Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 15 octobre 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemptionTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-tribunal-hasselt-2009-10-15-9eab

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
15 octobre 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

73 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER B, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE A.R. nr. 08/1298/A

BVBA JMK I., met maatschappelijke zetel te …, … en hebbende als ondernemingsnummer ….

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. V. L., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12.

ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS- EN INKOMENSFISCALITEIT, sector BTW, controlecentrum Hasselt-Beringen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 43

verweerder,

vertegenwoordigd door zijn mr. D. D. loco advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 20.05.2008;

- de conclusie, de aanvullende- en syntheseconclusie en stukken van verweerder;

- de besluiten, de synthesebesluiten en stukken van eiseres.


I. FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiseres is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE … ingevolge de door haar uitgevoerde werkelijke activiteit van het beheer van vennootschappen en is zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Op 31.12.2002 verwerft eiseres het vruchtgebruik van een grond en een gebouw gelegen, te …, …. Het oorspronkelijke gebouw wordt door eiseres afgebroken en vervangen door een nieuw gebouw.

In haar BTW-aangiften m.b.t. de periode 01.01.2004 tot 30.09.2006 neemt eiseres de aangerekende BTW voor de oprichting van het gebouw volledig in aftrek.

Na een voorafgaandelijke aankondiging heeft E. M., fiscaal deskundige bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, verbonden aan het controlecentrum Hasselt-Beringen zich op 15.07.2007 aangeboden bij de BVBA ABM A. te …. Er werd een controle uitgevoerd over de periode van 01.01.2004 tot 30.09.2006.

De controleverrichtingen en hun resultaten werden vastgelegd in een proces-verbaal van 05.12.2007 waarbij de hierna volgende inbreuken werden vastgesteld :

- inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor doeleinden van een economische activiteit die geen recht op aftrek geven;

- inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die gedeeltelijk bestemd zijn voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van een economische activiteit;

- inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de levering, invoer en de intracommunautaire verwerving van personenwagens en van leveringen en diensten met betrekking tot die voertuigen;

- inbreuken op art. 19, § 1 W.BTW betreffende het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel, of meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige;

- inbreuken op art 53, eerste lid, 3° en 4° W.BTW en art. 18 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 in verband met de aangegeven omzet.

M.b.t. het gebouw wordt gesteld dat de voorbelasting slechts aftrekbaar is ten belope van 30 %, met uitzondering van de voorbelasting m.b.t. de aanleg van een tuin, de bestratingswerken, de kosten m.b.t. een zwembad en inrichting van een slaapkamer en dressing (0 %), vermits 70 % van het gebouw zou aangewend worden voor privé-doeleinden. Derhalve werd de aftrek van de voorbelasting ten belope van … euro verworpen en er werd een verminderde boete opgelegd van … euro (10 %).

Samenvattend werd gesteld dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

- … euro aan BTW;

- een geldboete gelijk aan het dubbel van de BTW in toepassing van art. 70, § 1 W.BTW en art. 70, § 1bis W.BTW en verminderd en afgerond overeenkomstig art. 1, tabel G, eerste afdeling, rubriek V en tabel H en art. 4, § 1 van het KB nr. 41 van 30.01.1987 tot … euro;

- de wettelijke intresten overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW over de BTW berekend aan 0,8 procent per maand vanaf 21.10.2006 over de som van … euro (zie stuk 1, bundel overtuigingsstukken verweerder).

Aangezien een minnelijke afhandeling van het dossier niet mogelijk bleek, werd er op 10.12.2007 een dwangbevel uitgevaardigd gesteund op het proces-verbaal van 05.12.2007. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12.12.2007 en met aangetekende brief van 13.12.2007 betekend aan eiseres (zie stukken 2 en 3, bundel overtuigingsstukken verweerder).

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboete vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW, alsmede de vervolgingskosten.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 20.05.2008, stelt eiseres een vordering in rechte in.

II. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

1. De betwisting betreft enkel de beweerde inbreuken op de uitoefening van de aftrekregeling van de voorbelasting m.b.t. het daar eiseres opgericht gebouw dat gedeeltelijk ter beschikking werd gesteld aan de zaakvoerder.

2. Krachtens het op huidig geschil van toepassing zijnde art. 45, § 1 W.BTW waarin het beginsel van het recht op aftrek is vastgelegd, mag de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen zoals bedoeld in art. 45, § 1, 1° tot 5° W.BTW bedoelde handelingen.

Anders dan in het arrest Seeling van het Europees Hof van Justitie (H.v.J., 8 mei 2003, C-269/00, Wolfgang Seeling, www.curia.eu.net ) waarin aangenomen werd dat de voorbelasting in beginsel aftrekbaar was voor een particulier die ervoor koos het investeringsgoed te behandelen als een goed van de onderneming al werd het zowel voor bedrijfs- als voor privé-doeleinden gebruikt, is de belastingplichtige in huidige zaak een vennootschap.

Deze vennootschap, zijnde een vennootschap die een handelsactiviteit tot doel heeft (vgl. met art. 3, § 2 W.Venn.) heeft het onroerend goed in eigendom. Het onroerend goed bevindt zich derhalve in het bedrijfsvermogen van eiseres en wordt voor een gedeelte privé-gebruikt door de zaakvoerder. Uit het proces-verbaal van 05.12.2007 blijkt dat de controlerende ambtenaar een bedrijfsmatig gedeelte aanvaardt van 30 % (zie stuk 1, bundel verweerder).

In tegenstelling tot hetgeen verweerder voorhoudt, kan eiseres de voorbelasting integraal in aftrek brengen (zie o.m. H.v.J., 11 juli 1991, C-97/90, Hansgeorg Lennartz t. Finanzamt Muenchen III, Jur. Hv.J, 1991, I, 3795, r.o. 29; H.v.J., 14 juli 2005, C-434/03, P. Charles en T.S. Charles-Tijmens t. Staatssecretaris van Financiën, r.o. 24, www.curia.eu.net ).

Essentieel is dat de belastingplichtige het goed heeft opgenomen in het bedrijfsvermogen. Vennootschappen hebben gelet op de beperkingen hen opgelegd door hun doel, alleen maar een bedrijfspatrimonium. Dit werd ook zo gesteld door de Minister van Financiën : "De goederen die een rechtspersoon verkrijgt, kunnen immers uitsluitend behoren tot het bedrijfsvermogen, aangezien een rechtspersoon geen privé-vermogen heeft" (zie Vraag Kamer nr. 924, 22 september 2005).

Het feit dat het goed maar gedeeltelijk voor de bedrijfsactiviteit zou gebruikt worden en gedeeltelijk privé-gebruikt wordt door de zaakvoerder, doet hieraan geen afbreuk.

Ook de bewering van verweerder dat het goed gedeeltelijk voor vrijgestelde handelingen (art. 44, § 3, 2) WIB 92) zou worden aangewend omdat de terbeschikkingstelling van het gebouw aan de zaakvoerder dient aangemerkt te worden als een huur onder bezwarende titel en bijgevolg is vrijgesteld, doet hier geen afbreuk aan.

Immers in casu is er geen sprake van een onroerende verhuur zodat de vrijstelling van art. 44, § 3, 2° W.BTW niet kan worden toegepast.

De begrippen uit het W.BTW hebben een communautaire invulling hebben en zodoende dient te worden nagegaan hoe het begrip "onroerende verhuur" door de communautaire rechtsorde wordt ingevuld.

In het arrest Temco (zie H.v.J., 18 november 2004, T.F.R., 2005, blz. 87 e.v.) wordt onder randnummer 19 gesteld dat het begrip verhuur van onroerende goederen in de zin van art. 13 B sub b van de Zesde Richtlijn in wezen daarin bestaat dat een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dit recht uit te sluiten (zie tevens H.v.J., arresten van 9 oktober 2001, Mirror Group, C-409/98, Jurispr., p. I-7175, punt 31 en Cantor Fitzgerald International, C-108/99, Jurispr., p. I-7257, punt 21; H.v.J., 8 mei 2003, C- 269/00, Wolfgang Seeling, punt 49, www.curia.eu.net )

Volgens het Europees Hof is er helemaal geen toepassing mogelijk van art. 13 B sub b van de Zesde Richtlijn in geval van een gratis ter beschikking stelling van een onroerend goed aan een zaakvoerder. De terbeschikkingstelling aan de zaakvoerder van eiseres van een deel van een onroerend goed is te beschouwen als een dienst ten bezwarende titel en een belastbare handeling (art. 6.2, a van de Zesde Richtlijn en art. 19, § 1 W.BTW) (zie H.v.J., 14 september 2006, C-72/05, Hausgemeinschaft Jörg und Stefanie Wollny t. Finanzambt landshut, punt 23 www.curia.eu.net ).

Er moet worden aangenomen dat het gedeelte van het onroerend goed dat ter beschikking gesteld is van de zaakvoerder, ter beschikking wordt gesteld buiten een huurovereenkomst. Een schriftelijke huurovereenkomst wordt niet voorgelegd. Evenmin blijkt dat er huur betaald wordt als tegenprestatie voor de terbeschikkingstelling van een gedeelte van het onroerend goed. Ook is er geen tijdsduur bedongen. Het enkele feit dat het de zaakvoerder is die de ter beschikking heeft overeen deel van het onroerend goed volstaat niet om aan te nemen dat er een huurovereenkomst is, ook al kan dit beschouwd worden als een voordeel van alle aard inzake inkomstenbelastingen.

De voorwaarden voor een onroerende verhuur zijn dus geenszins vervuld.

De aftrek van BTW werd dan ook ten onrechte verworpen door verweerder.

De vordering van eiseres is dan ook gegrond.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt de in het dwangbevel gestelde fiscale vordering betwist.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om afte wijken van het basisbedrag.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Dispositif

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk.

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 19.12.2006 in de volgende mate gegrond.

Zegt voor recht dat het dwangbevel dat door verweerder ten nadele van eiseres op 10.12.2007 werd opgemaakt, ongegrond is voor het bedrag van … euro aan BTW en voor het bedrag van … euro aan geldboete, alsook de intresten op deze bedragen aangerekend vanaf 21.10.2006 op basis van art. 91, § 1 W.BTW.

Veroordeelt verweerder tot de kosten, vereffent in hoofde van eiseres op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer B, op het gerechtshof te Hasselt op 15.10.2009, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enige rechter, en

De Heer L. P., griffier.

L. P. M. C.

Textes cités

9

Décisions similaires

8