Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 31 octobre 2001

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-gand-2001-10-31-03ea

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
31 octobre 2001

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

68 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 31.10.2001

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent - 13e Kamer - Terechtzitting van 31/10/2001

1997/AR/2465

In de zaak van :

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van het Eerste BTW­ontvangkantoor te Kortrijk, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

appellant,

hebbende als raadsman Mr. P. M., advocaat te …, …

tegen :

O. W. W.-V. CV, met maatschappelijke zetel …, …, ingeschreven in het H.R. te Kortrijk onder het Nr. …,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman Mr. G. K., advocaat te …, …

velt het Hof het volgend arrest :

Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 20 oktober 1997 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 2 juni 1997 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer.

Er wordt geen bewijs van betekening van dit vonnis voorgelegd.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De feiten

De renbaanmaatschappijen van … en … hebben samenwerking gezocht op diverse domeinen en zo ook op het vlak van de weddenschappen.

Als lasthebber van de beide renbaanmaatschappijen werd de geïntimeerde belast met het beheer en de organisatie van de weddenschappen, binnen de omheining van de renbaan. Daarvoor ontving de geïntimeerde maandelijks … BEF van elke renbaan. Op dit bedrag werd de BTW aangerekend, betaald en doorgestort aan de Belgische Staat.

Daarnaast gaven de beide renbaanmaatschappijen ook nog werkingstoelagen aan de geïntimeerde. Op deze werkingstoelagen - door de geïntimeerde ook subsidies genoemd - werd geen BTW aangerekend en derhalve ook niet doorgestort aan de appellant.

Volgens een voorgelegde overeenkomst tot uitbetaling van een “werkingstoelage”, gaven de beide renbaanmaatschappijen aan de geïntimeerde opdracht "om in zijn naam en voor zijn rekening ... alle maatregelen te treffen om het gebruik ervan te bevorderen en zo de organisatie van de weddenschappen op paardenwedrennen zo modern en opportuun mogelijk in te richten, teneinde de weddenschappen op paardenwedrennen binnen de hippodroom te bevorderen". Krachtens art. 6 van deze overeenkomst "ontvangt de genieter (noot : d.i. de geïntimeerde) een werkingstoelage. Deze toelage wordt als volgt begroot : 77,55 % op de totale inzetten weddingschappen (in dit percentage is het totaal bedrag van de uitbetaalde inzetten, taxen of welkdanige vergoedingen inbegrepen) : 22,45 % op de totale inzetten weddingschappen worden overgemaakt aan de eigenaar" (noot : d.i. de renbaanmaatschappij).

De administratie hield voor dat al wat de geïntimeerde van de beide renbaanmaatschappijen ontving een vergoeding was voor geleverde prestaties en dat derhalve ook op deze “werkingstoelagen” BTW diende betaald te worden. Deze ontvangsten beliepen … à … BEF per jaar.

De geïntimeerde hield voor dat de “werkingstoelagen” niet de prijs waren van een dienst en dat de betaling van de subsidies evenmin betrekking had op de prijs van belastbare handelingen.

Op 7 juli 1992 werd door de administratie een proces-verbaal opgesteld en op 13 juli 1992 werd een invorderingsorder gestuurd voor een bedrag van … BEF BTW, … BEF wettelijke geldboete conform art. 70, § 1 BTW-wetboek en de interest vanaf 21 januari 1992.

Daar deze bedragen niet werden betaald werd op 30 september 1992 een dwangbevel uitgevaardigd. Dat dwangbevel werd op 13 oktober 1992 betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder.

Tegen dit dwangbevel werd door de geïntimeerde verzet aangetekend.

Argumenten van de partijen en bestreden vonnis

De geïntimeerde hield voor dat het dwangbevel nietig was omdat het niet in origineel werd betekend en dat de vordering bovendien ongegrond was omdat de “werkingstoelagen” geen tegenprestatie waren van een geleverde dienst. Verder werd de wettelijkheid van de boete betwist omdat ze niet gemotiveerd werd.

En daar het dwangbevel diende vernietigd te worden, vorderde de geïntimeerde ook de terugbetaling van een bedrag van … BEF dat was ingehouden op haar tegoed op de lopende rekening, vermeerderd met de interest.

In conclusie stelde de geïntimeerde ook dat het afschrift van het dwangbevel niet eensluidend werd verklaard door de ontvanger, noch door de gerechtsdeurwaarder, dat alleen het afschrift van het proces-verbaal eensluidend werd verklaard door de gerechtsdeurwaarder en dat daardoor de betekening in haar geheel nietig was.

Zij zette verder uiteen dat haar activiteiten dubbel waren, en dat zij enerzijds handelde als lasthebber van de renbaanmaatschappijen, waarvoor zij werd vergoed a rato van … BEF per maand (bedrag waarop BTW verschuldigd was) en anderzijds in eigen naam acties ondernam om de weddenschappen te bevorderen (activiteit waarvoor zij niet belastbare “werkingstoelagen” kreeg).

De administratie hield staande dat het dwangbevel niet nietig was omdat het niet onderworpen is aan sacramentele vormen en omdat het voldeed aan alle gestelde eisen. Zij meende ook dat de werkingstoelage een maatstaf was voor heffing omdat ze werd betaald voor een dienst en rechtstreeks verband hield met de prijs van de handelingen. Zij stelde dat de geïntimeerde niet had bewezen dat de werkingstoelage betrekking had op handelingen welke buiten de werkingssfeer van de BTW vielen. Zij verwees ook naar de artikelen 860 en 861 Ger. W., naar art. 85, § 3 BTW­wetboek en vroeg de afwijzing van het verzet.

De administratie wees ook op het feit dat het laatste blad van de bijlagen gevoegd bij het exploot van de gerechtsdeurwaarder (zijnde het laatste blad van het proces-verbaal) voor eensluidend verklaard werd door de gerechtsdeurwaarder en dat dit sloeg op alle bijlagen.

In het bestreden vonnis werd geoordeeld dat art. 85, § 3 BTW­wetboek bepaalt dat het dwangbevel moet betekend worden en dat art. 32, 1° Ger. W. stelt dat onder betekening dient verstaan de afgifte van een afschrift. De rechter stelde verder dat de art. 43 en 45 Ger. W. bepalen dat een afschrift van exploot op straffe van nietigheid alle vermeldingen van het origineel dient te bevatten en dat het moet ondertekend zijn door de gerechtsdeurwaarder, die met deze ondertekening bevestigt dat het gelijkluidend is aan het origineel. Het exploot werd geacht een akte te zijn in de zin van art. 862, § 1, 2° Ger. W., zodat het gebrek aan ondertekening van het afschrift van het dwangbevel de betekening nietig maakt, ook wanneer geen belangenschade kan bewezen worden. Er werd geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder elk medebetekend stuk voor gelijkluidend diende te verklaren en dat de geïntimeerde het dwangbevel niet diende aan te nemen als een akte welke gelijkvormig en gelijkluidend was aan het origineel omdat deze vermelding niet werd aangebracht door de gerechtsdeurwaarder. Het dwangbevel werd dan ook geen uitvoerbare titel geacht. Op die grond werd het verzet tegen het dwangbevel gegrond verklaard alsook de tegeneis tot terugbetaling van het ingehouden bedrag.

Het hoger beroep

De appellant stelt dat niet wordt betwist dat het dwangbevel geldig werd uitgevaardigd en dat evenmin wordt betwist dat het exploot van de gerechtsdeurwaarder geldig werd betekend, zodat de ganse betwisting is terug te brengen tot de vraag of het afschrift van het dwangbevel (zijnde de bijlage aan het exploot) noodzakelijkerwijze “voor eensluidend verklaard” diende ondertekend te worden door de gerechtsdeurwaarder.

De appellant meent dat zulks niet het geval is omdat art. 860 Ger.W. uitdrukkelijk bepaalt dat geen akte nietig kan verklaard worden indien de nietigheid niet uitdrukkelijk is voorzien (wat te dezen niet het geval is) en omdat het door de eerste rechter ingeroepen art. 45 Ger. W. enkel betrekking heeft op de afschriften van het exploot zelf en niet op de bijlagen.

Bovendien zou, volgens de appellant, belangenschade moeten bewezen worden en getuigt het standpunt van de eerste rechter van een overdreven formalisme.

Ook meent de appellant dat de ondertekening “voor eensluidend” van de laatste bladzijde van de bijlagen, geldt voor alle bijlagen.

Ten gronde herhaalt de appellant het standpunt dat de “werkingstoelagen” belastbaar zijn omdat zij rechtstreeks te maken hebben met de prijs van de handelingen.

De appellant vraagt dan ook de hervorming van het bestreden vonnis met afwijzing van het verzet.

De geïntimeerde is het ermee eens dat de hoofdbetwisting slaat op vraag of een dwangbevel, dat niet in origineel werd betekend, door de gerechtsdeurwaarder al dan niet voor eensluidend moet verklaard worden om geldig te zijn als betekening. Zij vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis om de motieven welke in dit vonnis werden aangehaald.

Ten gronde meent zij dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen de (belastbare) vergoeding welke zij ontvangt voor geleverde prestaties en de (niet belastbare) “werkingstoelage” welke haar wordt betaald opdat zij alle acties en maatregelen zou kunnen aanwenden om weddenschappen binnen de Belgische renbanen te bevorderen.

Beoordeling

In het bestreden vonnis werd o.m. gesteld :

"Het is natuurlijk niet omdat de gerechtsdeurwaarder zegt dat hij een afschrift betekent van een dwangbevel dat werd uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard lastens de belastingplichtige dat dit ook zo is (hij zou bijvoorbeeld het afschrift van de akte, uitvoerbare titel die het dwangbevel toch is, gewoon kunnen vergeten zijn toe te voegen, mede te betekenen met het gerechtsdeurwaarderexploot van betekening ...).

De rechtbank merkt op dat er in casu wel een stuk, dwangbevel genoemd, werd mede betekend door de gerechtsdeurwaarder alsmede een stuk P.V. genoemd.

Het P.V. werd door de gerechtsdeurwaarder voor gelijkvormige fotokopie ondertekend maar het stuk, afschrift genoemd van de authentieke akte, uitvoerbare titel die het dwangbevel toch moet zijn, werd door de gerechtsdeurwaarder in het geheel niet ondertekend voor gelijkvormig afschrift".

Door deze overwegingen miskent de eerste rechter de bewijskracht van het exploot van de gerechtsdeurwaarder. Er kan immers geen “twijfel” bestaan omtrent deze vermeldingen van het exploot omdat hetgeen door de gerechtsdeurwaarder zelf wordt vastgesteld, authentieke kracht geniet en alleen kan bestreden worden door een valsheidprocedure. Overigens betwist noch de geïntimeerde, noch de eerste rechter dat een afschrift werd gevoegd.

Daar de gerechtsdeurwaarder in het exploot uitdrukkelijk stelt "krachtens een dwangschrift uitgevaardigd door voornoemde rekenplichtige in datum van 30/09/92 en waarvan hierbij afschrift betekend wordt samen met afschrift van een proces-verbaal opgesteld te Brussel op 07/07/1992" moet noodzakelijkerwijze worden aangenomen dat een afschrift van het dwangbevel werd betekend.

Ook kan worden aangenomen dat de ondertekening (voor eensluidend verklaring) voorkomend op het laatste blad van de bijlagen (te dezen het proces-verbaal) geldt voor alle bijlagen en dus ook voor het dwangbevel.

Het ontbreken van de vermelding “voor eensluidend verklaard” op het afschrift van het dwangbevel, maakt deze betekening, noch het dwangbevel nietig omdat niet kon getwijfeld worden aan het feit dat het dwangbevel rechtmatig werd uitgevaardigd, en omdat ook niet kon betwijfeld worden dat het betekende stuk een afschrift was van het dwangbevel.

Daaruit volgt dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het dwangbevel nietig was.

Ten gronde moet vastgesteld worden dat de geïntimeerde niet bewijst dat de activiteit waarvoor zij de “werkingstoelagen” ontving buiten de werkingssfeer van de belasting vielen. De tekst van art. 6 van deze overeenkomst (hierboven reeds aangehaald) toont duidelijk aan dat de “werkingstoelage” een percentage is van de totale inzetten van de weddenschappen en dat dit geld ook moet aangewend worden voor het uitbetalen van de weddenschappen, voor de betaling van de taksen en/of andere vergoedingen. Wat “werkingstoelage” werd genoemd is derhalve duidelijk een vergoeding voor geleverde diensten en dus onderworpen aan de belasting.

Noch voor de eerste rechter, noch voor het Hof, worden bijzondere grieven aangevoerd tegen de boete en de interest; er werd enkel - zonder enige motivering en ten onrechte - beweerd dat de boete niet wettelijk was.

Dispositif

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende : verklaart het verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk doch wijst het af als niet gegrond.

Veroordeelt de geïntimeerde tot alle kosten, deze in haren hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en deze in hoofde van de appellant begroot op … BEF rechtsplegingvergoeding eerste aanleg en … BEF rechtsplegingvergoeding hoger beroep, dit alles volgens opgave.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, dertiende kamer, recht doende in burgerlijke zaken van éénendertig oktober tweeduizend en één.

Aanwezig :

de heer L. G. en, Kamervoorzitter, alleenrechtsprekend

mevrouw M. V., griffier.

M. V. L. G.

Textes cités

2
CTVA art. 852 occurrences
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8