Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 17.03.2010
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 17 MAART 2010
Rolnummer AR 07/975/A
In de zaak van :
L. F., wonende te …, …, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de NV L. M. EN C. S., destijds met zetel te …, … en met ondernemingsnummer …
EISER QQ, VERWEERDER IN GEDWONGEN GEDINGHERVATTING,
hebbende als raad Mter Y. V., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12.
Administratie der Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, met burelen te 9220 Dendermonde, Sint-Rochusstraat 63 en in de persoon van de Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Aalst, met kantoren te 9300 Aalst, Graanmarkt 1
VERWEERDER, EISER IN GEDWONGEN GEDINGHERVATTING,
hebbende als raad Mter. E. V. A., advocaat te …, …
Vonnist de rechtbank als volgt :
I. DE RECHTSPLEGING
(Stuk tekst onleesbaar)
en de zaak in beraad genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift op tegenspraak van 29 mei 2006, de dagvaarding in hervatting van het geding van 12 februari 2009 en de conclusies van de partijen en hun stukkenbundels.
II. DE VORDERING
Eiser Q.Q. vordert "verzet en beroep en bezwaar" tegen :
1. het "proces-verbaal" (lees : de inregelstelling) van 31 augustus 2006 inhoudende het voorstel tot minnelijk akkoord in het dossier BTW nr. BE …;
2. het proces-verbaal m.b.t. de controle 01/04/2003 tot 31/03/2005 naar aanleiding van de controle op 25 juli 2006;
3. het dwangbevel d.d. 8 december 2006 met refertenummer RCIV …;
4. het dwangbevel met bevel tot betaling van 19 december 2006 met elfde refertenummer;
5. de afrekening met betalingsaanvraag d.d. 4 december 2006 van het BTW-ontvangkantoor te Aalst voor een som van 29.032,79 euro;
6. het herhaald bevel d.d. 13 februari 2007 met uitvoerend beslag op roerend goed en vaststelling van verkoopdag.
III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
1.Naar aanleiding van een BTW-controle in de NV L. M. EN C. S. met betrekking tot de periode 1 april 2004 en 31 maart 2005 werd volgens de controleur een aantal inbreuken vastgesteld met betrekking tot :
a. de toepassing van het artikel 53 en 53octies Wb. BTW,
b. de toepassing van de gemengde belasting plicht, meer bepaald het algemeen verhoudingsgetal.
Aan de inregelstelling van 31 augustus 2006 werd een minnelijk akkoord gevoegd, zoals hierna bepaald :
- BTW : 11.529,59 euro
- verminderde proportionele geldboete : 1.910,00 euro,
te vermeerderen met de intresten vanaf 21/04/2005.
2.Een gemotiveerd niet-akkoord werd door oorspronkelijk eiseres op 29 september 2006 aan het AOIF - controlecentrum overgemaakt. Waarna op 29 november 2006 een beslissing aan eiseres werd gezonden waarin de opmerkingen werden weerlegd.
3.Na de betekening van een dwangbevel op 19 december 2006 en een herhaald bevel op 13 februari 2007, legt oorspronkelijk eiseres op 15 maart 2007 een verzoekschrift op tegenspraak.
4.Oorspronkelijk eiseres, met name de NV L. M. EN C. S. werd in faling verklaard op 29 oktober 2007 en werd het faillissement afgesloten bij gebrek aan actief op 1 oktober 2008.
5.Na het faillissement werd F. L. in zijn hoedanigheid van vereffenaar op 12 februari 2009 gedagvaard in gedinghervatting.
IV. BEOORDELING
1. Gebrekkige motivering van de processen-verbaal en de dwangbevelen.
1.Artikel 3 van de Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen van 29 juli 1991 bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden, die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat de motivering afdoende moet zijn.
Inzake bevat de inregelstelling van 31/08/2006 zowel de toepasselijke artikelen van het BTW-Wetboek als de feitelijke gegevens die nodig zijn om een beslissing tot inregelstelling op afdoende wijze te onderbouwen en vervolgens een minnelijk akkoord voor te stellen.
Uit het gemotiveerd antwoord van oorspronkelijk eiseres blijkt duidelijk dat zij met kennis van zaken de overwegingen van de BTW-administratie heeft kunnen weerleggen en zij tot een niet-akkoord kon besluiten.
2.De rechtbank kan dezelfde vaststelling als hierboven doen voor wat betreft het proces-verbaal van 29 november 2006.
3.Een dwangbevel is eveneens een bestuurshandeling zoals omschreven in de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Meer bepaald artikel 1 van voornoemde wet viseert onder meer een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking, die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur. Aldus moet een dwangbevel krachtens artikel 2 van de Wet van 29 juli 1991 uitdrukkelijk te worden gemotiveerd.
4.Inzake maakt het proces-verbaal van 29 november 2006 waarin alle essentiële informatie, die de belastingplichtige moet toelaten met kennis van zaken te beoordelen of hij het dwangbevel moet aanvechten, weliswaar geen deel uit van het dwangbevel, doch werd er uitdrukkelijk naar verwezen.
Artikel 860 Ger.W. (inzake de nietigheid van "proceshandelingen”) is hier niet relevant, gezien deze bepaling niet van toepassing is op het dwangbevel, nu er op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel nog geen rechtspleging is. Een dwangbevel is dan ook geen proceshandeling, hetgeen een voorwaarde is opdat artikel 860 Ger.W. van toepassing zou zijn.
Eiser q.q. moet echter een belang laten blijken bij het middel van schending van de formele motiveringsplicht. Immers, wanneer het doel van die formele motiveringsplicht bereikt is, beschikt de belastingplichtige niet meer over het vereiste belang om de schending van de formele motiveringsplicht aan te voeren.
Inzake blijkt dat het proces-verbaal waarnaar het dwangbevel verwijst reeds eerder bij aangetekende zending aan eiseres was overgemaakt en zij er dus kennis van had vóór de opstelling en de betekening van het dwangbevel.
Het doel van de formele motiveringsplicht is derhalve bereikt zodat het dwangbevel niet als nietig kan worden beschouwd.
5.De rechtbank houdt dezelfde redenering aan voor wat betreft het door gerechtsdeurwaarders betekende dwangbevel met bevel tot betaling van 19 december 2006, als het herhaald bevel van 13 februari 2007 als de betalingsaanvraag van 4 december 2006.
6.De grieven van eiser q.q. worden derhalve als ongegrond verklaard.
2. De inbreuken op de artikelen 53 en 53octies W.BTW
1.De boeking voordelen van alle aard :
Eiser q.q. had zich akkoord verklaard met betrekking tot de bedragen van voordelen van alle aard. In tweede kwartaal 2006 zou volgens eiser q.q. een som van 168,56 euro zijn geboekt, die in mindering moet gebracht worden.
In het diverse postenboek hoorde echter in het eerste kwartaal van 2005 een inschrijving geboekt te zijn van voordelen van alle aard voor het gebruik van de personenwagen.
Naar aanleiding van de controle met betrekking tot de periode 1 april 2004 tot 31 maart 2005 op 25/07/2006 werd vastgesteld dat geen aangifte dienaangaande werd gedaan.
Volgend niet aanaegeven B1W bedraq was verschuldigd:
| Volgend niet aangegeven BTW-bedrag was verschuldigd : | |||
| Datum BTW | Basis | Tarief | Versch. |
| 31/03/2005 | 1.461,16 | 21 % | 306,84 |
Door deze laattijdige aangifte heeft eiser q.q. nagelaten zijn plicht tot aangifte te doen, zoals deze tot uitdrukking komt in artikel 53 W.BTW.
Volgens eiser q.q. werd in vak 61 van de aangifte van tweede kwartaal 2006, ingediend op 10 september 2006, een correctie doorgevoerd ten bedrage van 168,56 euro, zodat slechts 138,28 euro BTW ter zake verschuldigd blijft.
Uit de bijlage bij de brief van eiseres d.d. 29/09/06 blijkt niet of deze voordelen wel degelijk over het gebruik van de personenwagen gaat en komt dit weinig geloofwaardig over omdat van een ander basisbedrag wordt uitgegaan en een andere fractionering werd toegepast.
De vordering van eiser q.q. is derhalve ongegrond.
2.facturen klant BVBA C. :
Eiser q.q. houdt voor dat tussen de vennootschap en een klant, de BVBA C., een aantal contracten werden afgesloten en dat de twee ontvangsten eind 2004 - begin 2005, in totaal 34.900 euro, de terugbetaling waren van kosten die uit deze contracten voortvloeiden.
Eiser q.q. legt deze contracten niet voor, noch wordt enig bewijs aangereikt dat er daadwerkelijk kosten ten behoeve van de uitvoering van deze contracten zijn gemaakt, die zouden terugbetaald zijn door de BVBA C..
Eiser q.q. gaat op 31 januari 2006 echter wel twee facturen opmaken voor een gezamenlijke hoofdsom van 34,900 euro waarop zij wel het tarief van 21 % toerekent.
Het is duidelijk dat eerdere ontvangsten betrekking hebben op uitgaande facturen, die pas een jaar later werden opgesteld en als omschrijving "geleverde prestaties" hebben, geen terugbetaling van kosten waren.
De uitleg dat de ontvangsten terugbetaling van kosten vertegenwoordigen is manifest strijdig met de stukken.
De initiële niet-facturatie was derhalve in strijd met artikel 1, 2° van het KB nr. 1 . De niet aangifte van de BTW was een inbreuk op artikel 22, § 2, tweede lid W.BTW.
De grief van eiser q.q. is ongegrond.
3. Algemeen verhoudingsbeginsel- artikel 46, § 1 W.BTW :
Eiser q.q. heeft voor bemiddeling in de overdracht van de "Groep P." een commissieloon aangerekend ten bedrage van 125.000,00 euro dat op 29/02/2004 werd gefactureerd met vrijstelling van BTW, zoals in artikel 44, § 3, 10° W.BTW is bepaald.
Eiser houdt voor dat tegenover dergelijke opdracht minimale kosten staan en vooral intellectueel denkwerk moet worden verricht.
De rechtbank kan deze visie niet volgen gezien dergelijke opdrachten meer vergen dan enkele restaurantbezoeken, zoals ten onrechte wordt beweerd. Verplaatsingen, zoeken van potentiële overnemers, vergaderingen, communicaties, ontwerp van contracten, edm, vergen de inzet van het volledig kantoor met alle kosten daaraan verbonden. Kosten die door eiser boekhoudkundig in rekening zijn gebracht en aldus tot aftrek van BTW hebben geleid.
Eiser q.q. houdt vervolgens voor dat overeenkomstig artikel 46, § 2 W.BTW het werkelijk gebruik moet in acht genomen worden. Inzake is dit de facto niet mogelijk doordat eiser q.q. geen onderscheid tussen de verschillende activiteiten en de desbetreffende kosten heeft gemaakt.
De toepassing van het algemeen verhoudingsgetal zoals bepaald in artikel 46, § 1 W.BTW is derhalve gegrond.
VI. DE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
Beide partijen begroten de rechtplegingsvergoeding op 2.000,00 euro, hetgeen door de Rechtbank kan worden gevolgd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende op tegenspraak.
Met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet ter zake dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt eiser q.q. tot de kosten van het geding, langs de zijde van eiser begroot op 2.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding en langs de zijde van verweerster op 2.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op woensdag zeventien maart tweeduizend en tien, waar aanwezig waren :
de heer C. S., toegevoegd rechter, voorzitter van deze kamer,
mevrouw G. L., griffier.
G. L. C. S.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.