Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 25.05.2004
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep te Gent, 5e kamer - terechtzitting van 25-05-2004
BURGERLIJK
Belastingen
Tussenarrest d.d. 23.09.2003
Nr. 2001/AR/1552
in de zaak van :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Gent 1, wiens kantoren gevestigd zijn te 9000 GENT, Martelaarslaan 17,
appellant van een vonnis van de REA te Gent, zesde kamer, dd.10.05.2001,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. M. M. loco mr. V. A. E., advocaat te .., …
tegen :
O. P., voorheen handelaar, thans bediende, wonende te …, …,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. M. L., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
Gezien het tussenarrest van deze kamer van het Hof d.d. 23.9.2003.
1. De appellant heeft thans een bijkomende reeks facturen voorgelegd.
a.
Met betrekking tot de hierna opgesomde van deze voorgelegde facturen moet worden vastgesteld dat zij betrekking hebben op leveringen op dezelfde datum (volgens vermelding dan wel volgens factuurdatum), opeenvolgende factuurnummers en opeenvolgende verzendnotanummers hebben, betrekking hebben op een identieke hoeveelheid vaten bier (en soms ook andere dranken) van dezelfde soort : de facturen met nummers 24.333-24.334, 25.887-25.888, 26.399-26.400-26.401, 30.167-30, 168-30.169, 30.847-30.848, 31.777-31.778, 31.934-31.935, 32.245-32.246, 32.825-32.826, 32.959-32.960, 94000728-94000729, 94000954-94000955, 94001442-94001443, 94002680-94002681, 94003311-94003312, 94003484-94003485, 94004009-94004010, 94004309-94004310, 94004876-94004877-940004878, 94005365-94005366, 94005791-94005792, 94005886-94005887, 94006392-94006393, 94006527-94006528, 94008312-94008313.
Volgens de vermeldingen op de meeste facturen op naam van een particulier of "Diversen" wordt ook telkens een voor een particulier grote hoeveelheid lege vaten terugbezorgd.
De vermelde facturen staan duidelijk in verband met elkaar en moeten geacht worden allen betrekking te hebben op leveringen aan de geïntimeerde, mede gelet op de in het tussenarrest d.d. 23.9.2003 reeds aangehaalde verklaringen van R. H.. Ook hier is er overeenstemming met de verklaring van R. H. in punt 2.5 van het proces-verbaal van 20.8.1997 waar hij stelt dat er een aantal afnemers waren die kochten in een verhouding van ½ officieel en ½ niet-officieel.
b.
Daarnaast is er een groep facturen die zelfde kenmerken vertonen als deze vermeld sub a. behoudens dat ofwel de ene maal de verzendnotanummers ofwel de andere maal de factuurnummers elkaar niet onmiddellijk opvolgen. Ook zonder het opeenvolgend verzendnota- of factuurnummer is het verband tussen de facturen duidelijk, mede gelet op de reeds in het tussenarrest aangehaalde verklaringen van R. H.. De nummers waarvan sprake zijn bovendien weliswaar niet onmiddellijk opvolgend, maar zeer nader tot elkaar. Ook deze facturen moeten beschouwd worden allen betrekking te hebben op leveringen aan de geïntimeerde. In deze categorie facturen dienen te worden ondergebracht de facturen met nummers 28.282-28.283, 96003207-96003213.
c.
Het verband tussen de facturen 96005934 en 96005926 is niet bewezen. Zij hebben enkel een opeenvolgend verzendnotanummer, en verder een zelfde datum en slechts twee soorten frisdrank gemeen, maar vertonen voor het overige geen overeenstemmingen. De voorhanden zijnde gegevens zijn ontoereikend om tot onderling verband te besluiten.
d.
De appellant legt volgende facturen niet voor, hoewel vermeld in de bijlagen bij de processen-verbaal (stuk 1 van de appellant), zodat niet bewezen is dat de BTW in hoofde van die facturen verschuldigd is : de facturen nrs. 20.253 (8.1.1993), 20.533 (15.1.1993), 20.534 (15.1.1993), 21.061 (27.1.1993), 21.062 (27.1.1993), 22.877 (5.3.1993), 23.198 (12.3.1993), 23.547 (19.3.1993), 23.816 (26.3.1993).
2. Bij tussenarrest van 23.9.2003 heeft het Hof de debatten heropend om volgende redenen :
"In het dwangbevel is een bedrag opgenomen van 646.818 BEF (thans 16.034,20 EUR) aan BTW. Dit bedrag wordt berekend in het procesverbaal van de BBI van 1.4.1998, waarbij vertrokken wordt van de aankopen die volgens de BBI niet officieel gebeurden om daaruit de omzet te berekenen (verkopen). Deze niet-officiële aankopen moeten blijken uit de in bijlage bij het vermelde proces-verbaal gevoegde lijst, waarvan evenwel niet alle facturen worden voorgelegd door de appellant, zodat het Hof de juistheid ervan niet kan nagaan. Het zal aan de appellant behoren alle facturen van niet-officiële leveringen voor te leggen waarop het bedrag aan BTW in het dwangbevel is gesteund, aan te tonen - zoals voor de hoger aangehaalde facturen - dat het leveringen betreft aan de geïntimeerde, en desgevallend een herberekening uit te voeren mocht hij hierin niet slagen. Zulks is des te meer noodzakelijk nu er geen overeenstemming is in het weerhouden bedrag van de nietofficiële aankopen in de minnelijke inregelstelling (stuk 1 van de geïntimeerde) en dat in het proces-verbaal van 1.4.1998. De debatten dienen met het oog daarop te worden heropend, en partijen dienen te worden uitgenodigd nader te concluderen over de door de appellant eventueel aangebrachte staving van het BTW-bedrag."
De partijen kunnen na dit tussenarrest slechts debat voeren over het voorwerp van de heropening der debatten (vergelijk met Cass. 23.12.1976, Pas. 1977, I, 462 en Cass. 29.6.1995, Pas. 1995, nr. 341, p. 713).
Het gewijsde van het tussenarrest dient eveneens te worden geëerbiedigd. Er dient dan ook niet te worden omgegaan op de door de geïntimeerde buiten deze beide grenzen gevoerde argumentatie.
Voor zoveel als nodig wordt vastgesteld dat de door de geïntimeerde pas na tussenarrest voorgelegde stukken en de door haar thans nog gevoerde argumentatie niet van aard zijn bovenvermelde vaststellingen te ontkrachten.
De verwijzing naar beslissingen in verband met andere concrete gevallen dan de huidige is niet dienend.
Willekeur blijkt niet. Behoudens waar de appellant nalaat een aantal facturen voor te leggen blijkt integendeel dat hij zijn vordering uit hoofde van BTW heeft willen beperken tot wat hij zeker als verschuldigd achtte.
Om de redenen reeds aangehaald in het tussenarrest van 23.9.2003 kan de geïntimeerde niet gevolgd worden in zijn stelling dat de verklaringen van R. H. ongeloofwaardig zouden zijn (waarvan trouwens niet blijkt - anders dan de geïntimeerde voorhoudt - dat R. H. ze zelf zou betwisten). Het gegeven dat de particulieren wier naam vermeld werd op de facturen de geïntimeerde niet zouden kennen is ook niet van aard de verklaring van R. H. dat de klant de valse namen en adressen opgaf in het gedrang te brengen, nu ook valse namen en adressen van onbekenden kunnen worden opgegeven.
3. Wat de mogelijke verjaring betreft, moet worden vastgesteld dat de geïntimeerde gehouden is een kwartaalaangifte in te dienen (zie het proces-verbaal van 1.4.1998, stuk 1 van de appellant, p. 1, tweede paragraaf). Het te dezen toepasselijke artikel 81, eerste lid BTW-Wetboek bepaalt dat de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan. De vordering ontstaat op het ogenblik dat de indieningtermijn van de aangifte waarin de verrichting moest worden opgenomen, verstreken is. De belastingplichtige dient zijn kwartaalaangifte te doen uiterlijk de 20e dag van de eerste maand na ieder kalenderkwartaal (artikel 18, § 2 KB nr. 1 van 29.12.1992). Voor de oudste door de appellant weerhouden facturen (die van het eerste kwartaal 1993) kon de geïntimeerde een aangifte indienen tot 20.4.1993, zodat - rekening houdend met de verjaringstermijn van 5 jaar - op het ogenblik van de verjaringsstuitende kennisgeving van het dwangbevel (per aangetekend schrijven van 15.4.1998, datum niet betwist door de geïntimeerde, zie o.m. de inleidende dagvaarding) de BTW verschuldigd voor het eerste kwartaal 1993 (en a fortiori voor de volgende kwartalen) niet verjaard was.
Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, met wat reeds in het vermelde tussenarrest werd vastgesteld, en met de in het proces-verbaal van 1.4.1998 (stuk 1 van de appellant) berekende en weerhouden BTW (646.818 BEF (thans 16.034,20 EUR), gevorderd in het dwangbevel), blijkt dat de verschuldigde BTW als volgt dient te worden berekend :
Eerste kwartaal 1993 :
Een aantal facturen voor dit kwartaal worden niet voorgelegd zodat het verschuldigd zijn van BTW voor deze facturen niet bewezen is (zie hoger).
De verschuldigde BTW voor dit kwartaal volgens de berekeningsmethode (niet door de geïntimeerde betwist) uitgevoerd in het proces-verbaal van 1.4.1998, 5e en 6e blad, bedraagt :
- berekening van de opbrengst van het bier aangekocht in vaten : 252.400 BEF (thans 6.256,83 EUR)
- serveren van koude dranken, aangekocht in 779,38 EUR) kleine flessen : 31.440 BEF (thans - serveren van koude dranken, andere dan bier, aangekocht in grote flessen : 149.400 BEF (thans 3.703,53 EUR)
- totaal : 433.240 BEF (thans 10.739,74 EUR)
- basisbedrag : 433.240 BEF (thans 10.739,74 EUR) x 100 / 119,5 = 362.544 BEF (thans 8.987,23 EUR)
- BTW 19,5 % = 70.696 BEF (thans 1.752,51 EUR)
Tweede tot vierde kwartaal 1993 :
- basisbedrag (zie het proces-verbaal van 1.4.1998) : 439.400 BEF (thans 10.892,44 EUR) + 116.760 BEF (thans 2.894,40 EUR) + 426.900 BEF (thans 10.582,57 EUR) = 983.060 BEF (thans 24.369,42 EUR) x 100 / 119,5 = 822.644 BEF (thans 20.392,81 EUR)
- BTW 19,5 % op 822.644 BEF (thans 20.392,81 EUR) = 160.416 BEF (thans 3.976,61 EUR)
Boekjaar 1994 (zie het proces-verbaal van 1.4.1998, zevende blad) : 221.373 BEF (thans 5.487,69 EUR)
Boekjaar 1995 (zie het proces-verbaal van 1.4.1998, achtste blad) : 28.904 BEF (thans 716,51 EUR)
Boekjaar 1996
De berekening op het negende blad van het proces-verbaal van 1.4.1998 wordt :
- 384.200 BEF (thans 9.524,07 EUR) (1) + 45.960 BEF (thans 1.139,32 EUR) (2) + 31.500 BEF (thans 780,86 EUR) (3) = 461.660 BEF (thans 11.444,25 EUR)
- basisbedrag : 461.660 BEF (thans 11.444,25 EUR) x 100/121 = 381.537 BEF (thans 9.458,06 EUR)
- BTW 21 % op 381.537 BEF (thans 9.458,06 EUR) = 80.123 BEF (thans 1.986,20 EUR)
Totaal BTW
70.696 BEF (thans 1.752,51 EUR) + 160.416 BEF (thans 3.976,61 EUR) + 221.373 BEF (thans 5.487,69 EUR) + 28.904 BEF (thans 716,51 EUR) + 80.123 BEF (thans 1.986,20 EUR) = 561.512 BEF (thans 13.919,52 EUR)
4. De boete aan de geïntimeerde opgelegd in toepassing van artikel 70, § 1 BTWwetboek is een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM (Verdrag van 1.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13.5.1955). Ter eerbiediging van artikel 6 EVRM dient het Hof bevoegd geacht te worden het opleggen van dergelijke boete te controleren met volle rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (zie EHRM, 4.3.2004, Silvester 's Horeca Service t/ België, www.echr.coe.int ).
Er moet worden vastgesteld dat de geïntimeerde de belasting willens en wetens heeft willen ontduiken door gebruik te maken van het door de NV R. H. en de BVBA H. aangeboden fraudesysteem, en dit gedurende verschillende jaren (meer bepaald te dezen van 1993 tot 1996), met een niet-onbelangrijke ontduiking van de belasting tot gevolg. Waar de vermelde boete tot doel heeft aan te zette tot nakomen van de BTW-verplichtingen en door bestraffing herhaling van dergelijke inbreuken te vermijden, dient wel nuttig te worden vermeld dat de geïntimeerde reeds minstens sedert en volgens de dagvaarding van 14.5.1998 geen handelaar meer is, maar bediende, zodat de kansen op herhaling van dergelijke praktijken reeds sedert enkele jaren lager lijken.
In deze omstandigheden is een boete van 100 % in redelijkheid en billijkheid te rechtvaardigen, en dient de door de appellant opgelegde boete in die mate te worden herleid nl. tot 561.512 BEF (thans 13.919,52 EUR).
Dispositif
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni i 935 op het gebruik der talen.
Verklaart het hoger beroep deels gegrond.
Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar dit de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaart, en opnieuw wijzende,
Verklaart de vordering van de geïntimeerde deels gegrond.
Verklaart deels gegrond het verzet van de geïntimeerde tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd op 14.4.1998 door B. P., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het 1e BTW-ontvangkantoor te Gent, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14.4.1998 door G. D. C., eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent.
Vernietigt dit dwangbevel in de mate waarin het voor de verschuldigde BTW een hoger bedrag vaststelt dan 561.512 BEF (thans 13.919,52 EUR), en voor de geldboete een hoger bedrag vaststelt dan 561.512 BEF (thans 13.919,52 EUR).
Veroordeelt de appellant tot 2/5 en de geïntimeerde tot 3/5 van de kosten van beide aanleggen, in hun totaal als volgt begroot :
- aan de zijde van de appellant : op 319,78 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 57,02 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + 57,02 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening der debatten + 456,12 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal 889,94 EUR;
- aan de zijde van de geïntimeerde : op 100,03 EUR dagvaarding + 319,78 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 57,02 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening der debatten + 456,12 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal 932,95 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op VIJFENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN VIER.
Aanwezig :
Mevrouw N. v. I., Voorzitter,
De Heren A. D. M. en G. T., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. G. T. A. D. M. N. v. I.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.