Champ d'application, service, lieu de prestation de service · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 10 mars 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, service, lieu de prestation de serviceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-lieu-prestation-cour-appel-anvers-2009-03-10-f019

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
10 mars 2009

Parcours procédural

2 étapes · 1 an 3 mois
  1. Décision attaquéeTribunal de première instance d'Anvers26.11.2007
  2. Décision affichéeCour d'appel d'Anvers10.03.2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

72 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 10.03.2009

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : 2008/AR/537

S.L.C. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer …;

appellante,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 26 november 2007;

vertegenwoordigd door Meester A. C. loco Meester J.-P. V., advocaat te …, …;

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd in de persoon van de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur-rekenplichtige van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J., advocaat te …, …;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 26 november 2007, betekend op 31 januari 2008, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 29 februari 2008, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1.

Appellante is sinds 7 januari 1982 als BTW-belastingplichtige geregistreerd en als dusdanig onderworpen aan het BTW-Wetboek en de in het kader ervan genomen uitvoeringsbesluiten.

1.2.

De administratie van de AOIF-controlecentrum Halle oefende bij appellante een controle uit over de periode van 1 januari 1998 tot 31 december 2000.

De gedane vaststellingen en de verschuldigde sommen werden opgenomen in een regularisatieopgave van 14 mei 2002 waarmee appellante zich akkoord verklaarde op 23 mei 2006 (stuk 6 AD.).

1.3.

Geïntimeerde heeft naar eigen zeggen de correctieopgave gecorrigeerd door de inbreuken van artikel 21 van het BTW-wetboek te annuleren.

Het verwerken van bestellingen en het verpakken van goederen zijn diensten bedoeld door artikel 21, § 3, 2° van het BTW-wetboek zodat de BTW in casu niet verschuldigd was in België.

1.4.

Appelante blijft volgens geïntimeerde dus verschuldigd aan de administratie van de invordering sector BTW, als :

- BTW : … EUR

- verminderde boete : … EUR

- interest krachtens artikel 91, § 1, van het BTW-wetboek te berekenen aan 0,8 % per

maand vanaf 21 januari 2001 over de verschuldigde BTW afgerond op … EUR : p.m.

1.5.

Geïntimeerde vaardigde op 26 mei 2004 een dwangbevel uit (stuk 1 A.D.) dat op 3 juni 2004 (stuk 2 A.D.) werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard en dat op 1 juli 2004 aan appellante werd betekend (stuk 2 A.D.).

1.6.

Bij gedinginleidend verzoekschrift van 29 juli 2004 leidde appellante de procedure in voor de eerste rechter.

De eerste rechter verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde appellante tot de kosten van het geding.

1.7.

De vordering in graad van beroep van appellante, zoals laatst geformuleerd in besluiten, luidt meer bepaald als volgt :

"Akte te verlenen van huidige conclusie;

Dit ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Derhalve, en daarop recht doende :

- het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, gewezen op 26 november 2007 door de 4F kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg, A.R. 04/4558/A teniet te doen en opnieuw rechtdoende;

- het dwangbevel, uitgevaardigd door de heer R. D. V., rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Antwerpen 2 te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4 op 26 mei 2004, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. M., eerst aanwezend inspecteur van de BTW te Kapellen, aangewezen door de directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Antwerpen op 3 juni 2004, met als bijlage de regularisatieopgave opgesteld door mevrouw M. S., eerstaanwezend verificateur van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstensfiscaliteit, Controlecentrum Halle, waarvan de kantoren gevestigd zijn te Zuster Bernardastraat 32, 1500 Halle, nietig te verklaren, minstens te horen zeggen voor recht dat de in het dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd zijn, zowel wat de belasting over de toegevoegde waarde betreft als wat de boeten kosten en interesten betreft;

- Derhalve de uitvoering van het dwangbevel te horen verbieden;

- Geïntimeerde bovendien te veroordelen tot de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingvergoedingen”.

1.8.

De Belgische Staat concludeert tot ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het eerste vonnis met veroordeling van appellante tot de kosten van het geding.

2. Bespreking

2.1. de beweerde verjaring

De vordering van de fiscus is niet verjaard.

Dit blijkt uit stuk 11 van geïntimeerde, zijnde de door de fiscaal raadgever van appellante opgestuurde "verzaking aan de verlopen tijd van verjaring".

In casu bewijst appellante niet dat er met dit stuk iets niet in orde is.

Loutere verdachtmakingen volstaan niet, appellante heeft ook geen strafklacht neergelegd.

2.2. de volmacht van de mandataris van appellante

Uit de libellering van de volmacht (stuk 12 geïntimeerde) blijkt dat de volmachtdrager o.m. de bevoegdheid krijgt "de naheffingsopgaven of andere stukken geldig en bindend te ondertekenen, na onderling overleg met de lastgever".

Daarbij mag de administratie er vanzelfsprekend van uitgaan dat de lasthebber, wanneer hij een akkoord tekent, inderdaad vooraf overleg heeft gepleegd met zijn lastgever.

In casu is het litigieuze akkoord dan ook binnen het mandaat afgesloten.

2.3. de beweerde vergissing in feite

Met de voorgelegde stukken (in het bijzonder het stuk 10 van appellante met bijlagen) bewijst appellante niet dat haar gegeven akkoord van 23 mei 2002 (stuk 6 geïntimeerde) aangetast is door een vergissing in feite.

2.4.

Het vonnis van de eerste rechter dient dan ook te worden bevestigd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellante tot de door geïntimeerde gevorderde rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep ten bedrage van … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van TIEN MAART TWEEDUIZENDENNEGEN,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

M. V. d. B. en M. G., Raadsheren;

A. V. L., Griffier.

A. V. L. M. G. M. V. D. B. D. W.

Textes cités

2
CTVA art. 212 occurrences
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8