Champ d'application, livraison de biens, exportation, importation, exonération · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 18 novembre 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, livraison de biens, exportation, importation, exonérationTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-livraison-biens-exportation-tribunal-hasselt-2010-11-18-52cb

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
18 novembre 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

79 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 18.11.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Burgerlijke Rechtbank van Eerste aanleg, zitting houdende te Hasselt, Elfde Kamer B, heeft het volgende vonnis uitgesproken :

INZAKE A.R. nr. 09/1843/A :

G. K., handeldrijvende onder de benaming "H. M.", wonende te …, …, en met BTW-nummer ….

Eiser, vertegenwoordigd door mr. T. loco mr. C. W., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 46 en de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW­ controlekantoor Beringen, met kantoren te 3580 Beringen, Harmoniestraat 9.

Verweerder, vertegenwoordigd door mr. D. D. loco mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 16.07.2009;

- de besluiten, synthesebesluiten, tweede synthesebesluiten en stukken van verweerder;

- de conclusies, syntheseconclusies en stukken van eiser.


I. FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiser is geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer BE …) met als economische activiteit van groothandelaar in tweedehands autovoertuigen zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Na voorafgaande verwittiging heeft G. V., adjunct-fiscaal deskundige bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen op 22.05.2007 en 07.01.2008 een controle ter plaatse doorgevoerd teneinde de toepassing van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten na te gaan met betrekking tot de periode vanaf 01.01.2005 tot en met 31.12.2005.

De controle behelsde onder meer uitgaande handelingen van eiser, meer bepaald de verkoop van een voertuig Mercedes Vito aan Auto handel B&L gevestigd te Srem in Polen. Eiser paste op deze verkoop de vrijstelling van de Belgische BTW wegens intracommunautaire leveringen toe (art. 39 bis W.BTW).

Bij de controle stelde de administratie dat de voorwaarden tot het bekomen van voornoemde vrijstelling niet waren voldaan, en meer bepaald de vereisten van artikel 1 en 3 van het KB nr. 52 van 29.12.1992. De controleambtenaar stelde dat er geen bewijs werd geleverd van de echtheid van het vervoer of van de verzending van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap, met name Polen.

Deze vaststellingen leidden tot een proces-verbaal van 12.11.2008 waarin gesteld werd dat eiser de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

- … euro aan BTW;

- … euro geldboete in toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW verminderd en afgerond overeenkomstig art. 1 van KB nr. 41 van 30.01.1987 (tabel G, eerste afdeling, VII);

- wettelijke intresten overeenkomstig artikel 91, § 1 van het W.BTW aan 0,8 % per maand vanaf 21.01.2006 over de som van … euro (zie stuk 1, bundel verweerder).

Lastens eiser werd op 15.12.2008 een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 12.11.2008. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 18.12.2008 (zie stuk 2, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van artikel 91, § 4 W.BTW alsmede de vervolgingskosten.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 16.07.2009, werd door eiser bij deze rechtbank verzet aangetekend tegen het dwangbevel van 15.12.2008.

II. BEOORDELING

1. Ontvankeliikheid :

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde :

2.1. Artikel 39bis W.BTW en KB nr. 52 van 29.12.1992

In toepassing van artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW draagt eiser de bewijslast dat hij de voorwaarden vervulde om de geleverde goederen aan een afnemer gevestigd in Polen, te factureren met vrijstelling van Belgische BTW in het kader van intracommunautaire leveringen.

Artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW stelt immers dat van de belasting zijn vrijgesteld :

"de leveringen van goederen door de verkoper andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56 § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, (...) "

Art. 39bis, tweede lid W.BTW heeft aan de Koning opgelegd de beperkingen en voorwaarden te bepalen die voor de toepassing van deze vrijstelling moeten worden nageleefd, hetgeen Hij deed bij KB nr. 52 van 29.12.1992.

Overeenkomstig voornoemd KB nr. 52 is de vrijstelling van art. 39bis, eerste lid, 1° W.BTW afhankelijk van de volgende voorwaarden :

- de goederen moeten geleverd worden door de verkoper;

- het bewijs dient geleverd te worden dat de goederen verzonden of vervoerd zijn, buiten België maar binnen de Gemeenschap (artikel 1), en de verkoper, in casu eiser, moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; die stukken zijn ondermeer de contracten, de bestelbons, de vervoersdocumenten en de betalingsstukken (artikel 3);

- het bewijs cliënt geleverd te worden dat de levering is geschied voor een .belastingplichtige of voor een niet belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat (artikel 2).

Eiser, die zich beroept op de vrijstelling, dient een dubbel bewijs te leveren, enerzijds dat de goederen die het voorwerp vormen van de beweerde intracommunautaire levering (ingevolge verkoop), het Belgische grondgebied hebben verlaten en aangekomen zijn op het grondgebied van een andere lidstaat, en anderzijds dat de levering is geschied voor een belastingplichtige die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat.

Verweerder werpt in besluiten niets op aangaande het tweede deel van het bewijs met name dat de levering is geschied voor en belastingplichtige die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere lidstaat.

Verweerder betwist wel dat aan de eerste bewijsvoorwaarde is voldaan, met name dat is aangetoond dat de goederen werkelijk door de afnemer of voor zijn rekening vanuit België zijn verzonden of vervoerd naar Polen.

Krachtens artikel 3 van het KB nr. 52 van 29.12.1992 is de bewijsvoering vrij, in die zin dat alle nuttige documenten "waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer blijkt" voor de invulling van de bewijslast in aanmerking komen.

De BTW-administratie moet zich door middel van een sluitend geheel van bewijselementen kunnen vergewissen van het feit dat de goederen werkelijk het grondgebied hebben verlaten en zijn aangekomen in een andere lidstaat.

Van een schending door art. 39 bis W.BTW en door KB nr. 52 van art. 28quater A a) van de Zesde BTW-richtlijn kan geen sprake zijn, nu deze supranationale regel België als Lidstaat precies toelaat om de voorwaarden vast te stellen teneinde een juiste en eenvoudige toepassing te verzekeren van de vrijstellingen inzake intracommunautaire leveringen.

Men kan geenszins stellen dat de vereisten die krachtens art. 39 bis W.BTW zijn uitgewerkt in KB nr. 52 te strikt zouden zijn, zeker niet in verhouding tot het belang van de vrijstelling. De voorwaarden die worden opgelegd zijn essentiële controlevereisten zonder dewelke de vrijstellingsregel dode letter zou worden. De wijze waarop het gevraagde bewijs beoordeeld wordt, valt onder de toepassing van de regelgeving, doch houdt niet in dat de regelgeving op zich strijdig is met de richtlijn.

De naar Belgische wetgeving verlangde bewijsinvulling is niet onmogelijk.

In het proces-verbaal van 12.11.2008 staat te lezen dat de controleambtenaar vaststelde dat buiten de verkoopfactuur gericht aan de Poolse firma en een fotokopie van het paspoort van de Poolse koper, geen andere stukken konden worden voorgelegd die de echtheid van verzending of vervoer ernstig doen geloven zoals daar zijn contracten, bestelbons, vervoersdocumenten en betalingsstukken. Eiser verklaarde dat het voertuig op de maatschappelijke zetel werd afgehaald door een persoon genaamd M. L. K. C. en dat de verschuldigde som hem contant zou zijn betaald.

Uit onderzoek door de Poolse administratie, uitgevoerd in het kader van de Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad van 07.10.2003 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van BTW, blijkt dat de heer L. K. C., ontkende dat hij de goederen en de factuur heeft ontvangen.

De rechtbank stelt vast dat eiser thans de volgende documenten voorlegt waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen zou dienen te blijken :

- factuur V2005-l 1-05 van 05.11.2005;

- schrijven van eiser aan verweerder;

- schrijven van verweerder aan eiser;

- bevestiging rechtsgeldigheid BTW-nummer Europese webstek;

- identiteitsgegevens Poolse klant en documenten i.v.m. Pools BTW-nummer;

- attest D.I.V.;

- consultatie Europese webstek BTW-nummers.

De rechtbank is van oordeel dat de overlegde stukken geenszins kunnen beschouwd worden als een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken die aantonen dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap.

Het attest van de Dienst Inverkeerstelling (DIV) waaruit blijkt dat het kwestieuze voertuig tot 05.12.2005 is ingeschreven onder de Belgische nummerplaat …, bewijst niet dat eiser een intracommunautaire levering heeft verricht. De loutere vaststelling dat het voertuig op 05.12.2005 niet meer in België ingeschreven is, levert immers niet het bewijs dat het voertuig door eiser, door de koper of voor hun rekening naar een land buiten België maar binnen de gemeenschap werd vervoerd, in casu Polen.

Eiser faalt in de aan hem opgelegde bewijslast.

Derhalve moet worden vastgesteld dat de door eiser verrichte leveringen, leveringen op het grondgebied van België zijn, zodat verweerder terecht krachtens art. 15, § 2 W.BTW daarover de BTW heeft gevorderd en de door eiser ingeroepen vrijstelling heeft verworpen.·

De vordering van eiser is derhalve ongegrond.

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt de wettigheid van de in het dwangbevel gestelde fiscale vordering betwist.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Dispositif

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak :

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, begroot aan de zijde van verweerder op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde Kamer B, op het gerechtshof te Hasselt op 18.11.2010, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enig rechter, en

De Heer L. P., griffier.

L. P. M. C.

Textes cités

4

Décisions similaires

8