden tot 20%.

Dit middel van eisende partij is gegrond.

De vordering van eisende partij dient bijgevolg deels gegrond te worden verklaard.

5. WAARDE VAN DE VORDERINGEN GEVORDERDE RECHTSLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eisende partij deels gegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van verwerende partij.

Uit het dossier blijkt dat de waarde van het geschil zich situeert tussen € 100.000,01 en € 250.000,00.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding in toepassing van de bepalingen van het KB d.d. 26 oktober 2007 begroot worden op € 5000,00. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle andersluidende en meeromvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en deels gegrond,

Herleidt de betwiste boete tot 20 % van € 194.362,26;

Veroordeelt verwerende partij tot de kosten van het geding begroot op € 5.000,00 aan de zijde van verweerder.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 23 februari 2010.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer M. L., rechter

Mevrouw l. D., griffier.

l. D. M. L.

Textes cités

3
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 841 occurrence

Décisions similaires

8