Parcours procédural
2 étapes · 9 ans 10 mois- Décision affichéeTribunal de première instance d'Anvers27.01.2003
- Décision sur appelCour d'appel d'Anvers04.12.2012
Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers su 27.01.2003
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op zevenentwintig januari tweeduizend en drie in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
L. B., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
Inzake·: AR nr. 01/7561//A
NV C., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …
eisende partij,
verschijnende bij meester R. T., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
DE BELGISCHE STAAT,
1. in de persoon van de Minister van Financiën, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12,
2. vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de lnvordering, in de persoon van de Ontvanger van het Tweede BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
verwerende partij,
verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
In zake : AR nr. 02/2239/A
NV C., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….
eisende partij,
verschijnende bij meester R. T., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de lnvordering, sector BTW, in de persoon van de Ontvanger van het Tweede BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
verwerende partij,
verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
In zake : AR nr. 01/7561/A
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder D. L. in vervanging van gerechtsdeurwaarder R. D. M. te Brussel op 29 november 2001 voor wat betreft verwerende partij sub nr. 1 en betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder M. B. te Antwerpen op 27 november 2001 voor wat betreft verwerende partij sub nr. 2,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 15 januari 2002,
- de wijzigende beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 18 februari 2002,
- de besluiten van partijen.
In zake : AR nr. 02/2239/A
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder M. B. te Antwerpen op 12 april 2002,
- de besluiten van verwerende partij neergelegd ter griffie op 29 oktober 2002.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 23 december 2002.
In AR 01/7561/A heeft eiseres met exploten van 27 en 29 november 2001 de ontvanger van het Tweede BTW-Ontvangkantoor van Antwerpen laten dagvaarden in verzet tegen het dwangbevel van deze laatste van 30 oktober 2001, uitvoerbaar verklaard op 31 oktober 2001, aangezegd met aangetekende brief van 7 november 2001.
Dat dwangbevel staat bij de BTW genoteerd onder Reg. 127/3086 en vordert onder verwijzing naar een proces-verbaal van 8 oktober 2001 dat onterecht verrichte aftrek van BTW opgeeft.
In AR 02/2239/A heeft eiseres met exploot van 12 april 2002 eveneens de ontvanger van het Tweede BTW-Ontvangkantoor Antwerpen laten dagvaarden, zulks in verzet tegen ditmaal het dwangbevel van deze laatste van 21 maart 2002, uitvoerbaar verklaard op 22 maart 2002, aangezegd met aangetekende brief van 27 maart 2002.
Dat dwangbevel staat bij de BTW genoteerd onder Reg. 127/3166 en vordert onder verwijzing naar een bijzondere rekening over de periode van 31 augustus 2001 tot 30 november 2001.
Er blijkt nog een derde betwisting tussen partijen te bestaan, ditmaal met betrekking tot een bijzondere rekening over de periode van 31 augustus 2001 tot 30 april 2002, waarover naar wordt medegedeeld geen dwangbevel werd uitgevaardigd in afwachting van een beslissing van de rechtbank over de beide opgemelde zaken.
In de loop van mei 2001 heeft een controleambtenaar zich naar eiseres (BTW …) begeven ter controle.
Zij heeft aan de hand daarvan op 8 oktober 2001 een proces-verbaal opgesteld, waarin werd opgegeven dat eiseres BTW in aftrek heeft gebracht 'voor de belasting geheven van goederen en diensten die uitsluitend voor de niet-belastbare sector werden bestemd' (stuk 1 van verweerder in AR 01/7561/A). Dat proces-verbaal is gevoegd bij het dwangbevel van 30 oktober 2001.
Via een bijzondere rekening op naam van eiseres over 31 augustus 2001 tot 30 november 2001 wordt BTW gevorderd uit oorzaak van de opname van een bedrag in Vak 61 van de BTW-aangifte over het derde kwartaal 2001, door eiseres gemotiveerd als 'vrijwillige spontane onttrekking' in dat kwartaal. Dat vormt het voorwerp van het dwangbevel van 21 maart 2002.
Via een nieuwe bijzondere rekening op naam van eiseres over ditmaal 31 augustus 2001 tot 30 april 2001 wordt gecorrigeerd BTW gevorderd uit oorzaak van een (tegen)opname onder Vak 62 van de BTW-aangifte over het eerste kwartaal 2002, door eiseres gemotiveerd aIs het ongedaan maken van de eerdere onttrekking onder Vak 61, wegens dwingende brieven van de BTW-controle. Dat vormt (nog) geen voorwerp van een dwangbevel.
Eiseres heeft bij de vermelde aangifte over het eerste kwartaal 2002 een brief (aan de BTW-controle) gevoegd (stuk I van verweerder in AR 02/2239/A), waarin onder meer werd geschreven :
"... Wij melden U tevens dat wij de uitspraak voor de rechtbank afwachten i.v.m. het verschil van mening over 'beroepsoprichter'.
Wij melden U tevens dat verdere onttrekkingen moesten worden aangegeven, maar vermits U in Uw aangetekende schrijvens ons gebiedt de geboekte onttrekkingen tegen te boeken, zullen wij de beslissing van de rechter afwachten om daarna een vrijwillige en spontane onttrekking aan te geven''.
Eiseres houdt staande dat zij bij het oprichten van een gebouw op een industrieterrein heeft gehandeld in hoedanigheid van beroepsoprichter in de zin van de wetgeving inzake BTW, wat haar daardoor rechtigt om onmiddellijke aftrek te verrichten van de BTW die door haar werd betaald aan haar leveranciers en dienstverrichters op de handelingen met deze bestemming.
De BTW-belastingdienst en met hem verweerder betwisten zulks, omdat bij onderzoek ter plaatse werd vastgesteld dat aan het vermelde gebouw reclame werd gemaakt voor uitsluitend huur van kantoren, en dat er in 1999 en in 2000 reeds een gedeelte werd verhuurd.
Verweerder werpt in dezelfde orde op dat eiseres een innerlijke tegenstrijdigheid voert door het gebouw als koopwaar (voorraad) te bestempelen maar door erop aanvankelijk dan toch een afschrijving te hebben geboekt alsof het ging een om een duurzaam bedrijfsmiddel. Naar aan de rechtbank wordt meegedeeld, heeft eiseres deze aanvankelijke afschrijving naderhand ongedaan gemaakt.
De hoedanigheid van beroepsoprichter inzake BTW moet worden beoordeeld naar de feitelijkheid van de gestelde handelingen en het daarop al dan niet toepasselijk zijn van de omschrijving van belastingplichtige, zonder dat tot het verkrijgen van die hoedanigheid enig daaraan voorafgaand formalisme moet worden vervuld.
Eiseres wijst desbetreffend vergeefs naar haar breed geformuleerd maatschappelijk doel dat de mogelijkheid tot verkopen weliswaar inhoudt, maar door de feiten niet wordt bevestigd.
In dezelfde zin verwijst zij vergeefs naar haar inschrijving in het handelsregister waarin zij als handelswerkzaamheid heeft opgegeven 'Ondernemingen in onroerende goederen’.
Dito met betrekking tot een brief van een bank in 1991 aan een natuurlijk persoon in verband met een doorverkoop van (toen) de 'industriegrond' door deze natuurlijke persoon.
Tenslotte dito met betrekking tot een overeenkomst van 1 juli 1999 tussen eiseres en een makelaar 'om één of meerdere huurders en/of kopers te zoeken', zonder evenwel daarvan enige bevestiging in de feiten, vermits vanuit een proces-verbaal inzake BTW van mei en juni 2001 blijkt dat aan het gebouw enkel reclame ‘te huur' werd vastgesteld (bijlage 1 van stuk 1 van verweerder in AR 01/7561/A) en vermits ook vanuit van eiseres uitgaande stukken van februari en maart 2001 blijkt dat zij aan potentieel cliënteel delen van het gebouw te huur aanbood, zonder overigens daarbij de minste verwijzing naar koopmogelijkheid (bijlage 3 van stuk 1 van verweerder in hetzelfde AR-nummer).
Bij de aangifte van aanvang van werkzaamheid inzake BTW (stuk 10 van verweerder in AR 01/7561/A) blijkt eiseres te hebben opgegeven : ‘Enige werkzaamheid of voornaamste werkzaamheid : nihil’, wat uiteraard slechts indicatief was, maar wat slechts door de feiten bevestigd is geworden, zoals ook blijkt uit een grondig verificatieverslag van de AOIF over de periode 18 juli 2000 tot en met 7 september 2000 (stuk 12 van verweerder in hetzelfde AR-nummer) : ‘Werkelijke activiteit : verhuur van kantoor- en opslagruimten.
Eiseres werpt op dat kantoorgebouwen beter verkopen indien ze verhuurd zijn omdat 'slechts een koper (kan) worden gevonden indien er zekerheid bestaat omtrent de rendabiliteit van de gebouwen, met name indien ze reeds verhuurd zijn’.
Waar zulks al dan niet een economische waarheid zou kunnen impliceren, en waar eiseres zulks koppelt aan contracten die ze met makelaars aanging voor het zoeken van potentiële huurders en kopers van het kantoorgebouw, blijft zulks niet aan te sluiten bij de vastgestelde hogerop uiteengezette feitelijke vaststellingen.
Opdat eiseres het door haar opgeworpen neutraliteitsbeginsel van de BTW nuttige zou kunnen aanvoeren, is zowel onder de Zesde BTW-Richtlijn als onder de Belgische BTW-wetgeving vereist dat zij zou optreden als BTW-belastingplichtige voor de door haar gestelde uitgaande handelingen.
Waar zij in dat verband het arrest Rompelman van het Hof van Justitie van 14 februari 1985) naar voren schuift, garandeert het daarin toegepaste neutraliteitsbeginsel dat een BTW-belastingplichtige reeds van bij het stellen van voorbereidende (inkomende) handelingen met het oog op een onder de BTW vallende economische (uitgaande) activiteit, mag overgaan tot aftrek van de voorbelasting in de normale verwachting van het naderhand zullen uitoefenen van zulke BTW-activiteit, voor zover het precies gaat om een normale verwachting vanuit de begeleidende objectieve gegevens in haren hoofde.
De door eiseres te dezen voorgehouden (uitgaande) BTW-activiteit blijkt zich te dezen niet te hebben voorgedaan en ook niet objectiveerbaar in de verwachtingen te liggen, zodat de door haar uitgeoefende aftrek naderhand terecht mocht worden en werd herzien.
Vanuit niet geobjectiveerd gebleken elementen kan eiseres overigens voor zich geen aanspraak maken op rechtszekerheid.
Het gegeven dat eiseres in haar aangifte over het eerste kwartaal 2001 naar eigen stelling 'geheel in de lijn van haar handelwijze' (midden bladzijde 9 van haar conclusie) en ook nog later is overgegaan tot aangifte wegens onttrekking op grond van dan weer artikel 12, § 1, 3° Wetboek BTW, en dat de BTW-belastingdienst op grond van deze onttrekking BTW vordert (in het onder AR 02/2239/A betwiste dwangbevel), betekent niet dat eiseres handelingen heeft gesteld waardoor zij zich tot beroepsoprichter zou hebben ontpopt, en is er overigens niet mee verenigbaar.
Ten overvloede is hogerop reeds gebleken dat eiseres - met of zonder druk van de BTW-controle, waarvan zij in voorkomend geval niet aantoont dat zij daaraan onmogelijk kon weerstaan - die onttrekking, voorwerp van het dwangbevel onder AR 02/2239/A ongedaan heeft gemaakt, wat dat dwangbevel post factum zonder voorwerp heeft gemaakt.
De initiële afschrijving die eiseres op het gebouw verrichtte is alvast niet bepalend wat betreft het BTW-regime, maar is in het geheel van de hogerop gedane constanties van bijkomende indicatieve waarde gebleken.
Uit wat voorafgaat volgt dat er reden voorligt tot samenvoeging van de zaken onder de beide AR-nummers, verder dat met het dwangbevel onder AR 01/7561/A terecht navordering wordt gedaan, en ook nog dat het dwangbevel onder AR 02/2239/A zonder voorwerp is geworden door de eigen bijsturing vanwege eiseres.
Over de toelaatbaarheid van de vorderingen loop er geen betwisting, ook niet van ambtswege aan te voeren.
Inzake de gevorderde BTW-boetes in de twee dwangbevelen.
Inzake AR 01/7561/A
Eiseres stelt dat het dwangbevel, dat als administratieve akte valt onder de motiveringswet van 29 juli 1991, formeel en afdoende gemotiveerd moet zijn, wat naar haar oordeel te dezen niet is geschied met betrekking tot de onder artikel 70, § 1bis Wetboek BTW geplaatste boete.
De boete waarvan sprake in het proces-verbaal van 8 oktober 2001, blijkt krachtens de inhoud van dat proces-verbaal te zijn herleid onder tabel H gevoegd bij Koninklijk Besluit nr. 41 inzake BTW, en aldus tot 5 % van de wettelijke boete.
Het dwangbevel van 30 oktober 2001 motiveert de gevorderde boete onder verwijzing naar het erbij gevoegde opgemelde proces-verbaal, en vordert geen boeteverhoging wegens en naar aanleiding van de invordering bij dwangbevel.
De rechtbank stelt vast dat deze boete wordt gevorderd vanuit een correcte toepassing van de wet op de feiten, en afdoende verantwoord in de opgemelde stukken.
Inzake AR 02/2239/A leest de rechtbank in de conclusie van verweerder hel volgende :
"Het (...) invorderingsorder (…) dat het voorwerp van de dagvaarding uitmaakte, werd doorgehaald. Voor de verschuldigde bedragen werd een nieuw invorderingsorder opgemaakt ...'', en de conclusie stelt van daaruit dat het dwangbevel van (niet 27, maar) 21 maart 2002 "ipso facto niet meer gegrond is, (en) concluant dan ook van oordeel is dat het geding (...) zonder voorwerp is geworden".
Dat houdt in dat tegelijk het in dat dwangbevel gevorderde toebehoren, boete incluis, zonder voorwerp is geworden.
Over een dwangbevel inzake het door verweerder vermelde 'nieuw invorderingsorder’·is de rechtbank op huidig ogenblik niet gevat, naar werd meegedeeld door partijen.
Dispositif
OM DIE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alk andere en strijdige middelen verwerpend.
Voegt de zaken gekend onder AR 01/7561/A en AR 02/2239/A samen,
Verklaart beide vorderingen toelaatbaar,
Verklaart de vordering onder AR 01/7561/A ongegrond en stelt vast dat de vordering onder AR 02/2239/A zonder voorwerp is geworden,
Veroordeelt eiseres tot de kosten van de gevoegde zaken, deze aan elke zijde begroot in de respectieve conclusies, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op eenmaal 167,33 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding in beide rolnummers samen.
N. D. L. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.