Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 28.04.2009
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep te Gent - 5e kamer
Nr.2008/AR/159
in de zaak van :
V. D. BVBA,
met maatschappelijke zetel te …, … ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …
appellante,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. S. loco mr. V. F., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT,
- Kabinet van de Minister van Financiën, te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,
- Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de E.a. Inspecteur (rekenplichtige) van het BTW-Ontvangkantoor te Sint-Niklaas, wiens kantoren gevestigd zijn te 9100 SINT-NIKLAAS, Driekoningenstraat 4/2,
- Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, Controlecentrum Sint-Niklaas, met kantoren te 9100 SINT NIKLAAS, Driekoningenstraat 4/5,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. G. loco mr. V. A. E., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 30.4.2003 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent teneinde uitspraak te horen doen over haar verzet tegen het dwangbevel (RCIV nr. 401/1211/73226) uitgevaardigd door F. D. R., e.a. inspecteur van het BTW ontvangkantoor te 9100 Sint Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2, op 13.12.2001, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. V. D., gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW, te Antwerpen op 14.12.2001.
Met hetzelfde exploot werd verhaal ingesteld tegen de beslissing dd. 3.2.2003 van J.-P. V., e.a. inspecteur van de administratie van de ondernemings en inkomstenfiscaliteit, controlecentrum Sint-Niklaas, hiertoe gedelegeerd door de gewestelijke directeur der belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Antwerpen, waarbij het willig beroep van de appellante dd. 5.2.2002 werd afgewezen.
In het hoger vermeld dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellante een bedrag van … BEF (… EUR) aan BTW + een bedrag van … BEF (… EUR) als geldboete ingevolge artikel 70 §§ 1 en 1bis BTW-wetboek, samen … BEF (… EUR), te vermeerderen met de intrest van 0,8 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.1.2000, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de betekening/kennisgeving van het dwangbevel ingevolge artikel 91 § 4 BTW-wetboek, de vervolgingskosten.
Voor de eerste rechter vorderde de appellante dat het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde zou worden verklaard, en teruggave zou worden bevolen van de bedragen die door de appellante ten onrechte zouden zijn betaald en/of ingehouden, bedragen die moeten worden vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten vanaf de datum van betaling of inhouding.
Bij vonnis van 8.11.2007 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, werd de vordering van de appellante ontvankelijk doch ongegrond verklaard, en werd de appellante veroordeeld tot de kosten.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 17.1.2008 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.
Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen en de oorspronkelijke vordering van de appellante te horen toekennen.
De geïntimeerde van zijn kant vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.
2. Tussen de N.V. B. D. H. en de appellante werd op 1.4.1994 een overeenkomst gesloten waarbij de N.V. B. D. H. de appellante aanduidt als enige leverancier van alle door de N.V. B. D. H. aangeduide dranken in alle uitbatingen waarvoor de N.V. B. D. H. een exclusief leveringsrecht bezit, hierin begrepen alle huidige en toekomstige (cijfer 1 van de overeenkomst, stuk 5 van de geïntimeerde).
De overeenkomst van 1.4.1994 voorziet verder in volgende bepalingen, nuttig aan te halen voor de oplossing van het geschil :
"
3. Als vergoeding voor dit leveringsrecht, verbindt partij ter andere (d.i. de appellante) zich ertoe op de haar in hogervermelde verkooppunten gerealiseerde omzet, een leveringsrecht te betalen van 13 % (dertien ten honderd). Dit te betalen leveringsrecht wordt echter geplafonneerd op een bedrag van … F (… frank).
4. Herstellingen en investeringen door partij ter andere (d.i. de appellante) gedaan in één of meer van de in punt 1 genoemde uitbatingen zullen door partij ter andere (d.i. de appellante) in mindering mogen worden gebracht van het verschuldigde leveringsrecht. Indien deze herstellingen of investeringen echter meer zouden bedragen dan het verschuldigde leveringsrecht, zal het bedrag der kosten en/of investeringen boven de … F (… frank) in mindering gebracht worden van de leveringsrechten van het daaropvolgende jaar. Deze regeling kan echter nooit aanleiding geven tot het terugbetalen van deze kosten door partij ter enere (d.i. de B. D. H.)."
Uit deze bepalingen volgt dat de appellante als tegenprestatie voor het exclusief leveringsrecht gehouden is tot betaling van een leveringsrecht gelijk aan 13 % met een maximum van … BEF (… EUR), en dat zij dit kan betalen hetzij in geld hetzij door middel van door haar uitgevoerde herstellingen aan of investeringen in de uitbatingen waarvoor zij het exclusief leveringsrecht heeft. Deze laatste vorm van betaling zal de appellante ook kunnen toepassen in het daaropvolgend jaar, voor het bedrag van de herstellingen/investeringen dat in het lopend jaar het bedrag van … BEF (… EUR) te boven gaat.
In acht genomen deze gegevens kan de redenering van de geïntimeerde in die zin gevolgd worden dat, wanneer de appellante herstellingen/investeringen als betaling toerekent op het verschuldigde leveringsrecht, zij handelt als commissionair/tussenpersoon in de zin van de artikelen 13 § 2 en 20 § 1 BTWwetboek en moet geacht worden zelf de diensten (herstellingen/investeringen zoals werken aan de onroerende goederen waarin de bedoelde uitbatingen gevestigd zijn en aan de appellante door aannemers gefactureerd) te hebben verstrekt. Dit brengt meteen mee dat in dat geval de appellante gehouden is aan de N.V. B. D. H. een overeenkomstige factuur uit te reiken.
Wanneer de appellante echter de herstellingen/investeringen niet als betaling toerekent op het verschuldigde leveringsrecht, kan niet gesteld worden dat de uitgevoerde herstellingen/investeringen de tegenprestatie vormen voor het exclusief leveringsrecht. Op zicht van de hoger aangehaalde overeenkomst van 1.4.1994 blijft de appellante vrij al dan niet herstellingen/investeringen te doen.
Niets belet de appellante ook deze herstellingen/investeringen niet toe te rekenen op het verschuldigde leveringsrecht.
In zoverre de appellante de door haar uitgevoerde herstellingen/investeringen niet heeft toegerekend op het leveringsrecht kan zij dan ook niet beschouwd worden als commissionair in de zin van het BTW-wetboek, met de eruit voortvloeiende verplichtingen. Er is dan geen levering van diensten aan de N.V. B. D. H. in de zin van het BTW-wetboek. In deze veronderstelling is de appellante niet gehouden tot voldoening van de BTW in toepassing van artikel 51bis § 1, 1° BTW-wetboek, zoals verdedigd door de geïntimeerde.
Het feit dat de mogelijkheid voor de appellante om herstellingen/investeringen aan de bedoelde uitbatingen te doen haar oorsprong vindt in de overeenkomst van 1.4.1994 dat impliciet aan de appellante de toelating verleent om dit te doen (in zoverre deze toelating niet elders zou gegeven zijn), betekent nog niet dat het in elk geval gaat om een tegenprestatie voor het exclusief leveringsrecht.
De geïntimeerde voert verder aan dat, in geval de werken aan de uitbatingen niet als tegenprestatie voor het exclusief leveringsrecht zouden te beschouwen zijn, maar om kosteloos uitgevoerde werken die de N.V. B. D. H. ten goede komen, het dan nog werken betreft die als dienstprestatie om niet te beschouwen zijn en gelijk te stellen zijn met dienstprestaties onder bezwarende titel. In deze veronderstelling is op deze diensten eveneens BTW verschuldigd, aldus de geïntimeerde. Daar de geïntimeerde volgens uitdrukkelijke vermelding in zijn conclusie dit enkel aanvoert om aan te tonen dat de door de appellante naar voor gebrachte stelling niet van aard zou zijn de verplichting om BTW te voldoen teniet te doen, en dit argument van de geïntimeerde een andere grondslag geeft aan de BTW-schuld dan aangegeven in het dwangbevel en het bijhorend proces-verbaal, kan dit argument niet leiden tot behoud van het bestreden dwangbevel.
De appellante stelt dat zij voor de jaren 1997-1998-1999 een afzonderlijk leveringsrecht aan de N.V. B. D. H. betaalde, en aan de andere kant investerings- en herstellingswerken liet uitvoeren voor een totaal bedrag van … BEF (… EUR), waarvoor zij op geen enkele wijze werd vergoed (zie de conclusie van de appellante neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 12.1.2009, p. 7, cijfer 18). Nu de geïntimeerde niet aantoont dat de appellante de herstellingen/investeringen op een of andere wijze aanrekende aan de N.V. B. D. H., is de BTW op deze investeringen/herstellingen voor de jaren 1997-1998-1999 in het bestreden dwangbevel ten laste van de appellante gelegd, door deze laatste niet verschuldigd, en evenmin de accessoria bij deze BTW-schuld.
Dispositif
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gegrond;
Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre het de oorspronkelijke vordering van de appellante ontvankelijk verklaart;
Opnieuw wijzende,
Verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellante gegrond;
Verklaart van nul en generlei waarde het dwangbevel (RCIV nr. 401/1211/73226) uitgevaardigd door F. D. R., e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2, op 13.12.2001, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. V. D., gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW te Antwerpen op 14.12.2001;
Beveelt de teruggave van de eventueel ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen, meer de wettelijke en gerechtelijke intresten;
Veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, en begroot deze in hun geheel als volgt :
• aan de zijde van de appellante: op … EUR dagvaarding en rolstelling + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;
• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op ACHTENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.