Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 16.12.2010
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
HOF van BEROEP te BRUSSEL, zesde fiscale kamer – openbare terechtzitting van 16.12.2010
Nr. van de zaak 2008/AR1899
Inzake van :
Mevrouw D. U., wonende te …, …,
appellante,
vertegenwoordigd door Meester H. loco Meester D. M., advocaat te …, …
De BELGISCHE STAAT, AO II; sector BTW op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester H. loco Meester P. D., advocaat te …, …
Het hof na beraad spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit.
R. 2010/8599 EINDARREST - ongegrond
Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de drieëndertigste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op tegenspraak gewezen op 25 februari 2008 (AR nr. 2005/4264/A) vonnis waarvan geen betekeningsakte voorligt en waartegen door appellante een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegf ter griffie van dit hof op 1 april 2008.
De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.
Het vonnis verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond.
Deze vordering strekte ertoe haar verzet tegen dwangbevel ontvankelijk en gegrond te verklaren
Het dwangbevel ongegrond te horen verklaren
In subsidiaire orde het dossier en het dwangbevel in opschorting te plaatsen zolang er geen definitieve uitspraak is betreffende de punten inzake directe belastingen
I. De feiten
Appellante is sinds 1 aart 1994 geregistreerd als BTW belastingplichtige. Zij baat samen met haar echtgenoot de heer M. T. een frituur uit in ….
Bij haar werd een BTW-controle uitgevoerd over de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2001.
De overtredingen die volgens geïntimeerde werden vastgesteld werden opgenomen in een proces-verbaal van 17 december 2004 waaruit blijkt dat appellante de volgende sommen verschuldigd was :
als BTW 6.437,85 EUR
als verminderde boete 810,00 EUR
interest krachtens art. 91, § 1 W.BTW te berekenen aan 0,80 % per maand van 21 januari 2002 p.m.
Op 21 december 2004 vaardigde geïntimeerde een dwangbevel uit dat op 22 december 2004 aan appellante werd betekend bij aangetekend schrijven en op 8 maart 2005 bij gerechtsdeurwaardersexploot.
Op 5 april 2005 tekende appellante verzet aan tegen dit dwangbevel met een dagvaarding van geïntimeerde.
Bij het bestreden vonnis van 25 februari 2008 wees de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vordering van appellante af.
II. Discussie
a) Wat de beweerde nietigheid van het dwangbevel betreft
Appellante wijst erop dat de administratie op 16 juni 2004 naar aanleiding van een controle een regularisatieopgave opstuurde waarop zij haar opmerkingen kon formuleren waarna deze regularisatieopgave dan de basis vormt voor verdere onderhandelingen In deze heeft de administratie evenwel in plaats van tot onderhandelingen te komen onmiddellijk kennis gegeven van het proces-verbaal en van het dwangbevel. Appellante meent dat de plotse betekening van het dwangbevel tijdens de onderhandelingen zonder te antwoorden op de opmerkingen van de belastingplichtige als een gebrek aan motivatie moet worden beschouwd. Een dergelijke handelwijze is volgens appellanten een manifeste schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. Verder heeft de administratie volgens appellante de door haar aangebrachte essentiële informatie in haar schrijven van 23 december 2004 niet onderzocht (nl. het verzoek om het dossier in opschorting te plaatsen tot een definitieve uitspraak betreffende de betwiste punten inzake directe belastingen).
Terecht oordeelde de eerste rechter dat het dwangbevel in kwestie nietig was. Hij gaf een correct overzicht van de voorafgaande initiatieven vanwege de fiscale administratie alsook van het gebrek aan nieuwe elementen vanwege appellante sedert haar niet akkoord met de correctieopgave.
Zo werd appellante na onderzoek van haar niet akkoord met de correctieopgave van 30 juni 2004 (zie stuk 1 van appellante) door de administratie in kennis gesteld van de motieven die haar standpunt, zoals weergegeven in de correctieopgave bevestigden bij schrijven van 3 augustus 2004 (zie stuk 8 van geïntimeerde). Appellante bracht nadien geen nieuwe elementen meer aan, die tot een herziening van het door de administratie ingenomen standpunt hadden kunnen leiden.
Op 20 december 2004 werd appellante in kennis gesteld van het opstellen van een proces-verbaal met toevoeging van een kopie (zie stuk 7 van geïntimeerde). In haar schrijven van 23 december 2004 (zie stuk 2 van appellante) voerde zij evenmin nieuwe elementen aan. Om die reden kon niet worden voldaan aan haar verzoek tot opschorting van de vordering hetgeen haar op omstandige wijze werd meegedeeld op 7 januari 2005 (zie stuk 9 van geïntimeerde).
Appellante is dan ook slecht geplaatst om geïntimeerde een schending van zijn verplichting inzake behoorlijk bestuur te verwijten.
Ook het verwijt van appellante dat geïntimeerde had moeten wachten met een betekening van het dwangbevel tot na de afhandeling van het inzake directe belastingen ingediende bezwaarschrift gaat niet op. Terecht stelde de eerste rechter terzake dat geïntimeerde in het licht van de verjaring van de vordering inzake BTW met reden de nodige maatregelen heeft genomen om zijn rechten te vrijwaren. Het hof verwijst terzake naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter motieveen die het tot de zijne maakt.
Het argument van appellante dat het dwangbevel nietig is om reden van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur dient dan ook te worden verworpen.
b) Wat de beweerde schending van art. 53, lid 1, 3° en 4° W.BTW en art. 18 KB nr. 1 in verband met de aangegeven omzet betreft
Appellante wijst erop dat het onderhavige BTW-dossier slechts een accessorium is van het dossier inzake directe belastingen. In dit laatste dossier riepen appellante en haar echtgenoot vooreerst een opeenstapeling van vermoedens in. In deze vertrekt de administratie van een zg bekend feit (de forfaitaire grondslagen van aanslag) om daaruit een onbekend feit (hun omzet) af te leiden. Nochtans kunnen de forfaitaire grondslagen van aanslag vastgesteld bij beroepsgroepen, niet als bekende feiten worden beschouwd.
Bovendien heeft de administratie volgens appellante en haar echtgenoot een verboden vermenging doorgevoerd van de artikelen 230 en 342 WIB 92 en heeft zij aldus arbitrair gehandeld.
Daarnaast roepen appellante en haar echtgenoot in dat de administratie met gewettigde gevolgtrekkingen heeft getrokken. Deze ongewettigde gevolgtrekking bestaat in een verdubbeling van de netto-inkomsten zonder dat enig objectief feit in het dossier deze verdubbeling kan verantwoorden.
Appellante en haar echtgenoot roepen dus een opeenstapeling van vermoedens in. In deze vertrekt de administratie van de forfaitaire grondslagen van aanslag. Nochtans vormen deze volgens appellante en haar echtgenoot geen bekend feit om daaruit een onbekend feit te weten hun omzet af te leiden. Daarnaast menen appellante en haar echtgenoot dat de administratie een verboden vermenging van de artikelen 340 en 342, § 1 WIB 1992 heeft doorgevoerd hetgeen wordt betwist door geïntimeerde die stelt dat de administratie zich uitsluitend heeft gebaseerd op art. 340 WIB 1992.
Het hof stelt vast dat het bericht van wijziging van de aangifte van 29 juli 2004 (zie stukken 207 e.v. van het administratief dossier inzake directe belastingen) melding maakt van zowel art. 340 als art. 342 WIB 1992. Het bericht van wijziging stelt dat de omzet wordt berekend bij toepassing van art. 340 WIB 1992 en voegt eraan toe dat voor wat de verkoop van frieten in frituuruitbatingen betreft een forfaitaire omzetberekening is voorzien. Terzake verwijst het bericht van wijziging naar art. 342 WIB 1992 en stelt het letterlijk het art. 342 WIB 92 stelt de administratie in staat bij gebreke van bewijskrachtige gegevens geleverd hetzij door de belastingplichtige, hetzij door de administratie de belastbare winst te bepalen naar de normale winst van soortgelijke belastingplichtigen en dat voor deze bepaling de administratie in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen forfaitaire grondslagen van aanslag mag vaststellen (…).
Het bericht van wijziging maakt met betrekking tot de bepaling van de omzet en brutowinst een uitsplitsing tussen enerzijds de omzet frieten (verder uitgesplitst in verkoop van frieten, verkoop van sauzen, verkoop snacks en verkoop dranken) en anderzijds de niet forfaitair geregelde handelingen.
Bijgevolg werd slechts een gedeelte van de omzet (meer bepaald frieten, sauzen, snacks en dranken) vastgesteld, gebruik makend van de forfaitaire grondslagen van aanslag zoals deze door de administratie en de beroepsvereniging van frituuruitbaters werden vastgesteld en overeengekomen. Voor het overige gedeelte van de omzetberekening (met name wat betreft zelf bereide brochetten, stoofvlees, pitta’s, enz.) werd rekening gehouden met de door appellante en haar echtgenoot zelf schriftelijk afgelegde verklaringen en de door hen ingediende BTW-aangiften.
Eens is bewezen dat de boekhouding van de belastingplichtige niet bewijskrachtig is, kan de administratie op grond van art. 342 WIB 1992 enkel overgaan tot het bepalen van de belastbare grondslag zelf en niet tot vaststelling van een gegeven dat dient om die grondslag te bepalen.
Wanneer de administratie een beroep doet op de vergelijking met de normale winsten van soortgelijke belastingplichtigen om een element te bepalen dat dienstig is voor het vaststellen van de belastbare grondslag zelf (hetgeen in deze het geval is nu enkel de omzet frieten op die wijze werd vastgesteld) wordt geen toepassing gemaakt van art. 342 WIB 1992. In dat geval wordt uitsluitend toepassing gemaakt van een feitelijk vermoeden zoals bepaald in art. 340 WIB 1992 (zie o.m. Cass. 25 februari 1982, FJB nr. 8296 Cass. 25 maart 1982 FJF nr. 82/137 Cass. 28 februari 1985 Arr. Cass. 1985, 898 Cass. 11 oktober 1996 FJT nr. 96.266).
In het geval van toepassing van art 340 WIB 1992 hoeft de administratie niet voorgaandelijk het bewijs te leveren van het ontbreken van bewijskrachtige gegevens.
Dit gezegd zijnde is het hof van oordeel dat de administratie in deze terecht de bewijskracht van de boekhouding van appellante en haar echtgenoot heeft verworpen. Dit was overigens ook het besluit van de eerste rechter die zijn redenering terzake op de pagina’s 4 en 5 van het bestreden vonnis heeft uiteengezet. Het hof verwijst naar de oordeelkundige overwegingen van de eerste rechter ter zake overwegingen die het tot de zijne maakt.
Het hof meent dat geïntimeerde in deze op correcte wijze is overgegaan tot het bepalen van de omzet en brutowinst van appellante en haar echtgenoot aan de hand van feitelijke vermoedens die gewichtig bepaald en overeenstemmend zijn.
Wat de omzet frieten betreft werd gebruik gemaakt van de forfaitaire grondslagen van aanslag die werden overeengekomen tussen de administratie en de beroepsvereniging van frituuruitbaters hetgeen meteen het bewijs inhoudt van het bestaan van soortgelijke belastingplichtigen en van de juistheid van e gehanteerde gegevens. Dat er een grote verscheidenheid bestaat onder frituuruitbaters doet geen afbreuk aan de correctheid van de gemiddelde zijn van bij alle mogelijke soorten frituuruitbaters vastgestelde winstmarges en waarbij tevens rekening werd gehouden met alle mogelijke verliezen.
Wat het overige gedeelte van de omzetberekening betreft werd zoals reeds gezegd met name rekening gehouden met de door appellante en haar echtgenoot zelf schriftelijk afgelegde verklaringen (i.v.m. eigen gebruik afval verkoking enz.) en met de door hen ingediende BTW-aangiften (i.v.m. de verhouding verbruik ter plaatse ten overstaan van de totale verkoop).
Het hof stelt vast dat appellante en haar echtgenoot de door de administratie gehanteerde winstmarges en/of rendementen niet kunnen weerleggen bij gebrek aan een bewijskrachtige boekhouding. Verder wordt de door appellante en haar echtgenoot opgemaakt tegenberekening zoals gevoegd bij hun bezwaarschrift (zie stuk 30 van het administratief dossier inzake directe belastingen) evenmin gestaafd aan de hand van verantwoordingsstukken en resulteert deze bovendien in een lagere omzet dan de aangegeven omzet.
Van een opeenstapeling van vermoedens een verboden vermenging van de artikelen 340 en 342, § 2 WIB 1992 en een arbitrair handelen van de administratie kan bijgevolg geen sprake zijn. Evenmin kan de administratie gelet op de concrete berekening van de omzet en de brutowinst in deze zaak worden verweten ongewettigde gevolgtrekkingen te hebben getrokken.
Appellant dient met bewijsstukken aan te tonen dat de in het proces-verbaal opgenomen feitelijke vaststellingen en afgelegde verklaringen onjuist zijn. Terzake dient het hof vast te stellen dat appellante faalt in haar bewijsvoering op geen enkel ogenblik levert zij het bewijs van het feit dat de berekening die aan de basis van de heffing ligt niet correct gebeurde en dat de aangenomen ontvangsten niet overeenstemmen met de werkelijkheid.
c) Wat de beweerde schending van art. 12, § 1, 1° W.BTW in verband met de onttrekking door een belastingplichtige aan zijn bedrijf van een roerend goed betreft
Het betreft hier de integrale aftrek van de BTW op de aankoop van een nieuwe Nissan. Volgens de administratie werd deze wagen gedeeltelijk voor privé-doeleinden gebruikt.
Ten onrechte zo stelt appellante weerhield de administratie slechts 25 % beroepsgebruik van de wagen. Daarbij hield de administratie enkel rekening met de ophaling van bedrijfsgoederen in haar berekening van de verhouding privé/beroepsmatig gebruik.
Volgens appellant dient daarbij rekening te worden gehouden met nog een aantal andere verplaatsingen. Tevens werd volgens haar geen rekening gehouden met het feit dat zij over een tweede voertuig beschikt dat zij hoofdzakelijk voor privé-verplaatsingen aanwendt.
De bewijslast van het bestaan van een recht op aftrek van BTW berust bij diegene die er aanspraken op laat gelden. Art. 45, § 1 W.BTW vereist dat een belastingplichtige voor iedere aftrek bewijst dat de goederen en diensten waarvoor hij zijn aanspraak op aftrek laat gelden in werkelijkheid bestaan en effectief voor het verrichten van de onder 1° tot 3° van dat artikel opgesomde handelingen werden gebruikt (in dezelfde zin zie Gent 24 juni 1988, BTW-Revu nr. 84 p. 39).
Ter verantwoording van haar bewering dat bij de vaststelling van het beroepsmatige gedeelte van de wagen Nissan met een aantal andere verplaatsingen dan deze met betrekking tot de ophaling van bedrijfsgoederen rekening dient te worden gehouden legt appellante een kilometerberekening volgens het GPS-systeem neer. Deze berekening geeft geen enkele datum van verplaatsing en wordt door geen enkel bewijsstuk gestaafd zodat zij oncontroleerbaar is. Het gaat hier met andere woorden om een door appellante zelf te haren behoeve opgemaakt bewijsstuk dat aan de fiscale administratie niet tegenwerpelijk is en dat bijgevolg door het hof niet in aanmerking kan worden genomen.
Uit de terzake door geïntimeerde neergelegde stukken blijkt dat de administratie de verhouding privé/beroepsmatig gebruik van de wagen op een redelijke wijze heeft geraamd. Alleszins blijft appellante in gebreke aan de hand van concrete en controleerbare gegevens een hoger percentage aan beroepsmatig gebruik aan te tonen.
d) Wat de gevorderde boeten en interesten betreft
Appellante meent dat gelet op de nietigheid van het dwangbevel geen interesten of boeten verschuldigd kunnen zijn.
In subsidiaire orde houdt appellante voor dat zij haar verkopen correct heeft aangegeven zodat er geen aanleiding kan zijn tot een herziening van de BTW-aangiften en evenmin tot het openbaar worden van een boete en interesten.
Hiervoor kwam het hof evenwel reeds tot het besluit dat het dwangbevel niet nietig is en dat appellante de verkopen niet correct heeft aangegeven. Derhalve werden de boete en interesten in overeenstemming met de wet opgelegd.
e) Wat de kosten betreft
Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-KB van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet van dit KB vinden toepassing onderhavige zaak.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak
Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk doch ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis.
Veroordeelt appellante tot de beroepskosten begroot op 900.000 EUR voor appellante op 900,0 EUR voor geïntimeerde.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6de fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel op 16 december 2010.
Alwaar aanwezig waren en zitting namen :
J. V., raadsheer dd. Voorzitter;
P. V., raadsheer;
R. T., plaatsvervangend raadsheer;
C. D. N., griffier.
C. D. N. R. T. P. V. J. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.