Champ d'application, livraison de biens, lieu de livraison, preuve · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 6 septembre 2011

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, livraison de biens, lieu de livraison, preuveTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-livraison-biens-lieu-cour-appel-anvers-2011-09-06-8315

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
6 septembre 2011

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

82 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 06.09.2011

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

Zitting van : 6/9/2011

In zake : 2009/AR/3236

S. NV, mei maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven met KBO-nummer …,

appellante,

tegen het vonnis gewezen op 12 november 2009 door de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt,

vertegenwoordigd door Mr. C. S. loco Mr. S. H., advocaat te …, …,

tegen :

1. ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, Gewestelijk directeur BTW Hasselt, te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 40,

2. DE BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

geïntimeerden,

vertegenwoordigd door Mr. P. B. loco Mr. V. D. S. P., advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 12 november 2009 door de Elfde Kamer A van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 2 december 2009;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep

1.1. De NV S., appellante, is ingevolge de door haar uitgeoefende beroepsactiviteit van uitbating van een restaurant “van het traditionele type" geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nununer BE …) en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

1.2. Op 10 september 2007 hebben ambtenaren bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, verbonden aan de Inspectie Plaatselijke Opsporingen van Hasselt, zich aangemeld bij appellante. Zij werden er ontvangen door de heer M. B., afgevaardigd bestuurder van appellante, en verzochten hem het afspraken- en reservatieboek voor te leggen.

De heer M. verklaarde in het bezit te zijn van een reservatieboek maar weigerde het voor te leggen en beriep zich op het recht op privacy.

Hiervan werd een proces-verbaal van vaststelling opgesteld op 12 september 2007.

Bij brief van 7 november 2007 heeft de e.a inspecteur a.i. van de BTW­controle te Bree aan appellante meegedeeld dat de gedane vaststelling een inbreuk van de bepalingen van het BTW-wetboek uitmaakt waarvoor er overeenkomstig artikel 70, § 4, W.BTW een geldboete verschuldigd is. Aangezien het om een eerste overtreding betrof werd er evenwel beslist geen geldboete op te leggen.

Bij brieven van 12 november 2007 en 26 november 2007 verzocht de raadsman van appellante hem het artikel van het BTW-wetboek mee te delen waaruit blijkt dat er een overtreding werd begaan door appellante.

Bij brief van 5 december 2007 heeft de e.a. inspecteur a.i. van de BTW­controle te Bree hieromtrent nadere inlichtingen verschaft.

Bij brief van 7 december 2007 tekende de raadsman van appellante bezwaar aan bij de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW stellende dat men niet kon akkoord gaan met de zienswijze van de administratie.

De administratie deelde bij brief van 7 januari 2008 aan de raadsman van appellante mee dat zij bij haar standpunt bleef

1.3. Op 10 december 2007 heeft een ambtenaar van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit en verbonden aan de Inspectie Plaatselijke Opsporingen van Hasselt zich aangemeld bij appellante. Hij werd er ontvangen door de heer B. M., afgevaardigd bestuurder van appellante, en heeft hem verzocht op grond van artikel 61 W.BTW om het afspraken- en reservatieboek voor te leggen.

De heer M. bevestigde dat hij over een dergelijk boek beschikte maar weigerde om dit voor te leggen.

Hieromtrent werd een proces-verbaal van vaststellingen opgesteld op 7 januari 2008.

Bij brief van 15 januari 2008 heeft de e.a. inspecteur a.i. van de BTW-controle te Bree aan appellante meegedeeld dat de gedane vaststelling een inbreuk van de bepalingen van het BTW-wetboek uitmaakt waarvoor er overeenkomstig artikel 70, § 4, W.BTW en het KB nr. 44, afd. 1, rubriek XVI een verminderde geldboete van … EUR verschuldigd is.

Namens appellante werd er bij aangetekende brief van 23 februari 2008 bezwaar ingediend tegen deze geldboete.

Bij directorale beslissing van 12 februari 2008 werd aan de raadsman van appellante meegedeeld dat de administratie bij haar standpunt blijft.

1.4. Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 22 januari 2008 vordert appellante de vernietiging van de directorale beslissing (van 7 januari 2008) en te zeggen voor recht dat zij geen inbreuk heeft gepleegd op de BTW-wetgeving tijdens de controle op maandag 10 september 2007.

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 18 februari 2008 vordert appellante de vernietiging van de directorale beslissing zo van 7 januari 2008 als van 12 februari 2008 en te zeggen voor recht dat zij geen inbreuk heeft gepleegd op de BTW-wetgeving tijdens de controle op 13 december 2007. Zij vordert tevens dat haar voorbehoud zou worden verleend tot het vorderen van een schadevergoeding lastens geïntimeerde.

1.5. Het bestreden vonnis uitgesproken door de Elfde Kamer A van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 12 november 2009 voegt vooreerst beide zaken samen en oordeelt dat de bij conclusies ingestelde vordering in schadevergoeding provisioneel begroot op … EUR een hoofdvordering is, die bij dagvaarding of vrijwillige verschijning diende te worden ingeleid en bijgevolg ontoelaatbaar is. Ten gronde stelt de eerste rechter dat een reservatieboek geen deel uitmaakt van de verplichte boekhouding, doch dat wanneer een reservatieboek wordt bijgehouden het alsdan moet worden bewaard op grond van artikel 60, § 1, tweede lid, W.BTW. Op grond van artikel 61, § 1, W.BTW diende appellante het reservatieboek dat zij bijhield te overleggen aan de administratie. Het argument van appellante dat in het reservatieboek ook privéafspraken en privébezoeken van derden werden genoteerd die niets met de activiteiten van appellante te maken hebben, doet geen afbreuk aan haar wettelijke verplichting. De opgelegde boete wordt tenslotte evenredig met de door appellante begane overtreding bevonden. De vordering tot schadevergoeding wordt derhalve ontoelaatbaar verklaard en de overige vorderingen ontvankelijk doch ongegrond.

1.6. Tegen dit vonnis heeft appellante hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 2 december 2009.

1.7. In dit verzoekschrift en in de op 2 september 2010 neergelegde syntheseconclusies stelt appellante dat artikel 14, §§ 1 en 2, W.BTW een omschrijving en opsomming geeft welke boekhouding dient te worden bijgehouden. Hierin is er geen sprake van een reservatieboek. Bij nalezing van artikel 60, § 1, van het BTW-wetboek wordt nergens een opsomming gegeven welke boekhouding dient te worden bijgehouden. Artikel 60, § 1, heeft het enkel en alleen over het bewaren van de boekhouding. Artikel 60, § 1, 2de lid, waar geïntimeerde naar verwijst, heeft bij aandachtige nalezing enkel betrekking op buitenlandse verhandelingen. Artikel 61 van het BTW­wetboek verwijst terug naar artikel 60, die dan op haar beurt verwijst naar artikel 14. Ondergeschikt, voert appellante aan dat de reden dat een reservatieboek niet onder de verplichte boekhouding valt, vooreerst moet gezocht worden in het feit dat een dergelijk boek niet enkel betrekking heeft op reservaties in het restaurant maar hieromtrent ook nota's en gegevens vermeld worden omtrent het privéleven, zoals dagindeling, bezoeken aan derden, bezoeken van vertegenwoordigers of kennissen en dergelijke meer. Dit zou uiteindelijk ook nog leiden tot de ernstige schending van de privacy, zonder dat het fiscale nut van een dergelijk boek wordt aangetoond. De tweede controle op 13 december 2007, hetzij 6 dagen na de indiening van het eerste bezwaar, beschouwt appellante als een ambtenarenmisbruik, dat weinig te maken heeft met loyaliteit en objectiviteit. Appellante is dan ook van oordeel dat zij door de handelswijze van geïntimeerde op 13 december 2007 schade heeft geleden. Appellante vraagt dan ook een schadevergoeding van … Euro provisioneel. Hoogst ondergeschikt, voert appellante aan dat geïntimeerde de tweede inspectie op 13 december 2007 opzettelijk heeft uitgelokt met de één enkele bedoeling een boete te kunnen opleggen. De tweede vaststelling van 13 december 2007 was overbodig gezien de standpunten van de partijen gekend waren en er derhalve geen enkele reden was een boete op te leggen van … €. Appellante besluit derhalve tot de vernietiging van het bestreden vonnis, het zeggen voor recht dat de beide bezwaren gegrond waren en appellante geen inbreuk heeft gepleegd omtrent de BTW-wetgeving, zowel tijdens de controle van 10 september 2007 als de controle op donderdag 13 december 2007, derhalve het zeggen voor recht dat de beslissingen die geïntimeerde heeft genomen, dienen ingetrokken te worden en geen uitwerking noch rechtsgevolgen hebben opzichtens appellante, het zeggen voor recht dat de handelswijze van geïntimeerde omtrent de vaststelling van 13 december 2007 schade verwekkend was ten nadele van appellante en het begroten van deze schade op … Euro provisioneel, onder uitdrukkelijk voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding, en in hoogst ondergeschikte orde, tot het zeggen voor recht dat er geen reden toe bestaat tot het opleggen van een boete van … € met betrekking tot de tweede vaststelling van 13 december 2007 om reden dat reeds een eerste bezwaar was ingediend tegen de vaststelling van 10 september 2007. Appellante begroot tenslotte de rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg als in hoger beroep, op grond van een niet in geld waardeerbare vordering, hetzij op het basisbedrag van … EUR.

1.7. Geïntimeerde beaamt zijnerzijds in zijn op 14 december 2010 neergelegde synthesebesluiten de redengeving van het bestreden vonnis en voegt er enkel aan toe dat appellante niet aantoont dat aan de voorwaarden om zich te beroepen op artikel 1382 B.W. voldaan is. Geïntimeerde is dan ook van oordeel dat er geen redenen voorhanden zijn tot het toekennen van enige schadevergoeding. Geïntimeerde besluit derhalve tot de ongegrond verklaring van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis. Geïntimeerde begroot het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op … EUR.

2. Beoordeling

2.1. Over de toelaatbaarheid van de vordering in schadevergoeding

2.1.1. Naar luid van artikel 700, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 5, 1° en 2° van de Wet van 26 april 2007 (B.S. 12 juni 2007), worden hoofdvorderingen op straffe van nietigheid bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift.

Overeenkomstig artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.

Artikel 809 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat tussen de partijen in het geding de tussenvorderingen worden ingesteld bij conclusies, die ter griffie worden neergelegd en aan de overige partijen overgelegd zoals bepaald is in de artikelen 742 tot 746.

Krachtens artikel 701 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen verscheidene vorderingen tussen twee of meer partijen, indien zij samenhangend zijn, bij eenzelfde akte worden ingesteld.

Krachtens artikel 30 van hetzelfde wetboek kunnen rechtsvorderingen als samenhangende zaken worden behandeld, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht.

Uit de samenhang van voormelde wetsbepalingen volgt dat indien de hoofdvordering bij verzoekschrift op tegenspraak voor de rechter kan worden gebracht, de met deze hoofdvordering samenhangende vorderingen eveneens in dit verzoekschrift voor de rechter kunnen worden gebracht c.q. bij tussen partijen op tegenspraak genomen conclusie kan worden uitgebreid, ook al diende de samenhangende vordering bij dagvaarding te worden ingesteld.

Dit geldt eveneens voor de vorderingen inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, die krachtens artikel 1385decies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek worden ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, en waarop krachtens het tweede lid van die wetsbepaling Titel Vbis van boek II van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek, met uitzondering van artikel 1034ter, 3°, en artikel 1034quater, van toepassing is (Cass. (1e k.) AR F.09.0068.N, 15 april 2010, Fiscoloog 2010 (weergave CB), afl. 1229, 13, JT 2011, afl. 6419, 10, noot, RABG 2010, afl. 18, 1159, noot M. BAETENS-SPETSCHINSKY, “De vorm van instelling van de met de hoofdvordering samenhangende vordering”, (RABG 2010, afl. 18, 1166-1170).

2.1.2. Appellante heeft bij conclusies neergelegd in eerste aanleg op 28 augustus 2008 haar initiële vordering uitgebreid.

Zij vordert hierbij de veroordeling van geïntimeerde om een schadevergoeding, provisioneel begroot op … EUR, te betalen.

Appellante beschouwt de tweede controle op 13 december 2007, hetzij zes dagen na de indiening van het eerste bezwaarschrift, als een ambtenarenmisbruik, strijdig met regels van loyaliteit en objectiviteit. Zij stelt als gevolg hiervan schade te hebben geleden. die op grond van artikel 1382 B. W. dient te worden vergoed.

Deze vordering tot schadevergoeding is te dezen samenhangend met de hoofdvordering, nu de al dan niet toewijzing ervan nauw afhangt van de beoordeling van de hoofdvordering. De cumulatie van vorderingen is in casu zowel objectief (cumulatie van de vorderingen) als subjectief (cumulatie van procespartijen).

Het bestreden vonnis dient derhalve te worden hervormd in zoverre het de vordering tot schadevergoeding ontoelaatbaar verklaart.

2.2. Omtrent de grond van de zaak

2.2.1. Krachtens artikel 60, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek moeten de boeken, facturen en andere stukken, waarvan dit Wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen het houden, het opmaken of het uitreiken voorschrijven, worden bewaard, door hen die ze hebben gehouden, opgemaakt, uitgereikt of ontvangen.

Deze bepaling maakt geen onderscheid tussen belastingplichtigen en niet-belastingplichtigen. Ook deze laatsten (met inbegrip van de particulieren aan wie desgevallend verplicht een factuur dient te worden uitgereikt) dienen bijgevolg de beoogde stukken gedurende de voorgeschreven termijn te bewaren.

Hetzelfde artikel 60, § 1, tweede lid, bepaalt uitdrukkelijk dat de belastingplichtigen en de niet-belastingplichtige rechtspersonen een zelfde bewaarplicht hebben ten aanzien van de facturen of de als zodanig geldende stukken in verband met de intracommunautaire verwervingen van goederen of met de in het buitenland verrichte aankopen, van de handelsboeken, de boekingsstukken, de contracten, de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en diensten, tot de verzending, tot de afgifte en tot de levering van goederen, van de rekeninguittreksels. van de betalingsstukken, alsmede van de andere boeken en stukken met betrekking tot hun uitgeoefende werkzaamheid. Hier worden dus andere boeken en stukken bedoeld dan deze welke specifiek door de BTW­wetgeving en -reglementering zijn voorgeschreven.

Eenieder is gehouden de boeken, facturen en andere stukken, die hij overeenkomstig artikel 60, van het Wetboek moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan (artikel 61, § 1, eerste lid, W.BTW).

Uit de samenhang van voormelde wetsbepalingen volgt dat indien een afspraken-/reservatieboek wordt gehouden door een restaurantuitbater, dit boek overeenkomstig artikel 60, § 1, laatste lid, van het BTW-wetboek dient te worden bewaard en te worden voorgelegd op grond van artikel 61, § 1, van hetzelfde wetboek. Rekening houdend met de voormelde bepalingen van de artikelen 60 en 61 van het BTW-wetboek mogen de ambtenaren van de administratie die de BTW onder haar bevoegdheid heeft, inzage nemen van het reservatieboek van de betrokken belastingplichtige en dit ongeacht of dit boek wordt bijgehouden in agendavorm of op geïnformatiseerde wijze. Deze inzage situeert zich in het kader van het onderzoek van de juiste heffing van de BTW in zijn hoofde.

Appellante was er derhalve wettelijk toe gehouden het door haar bijgehouden reservatieboek op verzoek van de controleambtenaar over te leggen. Vermeldingen van privéaard in het reservatieboek doen geen afbreuk aan deze wettelijke verplichting.

2.2.2. De door de fiscale ambtenaar uitgevoerde controle houdt derhalve geen schending in van enig beginsel van behoorlijk bestuur en werd overeenkomstig de wet uitgevoerd.

Bij gebrek aan bewezen fout in hoofde van de administratie, dient de vordering in schadevergoeding als ongegrond te worden afgewezen.

2.2.3. Krachtens artikel 70, § 4, van het BTW-wetboek wordt een overtreding van artikel 60 tot 63 van het BTW-wetboek bestraft met een geldboete van … EUR tot … EUR per overtreding en wordt het bedrag van deze geldboete bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Het Koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, dat werd genomen ter uitvoering van artikel 70, § 4, eerste lid, van het Wetboek, bepaalt dat een overtreding van de verplichting opgelegd krachtens artikel 61 van het BTW-wetboek wordt bestraft met een geldboete van … EUR per overtreding.

Overeenkomstig de administratieve richtlijnen werd de geldboete, die op grond van het voormeld Koninklijk besluit nr. 44, Afd. 1, rubriek XVI … EUR bedraagt, al verminderd tot … EUR.

Deze boete werd derhalve overeenkomstig de wet opgelegd en is proportioneel met de ernst van de vastgestelde overtredingen. Er bestaat dan ook geen aanleiding tot kwijtschelding resp. vermindering van de opgelegde geldboeten.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet in zoverre het de vordering in schadevergoeding ontoelaatbaar verklaart, en opnieuw recht doende,

Verklaart de vordering in schadevergoeding toelaatbaar doch ongegrond;

Bevestigt al de overige beschikkingen van het betreden vonnis;

Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZES SEPTEMBER TWEEDUIZENDENELF,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

S. B. en M. G. Raadsheren;

A. V. L., Griffier.

A. V. L. M. G. S. B. D. W.

Textes cités

4
CTVA art. 606 occurrences
CTVA art. 614 occurrences
CTVA art. 702 occurrences
CTVA art. 631 occurrence

Décisions similaires

8