Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 24.03.2005
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :
Inzake : 2001/AR/875
J. B., wonende te …, …;
appellant,
tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 5 maart 2001
vertegenwoordigd door Mr. K. H. loco Mr. H. D., advocaat te …, …;
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen,
- in de persoon van de REKENPLICHTIGE VAN HET EERSTE BTWONTVANGKANTOOR TE ANTWERPEN, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;
- in de persoon van de EERSTAANWEZEND INSPECTEUR VAN HET BTW-CONTROLEKANTOOR VII TE ANTWERPEN, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Mr. G. V. R. loco Mr. J. B., advocaat te …, …
In een exploot betekend op 16 maart 1998 tekende appellant verzet aan tegen een dwangbevel van 7 oktober 1996, vroeg dat rechtens zou gezegd worden dat hij de hierin gevorderde bedragen niet verschuldigd was en vorderde terugbetaling van … EUR, te vermeerderen met de intresten.
De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft in het bestreden vonnis van 5 maart 2001 de vordering ongegrond verklaard.
Appellant tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 30 maart 2001.
Hij houdt zijn vordering staande.
Geïntimeerde concludeert tot de niet ontvankelijkheid van het hoger beroep en, ondergeschikt, tot de ongegrondheid ervan.
Het middel van niet ontvankelijkheid van het hoger beroep is hierop gesteund dat appellante geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek tot consignatie van de verschuldigde sommen, … EUR, door de ambtenaar, gevraagd bij aangetekende brief van 21 september 2001.
In rechte steunt geïntimeerde op art. 92, 2° lid Wetboek BTW, in de versie voor de wijziging ervan bij wet van 15 maart 1999.
Appellant heeft zeer spoedig na uitspraak van het bestreden vonnis hoger beroep aangetekend namelijk op 30 maart 2001.
Op dat ogenblik bestond er geen verzoek tot consignatie en het hoger beroep, dat regelmatig en tijdig werd ingesteld, was ontvankelijk.
Uit de tekst van het (oude) art. 92, 2° lid Wetboek BTW volgt niet dat een, op het ogenblik van het aantekenen ervan, geldig hoger beroep ongeldig wordt door een verzoek tot consignatie dat later gesteld wordt, te dezen bijna zes maanden na het aantekenen van. het hoger beroep.
Het hof kan ter zake slechts vaststellen dat geïntimeerde geen toepassing heeft gemaakt van het (oude) eerste lid van art. 92 Wetboek BTW en geen vordering heeft gesteld tot provisionele veroordeling van appellante of tot het stellen van een borgtocht alvorens ten gronde te laten beslissen over het verzet, thans in hoger beroep.
Het middel van niet ontvankelijkheid is ongegrond.
Geïntimeerde houdt voor dat appellant in de periode van augustus tot en met november 1991 voor een bedrag van … EUR goederen joggingpakken, jackets en leggings) heeft ingevoerd vanuit Nederland zonder de verschuldigde BTW in vak 13 van de BTW-aangifte te vermelden zoals vereist door de wettelijke bepalingen die in het PV van 29 juli 1996 werden vermeld onder rubriek nr. 1.
Na compensatie met de aftrekbare BTW werd in het genoemd PV een boete berekend op grond van art. 70, § 1 (oud) Wetboek BTW gelijk aan het dubbel van de ontdoken belasting op … EUR. Vermits deze invoer ook niet in de omzet terug te vinden was heeft geïntimeerde een niet aangegeven meeromzet berekend en hierop de BTW aangerekend van … EUR.
Daarop werd dan een boete berekend van 200 %
De betaling van voormelde bedragen, te vermeerderen met de intresten en de kosten, werd gevorderd in het dwangbevel waartegen verzet werd aangetekend.
Appellant ontkent dat hij de genoemde goederen heeft aangekocht.
Volgens geïntimeerde werden vier verschillende aankopen in Nederland gedaan.
Het betreft aankopen van vier verschillende leveranciers, gevestigd op verschillende plaatsen in Nederland.
Van drie van deze aankopen brengt geïntimeerde kopie voor van de facturen, uitgeschreven door D., M. T. en T..
Deze facturen vermelden als bestemmeling telkens appellant, hetzij genoemd bij naam, hetzij bij de handelsbenaming "J.".
Zij vermelden het juiste adres van appellant te …, ….
Van de vier aankopen worden de douanedocumenten voorgebracht die ook appellant vermelden als bestemmeling, zijn adres en zijn BTW-nr...
De onregelmatigheden die deze douanedocumenten voor overige zouden vertonen en die door appellant in beroepsconclusies worden vermeld betreffen niet de gegevens in verband met de bestemmeling van de goederen en doen derhalve geen afbreuk aan het vermoeden.
Van de belangrijkste aankoop (door T. voor een bedrag van … HFL) wordt ook het betalingsbewijs bijgebracht.
Voormelde stukken en inlichtingen werden bekomen van de Nederlandse fiscus. Uit de door geïntimeerde overgelegde stukken, in het bijzonder stuk 5, een brief uitgaande van de Centrale Eenheid voor administratieve samenwerking met de andere EEGLid-Staten op het gebied van BTW d.d. 1 april 1997, volgt dat de inlichtingen in kwestie op regelmatige wijze gevraagd en bekomen werden door de daartoe bevoegde dienst. De kritiek die appellant ter zake formuleert is dan ook ongegrond.
Uit de toelichting die door de Nederlandse fiscus werden verstrekt volgt dat voormelde documenten werden aangetroffen in de normale boekhouding van de betrokken leveranciers en dus niet kaderen binnen een zwart verkoopscircuit.
Deze gegevens vormen de bepaalde, gewichtige en overeenstemmende vermoedens die bewijzen dat appellant wel degelijk de goederen in kwestie heeft aangekocht.
Het kan niet in redelijkheid aangenomen worden dat dezelfde belastingplichtige op korte tijd in vier van elkaar losstaande gevallen het slachtoffer wordt van misbruik van zijn identiteit en BTW-nr. voor de invoer van gelijksoortige goederen. De klachten die appellant ter zake in beroepsconclusies onder nr. 8 formuleert zijn niet van aard te doen aannemen dat hij niet de bestemmeling was van de goederen waarvoor - het wordt benadrukt - regelmatig in de boekhouding van de verschillende leveranciers opgenomen documenten werden opgesteld.
Het tegenbewijs is niet geleverd.
Dat de winkel van appellant te klein zou zijn voor de verhandeling van de goederen in kwestie is irrelevant : hoe appellant de goederen verder heeft verhandeld - verkocht in detail dan wel als geheel door verkocht - is niet bepalend voor de belastingschuld en sluit geenszins het feit van de aankoop en invoer op zich uit.
De vermoedens die geïntimeerde als bewijs aanvoert zijn gesteund op voornoemde stukken.
Vermits niet is aangetoond dat deze stukken niet de werkelijke toestand weergeven kunnen daarop op wettelijke wijze de vermoedens gesteund worden met betrekking fot 1) de aankoop en invoer van de bewuste goederen en 2) de meeromzet die appellant heeft gerealiseerd.
Het brutowinstpercentage dat de fiscus hanteert is gesteund op de eigen boekhouding van appellant voor het betrokken boekhoudjaar. Geen enkele aanduiding bestaat dat de aangekochte goederen niet aan hetzelfde winstpercentage verkocht werden.
De fraude in hoofde van appellant is bewezen : hij heeft de aankoop en invoer van de bewuste goederen bewust niet aangegeven en aldus de verschuldigde belasting opzettelijk ontdoken.
De opgelegde boete is in overeenstemming met de wettelijke en reglementaire bepalingen.
Er is geen gegronde reden tot vermindering van de opgelegde boete zelfs in de veronderstelling dat dergelijke vermindering wettelijk mogelijk en toegelaten zou zijn ingeval van fraude.
Het hoger beroep is ongegrond.
Dispositif
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;
Verwijst appellant in de kosten ervan, deze tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van VIERENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN VIJF
waar aanwezig waren :
de heer E. H., Voorzitter
mevrouw A. W., Raadsheer
de heer E. L., Raadsheer
mevrouw G. V., Griffier
G. V. E. L. A. W. E. H.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.