Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen du 15.05.2003
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :
Inzake : 2002/AR/1133
wonende te …, …
APPELLANT
tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 24 april 2002,
vertegenwoordigd Mr. B. C., advocaat te …, ….
TEGEN :
De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de rekenplichtige-ontvanger van het derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;
GEINTIMEERDE
vertegenwoordigd door Mr. J. P. loco Mr. M. V. H., advocaat te …, …;
1. De antecedenten en de vorderingen
Het voorwerp van het door appellant bij gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 14.3.1997 tegen het door de ontvanger van het derde BTW-kantoor Antwerpen op 19.2.1997 uitgevaardigd dwangbevel en de daaraan ten grondslag liggende feiten werden uiteengezet in het vonnis d.d. 18.5.1999 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (waardoor de zaak naar de rol werd verzonden “in afwachting van de definitieve uitspraak in de strafzaak") en in het eindvonnis d.d. 24.4.2002 , dat het verzet ongegrond verklaarde, en dit hof verwijst daar naar.
Appellant. die bij een ter griffie van dit hof op 7.5.2002 neergelegd verzoekschrift hoger beroep instelde, besluit tot de gegrondheid van het verzet, terwijl geïntimeerde tot de ongegrondheid van het hoger beroep besluit.
2. Beoordeling
Het litigieus dwangbevel is gebaseerd op een door de heer D. M., hoofdcontroleur bij de BTW-administratie, op 4.11.1996 opgesteld proces-verbaal, dat in hoofdzaak vermeldt “Uit de over de periode 1.1.1992 tot 31 december 1995 voorgelegde boekhouding van bvba A.-V., groothandelaarster in voedingswaren, heb ik vastgesteld dat heel wat verkoopfacturen werden opgesteld op naam van …, met als hoofdactiviteit bezoldigd vertegenwoordiger van bvba A.-V. voormeld…. Uit bijgevoegde lijst heb ik vastgesteld dat de in de gecontroleerde periode goederen heeft aangekocht voor een totaal bedrag van … BEF plus BTW. Gezien deze grote hoeveelheid goederen niet voor persoonlijk gebruik konden worden aangewend, werd …. uitgenodigd op mijn kantoor op 8 maart 1996 om alle nuttige inlichtingen te verschaffen omtrent zijn aankopen bij bvba A.-V.. … heeft geantwoord hetgeen volgt : ik ben in dienst bij bvba A.-V. als vertegenwoordiger sinds 2 november 1962. U legt mij een lijst voor van facturen die de firma op mijn naam heeft gezet. Ik heb kennis van deze facturen, het betreffen goederen die bestemd zijn voor privé-gebruik, voor familie en vrienden. … heeft geweigerd deze verklaring te ondertekenen ... , bleef bij zijn vorige verklaring, alhoewel hij zijn beweringen niet kon staven met geschriften en hij geen namen van vrienden of kennissen kon meedelen ... Gezien de grote hoeveelheden goederen die werden aangekocht (onafgebroken gedurende 4 jaar ongeveer … BEF gemiddeld per maand) zijn privé-gebruik of gratis toebedeling aan familie en vrienden totaal niet aan te nemen. Gezien de aankoop van de grote hoeveelheden goederen niet betwist maar ook geen enkele aanneembare uitleg kan verstrekken omtrent het verbruik en/of de bestemming ervan, kan enkel aangenomen worden dat hij deze goederen heeft doorverkocht in de omstandigheden zoals voorzien in artikel 4 van het BTW-wetboek.” Op deze basis werd van … BEF BTW gevorderd, vermeerderd met wettelijke rente en een boete van 200 % van de verschuldigde belasting.
Het staat vast dat … in het kader van het strafrechtelijk onderzoek verklaard heeft dat de litigieuze goederen die op zijn naam gefactureerd werden, niet aan hem doch aan verschillende klanten van bvba A.-V. “in het zwart” geleverd werden, klanten die hij echter niet meer kon “identificeren of individualiseren”.
Het staat tevens vast dat de advocaat van … vóór het dwangbevel d.d. 19.2.1997 deze gewijzigde verklaring van … aan de bevoegde belastingadministratie heeft meegedeeld, nu de B.B.I. directie Gent bij brief d.d. 12.2.1997 aan deze advocaat o.m. meedeelde : “Nu zou … aan de gerechtelijke politie verklaard hebben dat deze goederen eigenlijk geleverd werden aan diverse klanten van bvba A.-V.. Deze laatste versie komt uiteraard veel aannemelijker voor dan de eerste maar neemt niet weg dat … zou gezegd hebben dat hij zich niet meer herinnert welke goederen aan welke klant zouden geleverd zijn. Dit laatste gegeven lijkt mij zeer onwaarschijnlijk”.
In een vonnis d.d. 19.2.2001 werd schuldig … verklaard aan fiscale valsheid in geschriften, meer bepaald door “… een ongekend aantal valse facturen op naam van bvba A.-V. te hebben laten opstellen op naam van …, de valsheid erin bestaande dat de naam van de afnemer en diens adres valselijk werden vermeld.
In dit vonnis werd ook overwogen : "Er werd een fraudemechanisme uitgewerkt, waarbij door bepaalde klanten-handelaars gedane aankopen, hetzij gefactureerd werden op naam van een niet BTW-plichtige particulier, wiens naam al dan niet werd opgegeven door de klant, hetzij op naam van de derde tot en met de zevende beklaagde (… was de derde beklaagde), die evenmin BTW-plichtig zijn. Op die manier werd BTW ontdoken en werden de werkelijke afnemers in de mogelijkheid gesteld goederen In het zwart te verkopen. Naar aanleiding van een onderzoek van de B.B.I. kwam de fraude aan het licht. Het fiscaal dossier werd afgesloten met een door de vennootschap aanvaarde en op 17 juni 1996 betaalde fiscale boete van … BEF”.
In het proces-verbaal d.d. 4.11.1996 waarop het dwangbevel dd. 19.2.1977 gesteund is, is geen sprake van het feit dat appellant … bij de litigieuze verkopen als commissionair in de zin van artikel 13 § 2 BTW-wetboek zou zijn opgetreden, doch enkel van het feit dat hij de litigieuze goederen heeft “doorverkocht in de omstandigheden zoals voorzien in artikel 4 van het BTW-wetboek, waarvan de tekst vanaf 1.1.1993 luidt als volgt : “Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.".
Geïntimeerde kon zich dan ook in het kader van het verzet tegen dit dwangbevel niet voor de eerste maal beroepen op de omstandigheid dat appellant … bij deze verkopen zou gehandeld hebben als commissionair in de zin van artikel 13 § 2 BTW-wetboek, daar zulks een feitelijk en juridisch nieuwe grondslag van belasting is die niet vermeld werd in het litigieus dwangbevel en waarvan de inroeping door geïntimeerde in het kader van het verzet dan ook strijdig is met de materiële en formele motiveringsplicht die geïntimeerde bij het uitvaardigen van dit dwangbevel in toepassing van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen diende na te leven.
Bovendien blijkt uit de hoger aangehaalde strafrechtelijke veroordeling van appellant … dat hij bij deze verkopen niet als (verkoop)commissionair in de zin van artikel 13 § 2 BTW-wetboek is opgetreden.
De hoger vermelde feiten bewijzen dat appellant … bij deze verkopen steeds als handelsvertegenwoordiger in dienstverband van bvba A.-V. heeft gehandeld en daarbij ten onrechte toeliet dat bvba A.-V. valselijk goederen, bestemd voor leveringen “in het zwart" aan klanten (detailkruideniers), op naam van haar handelsvertegenwoordigers (waaronder appellant) factureerde. Door deze onterechte houding van appellant …, die strafrechtelijk gesanctioneerd werd, is … echter nog geen BTW-belastingplichtige geworden, nu hij niet zelfstandig deze goederen geleverd heeft aan de klanten van bvba A.-V. en hij als tussenpersoon bij de verkoop ook geen op zijn naam gestelde factuur, debetnota of een ander daarmee gelijkstaand heeft uitgereikt aan de kopers van deze goederen.
Het is dan ook niet bewezen dat appellant … voor de litigieuze handelingen (de verkoop als tussenpersoon in dienstverband van de ten onrechte door bvba A.-V. op zijn naam gefactureerde goederen) BTW-belastingplichtige was.
Om voormelde redenen heeft geïntimeerde uit hoofde van deze verkopen op grond van de in het dwangbevel vermelde motieven ten onrechte van appellant … betaling van BTW, intresten en boete gevorderd, zodat het verzet gegrond is.
Geïntimeerde dient, gelet op zijn ongelijk, de kosten van beide aanleggen te betalen.
Dispositif
OM DIE REDENEN :
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep gegrond;
Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw recht doende;
Verklaart het door appellant tegen het dwangbevel d.d. 19.2.1997 ingesteld verzet gegrond en zegt voor recht dat appellant uit dien hoofde niets verschuldigd is aan geïntimeerde;
Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, in hoofde van appellant begroot als volgt … EUR (dagvaarding) + … EUR (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) + … (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van vijftien mei tweeduizend en drie
waar aanwezig waren :
de heer E. H. Voorzitter
mevrouw A W. Raadsheer
de heer E. L. Raadsheer
mevrouw G. V. Griffier
G. V. E. L.
A.W. E. H.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.