Autre exemption, exonération, régime particulier, petite entreprise, disposition pénale · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 28 novembre 2007

Rechercher
Texte en néerlandais

Autre exemption, exonération, régime particulier, petite entreprise, disposition pénaleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/autre-exemption-exoneration-regime-particulier-tribunal-hasselt-2007-11-28-9a0f

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
28 novembre 2007

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

224 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 28.11.2007

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE A.R. nr. 03/988/A :

M. P., autohandelaar, wonende te …, …, als BTW-belastingsplichtige geregistreerd onder het nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Tongeren onder het nummer ….

Eiser, vertegenwoordigd door mr. B. J. loco mr. V. H., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit. in de persoon van de Rekenplichtige van het 2de BTW-Ontvangkantoor van Hasselt, waarvan de burelen thans gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20.

Verweerder, vertegenwoordigd door mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het exploot van gerechtsdeurwaarder L. R. te … van 24.04.2003 waarbij verzet werd aangetekend tegen het dwangbevel van 12.12.2002 lastens eiser uitgevaardigd door de heer D. S., wn. eerstaanwezend inspecteur van het tweede ontvangkantoor van de BTW te Hasselt, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 16.12.2002 door de heer E. V. D. P., gewestelijk directeur a.i. van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, en betekend aan eiser op 23.12.2002;

- de conclusies, aanvullende conclusies en stukken van eiser;

- de conclusies, aanvullende conclusies en stukken van verweerder.


I. FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiser is ingevolge de door hem uitgeoefende activiteit van handelaar in tweedehandse auto's en motorfietsen en het herstellen van deze voertuigen geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder BTW-nummer … en is derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

Op 19.12.2000 heeft L. H., eerstaanwezend inspecteur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de A.O.I.F., controlecentrum Tongeren-Genk, zich na voorafgaande verwittiging aangemeld bij eiser en heeft hij eiser aan een BTW-controle onderworpen voor de jaren 1998 en 1999.

Deze controle werd op 17.01.2001, 08.02.2001, 16.11.2001 en 02.10.2002 verder gezet op het kantoor van de gevolmachtigde boekhouder van eiser, de heer P. C..

Bij nazicht van de inkomende en uitgaande facturen, facturenboeken, dagboeken van ontvangsten, inventarisboeken alsmede van de comptabiliteitsboeken en bescheiden en in het bijzonder van alle boeken en stukken met betrekking tot de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge van eiser, stelde de controleambtenaar vast dat er door eiser inbreuken zouden gepleegd zijn op art. 58, § 4 W.BTW met betrekking tot de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor tweedehandse vervoermiddelen.

Eiser zou een aantal tweedehandse personenwagens en moto's verkocht hebben met toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, niettegenstaande niet alle voorwaarden tot toepassing van deze regeling met betrekking tot de herkomst van de goederen nageleefd werden.

Verder werd gesteld dat er inbreuken zouden zijn gepleegd op de aftrekregeling wegens het niet in het bezit zijn van regelmatige aankoopfacturen. Ten onrechte werd de BTW in aftrek gebracht van de aankoopfacturen met nrs. 21/1998 en 22/1998 omdat deze facturen geen BTW-nummer van de leverancier bevatten.

Deze vaststellingen leidden tot een proces-verbaal van 04.12.2002 waarin gesteld werd dat eiser de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

- … aan BTW;

- … euro aan geldboete in toepassing van art. 70, § 1 en § 1bis W.BTW en verminderd en afgerond overeenkomstig het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de BTW, tabel G, eerste afdeling, rubriek V;

- wettelijke intresten overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW aan 0,8 % per maand vanaf 21.01.2000 over de som van … euro

(zie stuk 1, bundel verweerder).

Op 12.12.2002 werd er tegen eiser een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 04.12.2002. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 16.12.2002 (zie stuk 2, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werden de voormelde bedragen gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW alsmede de vervolgingskosten.

Bij exploot van betekening-bevel van gerechtsdeurwaarder L. H. te … van 23.12.2002 werd het proces-verbaal van 04.12.2002 en het dwangbevel van 12.12.2002 betekend aan eiser (zie stuk 3, bundel verweerder).

Bij exploot van gerechtsdeurwaarder L. R. te … van 24.04.2003 werd door eiser bij deze rechtbank verzet aangetekend tegen het dwangbevel van 12.12.2002.

II. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

2.1. Met betrekking tot de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge :

De betwisting tussen partijen betreft de vraag of eiser terecht krachtens art. 58, § 4 W.BTW toepassing heeft gemaakt bij de verkoop van een 8-tal wagens en moto's in het boekjaar 1998 en van een 3-tal wagens en moto's in 1999 van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge gerealiseerd door hem als belastingplichtige wederverkoper op de door hem verrichte verkopen van tweedehandse voertuigen.

Krachtens deze bepaling is een bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge gerealiseerd door de belastingplichtige wederverkopers van toepassing op de door hen verrichte leveringen van tweedehandse voertuigen.

De toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge is aan een aantal voorwaarden onderworpen die betrekking hebben op :

- de aard van de goederen;

- de hoedanigheid van de verkoper;

- de hoedanigheid van de vorige eigenaar.

Enkel gebruikte goederen komen in aanmerking voor deze regeling, zoals in casu tweedehandse personenauto's en moto's.

Tussen partijen bestaat er geen betwisting over de hoedanigheid van eiser ten aanzien van deze regeling, dit wil zeggen, over het feit dat eiser een belastingplichtige wederverkoper is die in beginsel op deze regeling een beroep kan doen (zie art. 58, § 4, 1° W.BTW).

De bijzondere regeling kan enkel worden toegepast indien de door de belastingplichtige geleverde goederen, noodzakelijkerwijze zijnde gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten hem binnen de Europese Gemeenschap ,zijn geleverd :

- door een niet-belastingplichtige, of;

- door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige krachtens art. 44, § 2, 13° W.BTW is vrijgesteld, of;

- door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige is vrijgesteld krachtens art. 56, § 2 W.BTW en het een bedrijfsmiddel betreft, of;

- door een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge onderworpen is geweest aan de belasting.

De bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge is niet van toepassing op de door een belastingplichtige wederverkoper verrichte leveringen van goederen die hem binnen de Gemeenschap zijn geleverd door personen die bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van goederen, de vrijstelling van belasting hebben genoten krachtens art. 42 W.BTW of die hebben genoten van de teruggaaf van de belasting krachtens art. 77, § 2 W.BTW.

Krachtens art. 54, § 4, 12° W.BTW worden de leveringen van de goederen waarop de belastingheffing krachtens de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge in beginsel van toepassing is, voor dewelke de voorwaarden en de modaliteiten die voor de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge zijn, niet nageleefd worden, geacht te zijn verricht onder de normale regeling van de belasting. Wanneer de voorwaarden derhalve niet nageleefd zijn, geldt een weerlegbaar wettelijk vermoeden van belastingheffing over die leveringen onder de gewone, normale regeling der BTW.

De bewijslast van het vervuld zijn van de voorwaarden waaronder de margeregeling kan worden toegepast rust op de belastingplichtige, hetgeen wordt bevestigd door het bestaan van het weerlegbaar wettelijk vermoeden zoals voorzien in art. 58, § 4, 12° W.BTW.

De bijzondere voorwaarden waaronder de bijzondere regeling van BTW-heffing op de winstmarge van toepassing kan zijn, zijn opgenomen in het KB BTW nr. 53 van 25 december 1992 met betrekking tot de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten (B.S., 30 december 1994).

Zo moet de belastingplichtige die tegelijk goederen levert onder de normale regeling van belastingheffing en onder de margeregeling, de boekingen betreffende de margeregeling afzonderlijk in zijn boekhouding bijhouden.

In de BTW-Aanschrijving nr. 2 van 2 januari 1995 heeft de BTW-administratie een aantal voorwaarden opgenomen die de belastingplichtige toelaat het bewijs te leveren dat hij rechtsgeldig toepassing heeft gemaakt van de belastingheffing op de winstmarge op zijn levering van gebruikte goederen, in het bijzonder tweedehandse vervoersmiddelen, zoals eiser verhandelt.

Krachtens deze aanschrijving dient de belastingplichtige wederverkoper in het bezit te zijn van een factuur uitgereikt door zijn leverancier wederverkoper, zonder vermelding van de belasting maar voorzien van een formulering waaruit blijkt dat de winstmargeregeling werd toegepast.

Verder schrijft deze aanschrijving voor dat de belastingplichtige wederverkoper van zijn leverancier een origineel attest moet krijgen op het ogenblik van de levering en uitgaande van de oorspronkelijke verkoper - vorige gebruiker en waarvan het model door de BTW-administratie is vastgelegd. In dit attest moet de verkoper - vorige gebruiker van het voertuig bevestigen dat hij geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft kunnen uitoefenen bij de aankoop, intracommunautaire verwerving of invoer van het vervoermiddel.

Verder moet hij een kopie van het inschrijvingsbewijs van het vervoermiddel bewaren in de gevallen waar overeenkomstig de reglementering betreffende de inschrijving van de motorvoertuigen een inschrijvingsbewijs vereist is.

Hij moet tevens een aankoopregister bijhouden met de aankopen van de tweedehandse vervoermiddelen, evenals een vergelijkingsregister. Hij moet de tweedehandse vervoermiddelen die hij verkoopt, individualiseren.

De belastingplichtige wederverkoper moet zowel het attest als het inschrijvingsbewijs van het voertuig bewaren.

Indien de belastingplichtige deze stukken niet kan voorleggen, kan hij door alle middelen van recht aantonen dat hij ertoe gerechtigd was de levering te verrichten met toepassing van de belastingheffing over de winstmarge. In ieder geval rust dan op hem de bewijslast dat de wettelijke voorwaarden tot toepassing voldaan zijn (zie art. 58, § 4, 12° W.BTW). Slaagt hij daar niet in, dan wordt de levering geacht plaats te vinden onder de normale regeling van heffing van de BTW.

In deze zaak houdt verweerder voor dat eiser niet op afdoende wijze bewijst dat hij voor de verkopen van tweedehandse vervoermiddelen in 1998 en 1999 terecht een toepassing heeft gemaakt van de BTW-belastingheffing over de winstmarge voor die verkopen. Het gaat om de verkopen opgenomen in het proces-verbaal van 04.12.2002, lastens eiser opgesteld.

(zie stuk 1, bundel verweerder).

Voor al de verkopen opgenomen in het proces-verbaal van 04.12.2002 zal op basis van nazicht van de overlegde stukken dienen nagegaan te worden of eiser bewijst dat de wettelijke voorwaarden tot toepassing van de margeregeling voldaan zijn (zie art. 58, § 4, 12° W.BTW).

- M.b.t. de factuur nr. 5 van 02.02.1998 :

De wagen die is vermeld in de factuur, opgesteld door eiser met nr. 5 van 02.02.1998, werd door eiser aangekocht van een belastingplichtige wederverkoper Auto's F. S. te … (Nederland).

Voor deze aankoop van een tweedehands wagen bij Auto' s F. S. brengt eiser de volgende stukken bij :

- een kopie van de aankoopfactuur van 27.01.1998 van leverancier Auto's F. S. van … (Nederland);

- een document opgesteld op 27.01.1998 waarbij de leverancier Auto's F. S. van … (Nederland) verklaart de auto zonder aftrek van voorbelasting te hebben verkregen;

- een kopie van een attest van 22.12.1997 waarin C. A. verklaart ''PRIVAT PERSON BEIM KAUF AUSWEIS DER MEHRWERTSTEUR NICHT MOGELICH";

- een kopie van een Duits inschrijvingsbewijs van het voertuig op naam van C. A. met datum 05.12.1995.

(zie stuk 7, bundel eiser).

Terecht houdt de administratie voor dat deze stukken niet volstaan om het bewijs van aankoop van de door eiser geleverde tweedehandse voertuigen overeenkomstig art. 58, § 4, 2° W.BTW te leveren onder de voorwaarden gesteld in de Aanschrijving nr. 2.

De factuur van Auto' s F. S. maakt geen melding van de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge. Er wordt geen bewijs bijgebracht van het BTW-regime waaronder de leverancier van eiser het aan eiser verkochte voertuig in zijn voorraad heeft opgenomen.

Verder ligt geen bewijs voor dat de respectievelijke rechtsvoorgangers van de belastingplichtige wederverkoper, particulieren waren die het voertuig niet beroepsmatig gebruikten en die geen belasting over de aankoop ervan in aftrek hebben gebracht.

Derhalve treedt voor deze verkoop het weerlegbaar vermoeden van art. 54. § 4, 12° W.BTW in werking dat stelt dat in principe de wederverkoop had dienen te geschieden onder toepassing van de normale BTW-regeling.

Zodoende had eiser de tweedehandse auto dienen te leveren onder het normaal regime van de BTW, met belastingheffing over de prijs van het vervoermiddel.

- M.b.t. de factuur nr. 21 van 02.04.1998 :

De moto die is vermeld in de factuur, opgesteld door eiser met nr. 21 van 02.04.1998, werd door eiser aangekocht van B. B. te … (Duitsland).

Voor deze aankoop van een tweedehands moto bij B. B. brengt eiser de volgende stukken bij :

- een kopie van een aankoopovereenkomst van 21.01.1998;

- een kopie van een verklaring van B. B. waarin gesteld wordt dat hij het voertuig heeft aangekocht van een particulier persoon volgens de in Duitsland geldende wetgeving van § 25a en dat er bij de aankoop geen BTW in aftrek werd gebracht;

- een kopie van een deel van een Duits inschrijvingsbewijs, zonder vermelding op wiens naam het verkochte vervoermiddel is ingeschreven;

- een kopie van een douanedocument "kennisgeving van de intracommunautaire verwerving van een vervoermiddel waarvan aangifte op grond van art. 53, 3° of 53ter van het BTW-Wetboek".

(zie stuk 8, bundel eiser).

Terecht houdt de administratie voor dat deze stukken niet volstaan om het bewijs van aankoop van de door eiser geleverde tweedehandse voertuigen overeenkomstig art. 58, § 4, 2° W.BTW te leveren onder de voorwaarden gesteld in de Aanschrijving nr. 2.

Uit de overlegde stukken blijkt niet de hoedanigheid van de leverancier van het voertuig, nl. belastingplichtige wederverkoper of particulier. Evenmin blijkt duidelijk of er bij de aankoop van het voertuig geen recht op vrijstelling van BTW in zijnen hoofde is geweest.

De overlegde kopie van een deel van het Duitse inschrijvingsbewijs vermeld niet op wiens naam het voertuig was ingeschreven.

Derhalve treedt voor deze verkoop het weerlegbaar vermoeden van art. 54, § 4, 12° W.BTW in werking dat stelt dat in principe de wederverkoop had dienen te geschieden onder toepassing van de normale BTW-regeling.

Zodoende had eiser de tweedehandse moto dienen te leveren onder het normaal regime van de BTW, met belastingheffing over de prijs van het vervoermiddel.

- M.b.t. de factuur nr. 34 van 04.05.1998 :

De wagen die is vermeld in de factuur, opgesteld door eiser met nr. 34 van 04.05.1998, werd door eiser aangekocht van Z. P. te … (Duitsland).

Voor deze aankoop van een tweedehands personenwagen van Z. F. brengt eiser de volgende stukken bij :

- een kopie van een aankoopovereenkomst van 01.05.1998;

- een kopie van een ongedateerde verklaring van Z. "F." waarin gesteld wordt dat hij (of zij) het voertuig heeft aangekocht van een particulier persoon volgens de in Duitsland geldende wetgeving van § 25a en dat er bij de aankoop geen BTW in aftrek werd gebracht;

- een kopie van een Duits inschrijvingsbewijs van het voertuig;

(zie stuk 9, bundel eiser).

Terecht houdt de administratie voor dat deze stukken niet volstaan om het bewijs van aankoop van de door eiser geleverde tweedehandse voertuigen overeenkomstig art. 58, § 4, 2° W.BTW te leveren onder de voorwaarden gesteld in de Aanschrijving nr. 2.

Uit de overlegde stukken blijkt niet de hoedanigheid van de leverancier van het voertuig, nl. belastingplichtige wederverkoper of particulier. Evenmin blijkt duidelijk of er bij de aankoop van het voertuig geen recht op vrijstelling van BTW in zijnen hoofde is geweest.

Tevens dient vastgesteld dat de naam van de leverancier anders geschreven is op de ongedateerde verklaring waarin gesteld wordt dat Z. "F." het voertuig heeft aangekocht van een particulier persoon volgens de in Duitsland geldende wetgeving van § 25a en dat er bij de aankoop geen BTW in aftrek werd gebracht.

Derhalve treedt voor deze verkoop het weerlegbaar vermoeden van art. 54, § 4, 12° W.BTW in werking dat stelt dat in principe de wederverkoop had dienen te geschieden onder toepassing van de normale BTW-regeling.

Zodoende had eiser de tweedehandse auto dienen te leveren onder het normaal regime van de BTW, met belastingheffing over de prijs van het vervoermiddel.

- M.b.t. de factuur nr. 45 van 19.06.1998 :

De wagen die is vermeld in de factuur, opgesteld door eiser met nr. 45 van 19.06.1998, werd door eiser aangekocht van L. M. te Opglabbeek.

Voor deze aankoop van een tweedehands personenwagen Peugeot van L. M. brengt eiser de volgende stukken bij :

- een kopie van de aankoopovereenkomst van 19.06.1998;

- een kopie van een ongedateerd attest waarbij L. M. verklaart dat hij particulier is en dat hij geen recht op aftrek of teruggave van de BTW geheven bij de aankoop, bij de intracommunautaire verwerving of bij de invoer van het vervoermiddel heeft kunnen uitoefenen, noch recht heeft gehad op een vrijstelling van de BTW;

- een kopie van de bijzondere voorwaarden van een verzekeringspolis … afgesloten door L. M. bij G. Z. Verzekeringen;

(zie stuk 10, bundel eiser).

Verweerder is van oordeel dat de voorgelegde stukken een zekere coherentie inzake bewijskracht vertonen en laat de beslissing of de margeregeling bij deze transactie door eiser terecht werd toegepast over aan de wijsheid van de rechtbank.

Gezien de overlegde stukken, werd de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge correct toegepast.

- M.b.t. de factuur nr. 60 van 26.08.1998 :

De wagen die is vermeld in de factuur, opgesteld door eiser met nr. 60 van 26.08.1998, werd door eiser op diezelfde aangekocht bij een belastingplichtige wederverkoper, nl. T. Cars (A. O.) te … met toepassing van de bijzondere margeregeling. Dit blijkt uit de verkoopfactuur nr. 1 van T. Cars van 26.08.1998.

Eiser overlegt tevens de hierna volgende stukken :

- een kopie van een attest van de Federale Politie … waaruit blijkt dat A. O. op 22.10.1998 het slachtoffer is geweest van een brand waarbij allerhande papieren van zijn voertuigen zijn verloren gegaan;

- een krantenartikel i.v.m. de brand van 22.10.1998;

- een kopie van een ongedateerd attest waarbij A. O. verklaart dat hij particulier is en dat hij geen recht op aftrek of teruggave van de BTW geheven bij de aankoop, bij de intracommunautaire verwerving of bij de invoer van het vervoermiddel heeft kunnen uitoefenen, noch recht heeft gehad op een vrijstelling van de BTW;

(zie stuk 11, bundel eiser).

Het voertuig werd aan eiser geleverd door een Belgische BTW-plichtige wederverkoper, zijnde A. O., handeldrijvend onder de benaming T. Cars

Aangezien A. O. handeldrijvend onder de benaming T. Cars op het ogenblik van de levering van het tweedehandse voertuig aan eiser voor BTW-doeleinden geïdentificeerd was als een BTW-belastingplichtige, hetgeen ook door eiser vastgesteld kon worden daar deze leverancier op zijn factuur nr. 1 van 26.08.1998 melding maakt van zijn BTW-nummer, is deze vermelding op het attest dat hij als particulier handelt manifest in strijd met de vermelding op de factuur. Het attest en de factuur bevatten totaal tegenstrijdige gegevens en zijn geenszins in overeenstemming met elkaar te brengen. In tegenstelling tot hetgeen eiser beweert, is om hoger vermelde redenen de aankoopfactuur op zich niet voldoende om te kunnen genieten van dit bijzondere BTW-regime. De BTW-plichtige verkoper handelde niet als particulier en er ligt ook geen bewijs voor dat de respectievelijke rechtsvoorgangers van de BTW-plichtige, particulieren waren die het voertuig niet beroepsmatig gebruikten en die geen belasting over de aankoop ervan in aftrek hebben gebracht.

De brand vond plaats op 22.10.1998, zijnde geruime tijd na de aankoop van het voertuig bij A. O. op 26.08.1998, zodat dit feit niet ter zake dienend is.

Derhalve treedt voor deze verkoop het weerlegbaar vermoeden van art. 54, § 4, 12° W.BTW in werking dat stelt dat in principe de wederverkoop had dienen te geschieden onder toepassing van de normale BTW-regeling.

Zodoende had eiser de tweedehandse auto dienen te leveren onder het normaal regime van de BTW, met belastingheffing over de prijs van het vervoermiddel.

- M.b.t. de factuur nr. 61 van 27.08.1998 :

De wagen die is vermeld in de factuur, opgesteld door eiser met nr. 61 van 27.08.1998, werd door eiser aangekocht bij I. G. te ….

Eiser overlegt de hierna volgende stukken :

- een kopie van een niet-gedateerd en slechts door één partij ondertekende aankoopovereenkomst;

- een kopie van een ongedateerd attest waarbij l. G. verklaart dat hij particulier is en dat hij geen recht op aftrek of teruggave van de BTW geheven bij de aankoop, bij de intracommunautaire verwerving of bij de invoer van het vervoermiddel heeft kunnen uitoefenen, noch recht heeft gehad op een vrijstelling van de BTW;

(zie stuk 12, bundel eiser).

Deze stukken vormen geenszins een bewijskrachtig geheel waarmee eiser aantoont dat hij heeft voldaan aan de voorwaarden om zelf de bijzondere margeregeling te kunnen toepassen bij de verkoop van het desbetreffende vervoermiddel. Hij toont niet aan dat de tweedehands wagen hem werd geleverd door één van de personen opgesomd in art. 58, § 4, 2° W.BTW en dat deze persoon bij toepassing van art. 58, § 4, 3° W.BTW geen recht op vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft genoten bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van het vervoermiddel dat hij heeft verkocht aan eisers.

Derhalve treedt voor deze verkoop het weerlegbaar vermoeden van art. 54, § 4, 12° W.BTW in werking dat stelt dat in principe de wederverkoop had dienen te geschieden onder toepassing van de normale BTW-regeling.

Zodoende had eiser de tweedehandse auto dienen te leveren onder het normaal regime van de BTW met belastingheffing over de prijs van het vervoermiddel.

- M.b.t. de factuur nr. 63 van 02.09.1998 :

De moto die is vermeld in de factuur, opgesteld door eiser met nr. 63 van 02.09.1998, werd door eiser aangekocht bij U. T. te … (Duitsland).

Eiser overlegt de hierna volgende stukken :

- een kopie van een niet-gedateerd attest waarbij U. T. verklaart dat hij geen recht op vrijstelling of teruggaaf van de BTW heeft genoten bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van het vervoermiddel dat hij heeft verkocht aan eiser;

- een kopie van een koopovereenkomst van 01.09.1998 slechts door één partij ondertekend;

- een kopie van een Duits inschrijvingsbewijs op naam van de Duitse particuliere verkoper;

(zie stuk 13, bundel eiser).

Verweerder is van oordeel dat de voorgelegde stukken een zekere coherentie inzake bewijskracht vertonen en laat de beslissing of de margeregeling bij deze transactie door eiser terecht werd toegepast over aan de wijsheid van de rechtbank.

Gezien de overlegde stukken, werd de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge correct toegepast.

- M.b.t. de factuur nr. 68 van 28.09.1998 :

De wagen die is vermeld in de factuur, opgesteld door eiser met nr. 68 van 28.09.1998, werd door eiser aangekocht bij P. S. te … (Duitsland).

Eiser overlegt de hierna volgende stukken :

- een kopie van een aankoopovereenkomst van 14.09.1998 waarbij P. S. als verkoper wordt vermeld, doch die werd ondertekend door J. S.;

- een kopie van een verklaring van 10.05.2003 van P. S. waarin gesteld wordt dat hij het voertuig heeft aangekocht van een particulier persoon volgens de in Duitsland geldende wetgeving van § 25a en dat er bij de aankoop geen BTW in aftrek werd gebracht;

- een kopie van een attest van 14.09.1998 waarbij J. S. verklaart dat hij particulier is en dat hij geen recht op aftrek of teruggave van de BTW geheven bij de aankoop, bij de intracommunautaire verwerving of bij de invoer van het vervoermiddel heeft kunnen uitoefenen, noch recht heeft gehad op een vrijstelling van de BTW;

- een kopie van een Duits inschrijvingsbewijs op naam van P. S.;

(zie stuk 14, bundel eiser).

De rechtbank stelt vast dat het aan de hand van de overlegde stukken niet duidelijk is wie het desbetreffende voertuig heeft verkocht aan eiser.

Deze stukken vormen geenszins een bewijskrachtig geheel waarmee eiser aantoont dat hij heeft voldaan aan de voorwaarden om zelf de bijzondere margeregeling te kunnen toepassen bij de verkoop van het desbetreffende vervoermiddel. Hij toont niet aan dat de tweedehands wagen hem werd geleverd door één van de personen opgesomd in art. 58, § 4, 2° W.BTW en dat deze persoon bij toepassing van art. 58, § 4, 3° W.BTW geen recht op vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft genoten bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van het vervoermiddel dat hij heeft verkocht aan eisers.

Derhalve treedt voor deze verkoop het weerlegbaar vermoeden van art. 54, § 4, 12° W.BTW in werking dat stelt dat in principe de wederverkoop had dienen te geschieden onder toepassing van de normale BTW-regeling.

Zodoende had eiser de tweedehandse auto dienen te leveren onder het normaal regime van de BTW, met belastingheffing over de prijs van het vervoermiddel.

M.b.t. de factuur nr. 98 van 21.01.1999 :

Bij de controleverrichtingen werd vastgesteld dat eiser een aankoopborderel en een attest heeft voorgelegd dat aanvankelijk niet ondertekend was en dat pas bij een tweede voorlegging ervan ondertekend was door de verkoper D. V.. Tevens werd er geen kopie van het inschrijvingsbewijs voorgelegd.

Thans overlegt eiser de volgende stukken :

- een kopie van een verklaring van 25.01.1999 waarbij D. V. verklaart dat hij het desbetreffende voertuig heeft verkocht aan eiser doch waarbij dient vastgesteld te worden dat er vraagtekens zijn aangebracht naast de naam van de ondertekenaar en dat er een doorkruiste handtekening opstaat;

- een kopie van een niet-gedateerd attest uitgaande van D. V., voorzien van drie handtekeningen, waarbij verklaard wordt dat D. V. "geen recht op aftrek van de BTW geheven bij de aankoop, bij de intracommunautaire verwerving of bij de invoer van dit vervoermiddel te hebben gehad op een vrijstelling van de BTW";

- een kopie van een aankoopovereenkomst van 23.01.1999 ondertekend door eiser als koper en door H. V. als verkoper;

(zie stuk 15, bundel eiser).

De verkoopfactuur nr. 98 van eiser bevat totaal tegenstrijdige gegevens met de aankoopovereenkomst en ze zijn geenszins in overeenstemming met elkaar te brengen. Zo dient vastgesteld te worden dat verkoopfactuur van eiser dateert 21.01.1999 terwijl zijn aankoopovereenkomst dateert van een latere datum, te weten 23.01.1999. In tegenstelling tot hetgeen eiser beweert, is om hoger vermelde redenen de aankoopfactuur op zich niet voldoende om te kunnen genieten van dit bijzondere BTW-regime.

De overlegde stukken vormen geenszins een bewijskrachtig geheel waarmee eiser aantoont dat hij heeft voldaan aan de voorwaarden om zelf de bijzondere margeregeling te kunnen toepassen bij de verkoop van het desbetreffende vervoermiddel. Hij toont niet aan dat de tweedehands wagen hem werd geleverd door één van de personen opgesomd in art. 58, § 4, 2° W.BTW en dat deze persoon bij toepassing van art. 58, § 4, 3° W.BTW geen recht op vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft genoten bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van het vervoermiddel dat hij heeft verkocht aan eisers.

Derhalve treedt voor deze verkoop het weerlegbaar vermoeden van art. 54, § 4, 12° W.BTW in werking dat stelt dat in principe de wederverkoop had dienen te geschieden onder toepassing van de normale BTW-regeling.

Zodoende had eiser de tweedehandse auto dienen te leveren onder het normaal regime van de BTW, met belastingheffing over de prijs van het vervoermiddel.

- M.b.t de factuur nr. 102 van 08.02.1999 :

Bij de controle werd vastgesteld dat eiser voor het desbetreffende voertuig noch een attest op naam van de persoon in wiens hoofde dit voertuig voor de laatste maal het finale verbruikstadium had bereikt, noch een kopie van het laatste inschrijvingsbewijs kon voorleggen.

Thans worden de volgende stukken bijgebracht :

- een kopie van een douanedocument "kennisgeving van de intracommunautaire verwerving van een vervoermiddel waarvan aangifte op grond van art. 53, 3° of 53ter van het BTW-Wetboek";

- een kopie van een "certificat de mise hors circulation" op naam van B. P. uitgereikt in het Groot-Hertogdom-Luxemburg op 15.01.1999;

- een kopie van een verkoopfactuur nr. 99/0027 van 12.01.1999 van een belastingplichtige wederverkoper A. S. et F. te … (Groot-Hertogdom-Luxemburg) aan MMV Business te Zonhoven;

- een kopie van een "carte d'immatriculation" op naam van B. P. van 18.12.1998;

- een kopie van een attest van 08.01.1999 waarbij B. P. verklaart geen recht op vrijstelling of teruggaaf van de BTW te hebben kunnen uitoefenen met betrekking tot het desbetreffende voertuig;

- een kopie van een factuur nr. 99/10 van 08.02.1999 van een belastingplichtige wederverkoper MMV Business te … aan eiser) met vermelding van toepassing van de bijzondere margeregeling;

(zie stuk 16, bundel eiser).

Uit de stukken blijkt niet dat de bijzondere regeling over de winstmarge werd toegepast in de relatie tussen de Luxemburgse belastingplichtige wederverkoper A. S. et Fils en de Belgische belastingplichtige wederverkoper MMV Business uit ….

De overlegde stukken vormen geenszins een bewijskrachtig geheel waarmee eiser aantoont dat hij heeft voldaan aan de voorwaarden om zelf de bijzondere margeregeling te kunnen toepassen bij de verkoop van het desbetreffende vervoermiddel. Hij toont niet aan dat de tweedehands wagen hem werd geleverd door één van de personen opgesomd in art. 58, § 4, 2° W.BTW en dat deze persoon bij toepassing van art. 58, § 4, 3° W.BTW geen recht op vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft genoten bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van het vervoermiddel dat hij heeft verkocht aan eisers.

Derhalve treedt voor deze verkoop het weerlegbaar vermoeden van art. 54, § 4, 12° W.BTW in werking dat stelt dat in principe de wederverkoop had dienen te geschieden onder toepassing van de normale BTW-regeling.

Zodoende had eiser de tweedehandse auto dienen te leveren onder het normaal regime van de BTW, met belastingheffing over de prijs van het vervoermiddel.

- M.b.t. de factuur nr. 147 van 30.08.1999 :

De wagen die is vermeld in de factuur, opgesteld door eiser met nr. 147 van 30.08.1999 werd door eiser aangekocht bij een Duitse belastingplichtige wederverkoper G. A. te … (Duitsland) met vermelding van de toepassing van de bijzondere margeregeling.

Eiser heeft een kopie van een Duits inschrijvingsbewijs op naam van F. I. I. S. bijgebracht.

Verder blijkt dat de belastingplichtige wederverkoper G. A. zelf een attest heeft afgeleverd waarbij op 07.05.2003 werd verklaard geen recht op vrijstelling of teruggaaf van de BTW te hebben kunnen uitoefenen met betrekking tot het desbetreffende voertuig.

Eiser bewijst evenwel niet dat de particulier in wiens hoofde het desbetreffende voertuig het finale verbruiksstadium had bereikt geen recht op vrijstelling of teruggaaf van de BTW heeft genoten met betrekking tot het desbetreffende voertuig.

Derhalve treedt voor deze verkoop het weerlegbaar vermoeden van art. 54, § 4, 12° W.BTW in werking dat stelt dat in principe de wederverkoop had dienen te geschieden onder toepassing van de normale BTW-regeling.

Zodoende had eiser de tweedehandse auto dienen te leveren onder het normaal regime van de BTW, met belastingheffing over de prijs van het vervoermiddel.

- Schending vertrouwensbeginsel :

Eiser voert verder nog aan dat het vertrouwensbeginsel zou zijn geschonden door de verwerping van de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge en door het niet juist toepassen van de Aanschrijving nr. 2 waarin volgens eiser een vaste gedragslijn van de fiscus in terug te vinden is.

De rechtbank is evenwel op grond van het bovenstaande tot het oordeel gekomen dat eiser voor de in het proces-verbaal van 04.12.2002 opgesomde leveringen, met uitzondering van degene vermeld in de facturen nr. 45 van 19.06.1998 en 63 van 02.09.1998, niet voldoet aan de voorwaarden van deze Aanschrijving nr. 2 zodat zijn vertrouwen in dat opzicht niet kan geschonden zijn.

Daarenboven verleent deze Aanschrijving nr. 2 op zichzelf geen absoluut recht op toepassing van de margeregeling vermits de wijze van bewijsvoering ook anders dan zoals omschreven in deze Aanschrijving nr. 2 kan geleverd worden.

De overige argumenten van eiser zijn ter zake niet dienend.

2.2. Met betrekking tot de verwerping van de aftrek van de BTW bij aankoop van twee tweedehandse vervoermiddelen :

Ter zitting van deze rechtbank van 31.10.2007 stelde de raadsman van eiser dat hij zich wat dit onderdeel van de vordering betreft, naar de wijsheid van de rechtbank gedraagt.

De rechtbank stelt vast dat verweerder terecht de aftrek van de BTW van de hierna volgende facturen heeft verworpen :

- aankoopfactuur 98/01 van 24.02.1998 geboekt onder nr. 21/1998;

- aankoopfactuur 98/02 van 24.02.1998 geboekt onder nr. 22/1998.

2.3. Met betrekking tot de opgelegde geldboete :

Aan eiser werd een administratieve geldboete ten bedrage van … euro in toepassing van art. 70, § 1 en § 1bis W.BTW en verminderd en afgerond overeenkomstig het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de BTW, tabel G, eerste afdeling, rubriek V opgelegd.

De boeten werden verminderd tot respectievelijk 20 % (inbreuken op de margeregeling) en 5 % (ingevolge de verwerping van de aftrek van de BTW).

Nu de vordering van eiser gegrond is voor wat betreft de leveringen die zijn vermeld in de facturen nr. 45 van 19.06.1998 en 63 van 02.09.1998, kan er hiervoor geen boete worden opgelegd.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde boete is evenredig is met de begane inbreuken op de BTW-wetgeving. Op grond van de hoger geciteerde vaststellingen is het duidelijk dat eiser als beroepshandelaar in tweedehandse voertuigen met betrekking tot de aan hem gedane leveringen bijzonder onnauwkeurig heeft gehandeld. Hij dient derhalve als beroepshandelaar de gevolgen te dragen van zijn gebrek aan zorgvuldigheid bij het naleven van de door de Wet opgelegde verplichtingen.

In de gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van 20 % en 5 % aansluit bij de feiten.

De vordering van eiser tot kwijtschelding of vermindering van de geldboete is in hoger vermelde zin gedeeltelijk gegrond.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Dispositif

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak en na beraadslaging,

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 12.12.2002 ontvankelijk, en in de hierna vermelde mate gegrond.

Herleidt de in het dwangbevel van 12.12.2002 gevorderde BTW, administratieve geldboete, intresten in de mate dat de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge dient te worden toegepast voor de hierna volgende facturen :

- nr. 45 van 19/06/1998;

- nr. 63 van 02.09.1998.

Wijst eiser voor het overige af.

Veroordeelt eiser tot 3/4 en verweerder tot 1/4 van de kosten en begroot deze als volgt :

- in hoofde van eiser op de som van :

- … euro rechtsplegingsvergoeding;

- … euro dagvaardingskosten;

- in hoofde van verweerder op de som van :

- … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A op het gerechtshof te Hasselt op 28.11.2007 alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., rechter, waarnemend voorzitter,

Mevrouw A. P., rechter,

De heer F. B., gerechtelijk stagiair, vervangend rechter (art. 259 octies, § 6 in fine Ger.W.),

De Heer L. P., e.a. adjunct-griffier.

L. P. F. B. A. P. M. C.

Textes cités

2
CTVA art. 532 occurrences
CTVA art. 53ter2 occurrences

Décisions similaires

8