Autre exemption, champ d'application, livraison de biens, exonération · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 16 mai 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Autre exemption, champ d'application, livraison de biens, exonérationTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/autre-exemption-champ-application-livraison-tribunal-gand-2012-05-16-1190

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
16 mai 2012

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

107 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 16.05.2012

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 MEI 2012

Rolnummer AR 10/432/A

In de zaak van :

NV J., met zetel te …, …

EISERES, hebbende als raad Mter G. P., advocaat te …, …

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de op vervolging en benaarstiging van de Administratie der directe belastingen, CC Dendermonde, met burelen te 9200 Dendermonde, Begijnhoflaan 49 en de Ontvanger van het BTW Ontvangkantoor Aalst, met kantoren te 9300 Aalst, Graanmarkt 1

VERWEERDER, hebbende als raad Mter E. V. A., advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

I. DE RECHTSPLEGING.

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 28 maart 2012 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het verzoekschrift op tegenspraak van 4 februari 2010 en de conclusies van de partijen en hun stukkenbundels.

II. DE VORDERING

De eiseres verzet zich tegen het door eerstaanwezend inspecteur a.i. B. M. uitgevaardigd dwangbevel van 23 november 2009, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 25 november 2009 en aan haar betekend met bevel tot betaling op 1 december 2009.

In het betekening-bevel worden de verschuldigde bedragen vastgesteld als volgt :

- als belasting op toegevoegde waarde : … EUR

- als geldboete ingevolge artikel 70 §1bis W.BTW : … EUR

- intresten tot 20/12/2009 : … EUR

- kosten exploot : … EUR

- als inningsrecht : … EUR

- meer de nog niet berekende intresten pm

- visumkost … EUR

Verschuldigd : … EUR

De eiseres vordert de vernietiging van het dwangbevel RCIV … en het onwettig en van generlei waarde te verklaren.

Vervolgens vordert de eiseres de vordering van … EUR, de boete van … EUR en de intresten te annuleren en de verweerder te veroordelen tot de terugbetaling van alle eventuele ten onrechte geïnde of ingehouden sommen, te vermeerderen met de moratoriumintresten.

Ten slotte de verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, te begroten op de rechtsplegingsvergoeding.

III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL.

De eiseres werd op 24 februari 2009 onderworpen aan een Btw-controle over de periode van 01 januari 2006 tot 31 december 2007.

In het proces-verbaal van 17 november 2009 werden twee inbreuken vastgesteld :

1° Inbreuk op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en of diensten die ook worden gebruikt voor het verrichten van andere handelingen dan die waarvoor op grond van artikel 45 W.BTW aanspraak op aftrek bestaat (artikel 46 §1 W.BTW). Voor de jaren 2006 en 2007 bedraagt de totale terug te storten BTW … EUR.

2° Inbreuk op artikel 12 §1,1,3° W.BTW met betrekking tot de ingebruikneming als bedrijfsmiddel door een belastingplichtige. De totale vordering voor de jaren 2006 en 2007 bedraagt … EUR.

Op 2 juli 2009 werd een regularisatieopgave aan de eiseres toegezonden, waarop zij op 5 augustus 2009 haar niet-akkoord kenbaar maakte.

Intussen sloten de eiseres en de administratie een akkoord over de punten waarover de eiseres wel haar instemming kon betuigen. De overblijvende geschilpunten werden opgenomen in een proces-verbaal van 17 november 2009, waarvan de eiseres een afschrift ontving.

De gerechtsdeurwaarder H. V. D. betekende op 1 december 2009 het bevel tot betaling samen met het dwangbevel en het uitvoerend beslag volgde op 13 januari 2010.

De eiseres legde op 4 februari 2010 een verzoekschrift op tegenspraak ter griffie van deze rechtbank neer.

IV. BESPREKING.

1. Nopens de ontvankelijkheid.

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. Nopens de grond.

2.1. De bewijskracht van het proces-verbaal van 17 november 2009.

Het proces-verbaal is een akte waarin een bevoegd ambtenaar zijn benaarstigingen, zijn opzoekingen, de verkregen inlichtingen, de materiële vaststellingen van bepaalde feiten en de aan hem afgelegde verklaringen optekent. Krachtens artikel 59, § 1, tweede lid, W.BTW leveren de processen­verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

De bewijskracht van een proces-verbaal strekt zich dus uit tot alle handelingen die de ambtenaren verklaren gesteld te hebben en alle feiten waarvan zij verklaren getuige te zijn geweest.

De bewijskracht van het proces-verbaal geldt echter niet voor de gevolgtrekkingen die de ambtenaar uit zijn vaststellingen afleiden. Deze gevolgtrekkingen blijven aan de controle van de rechtbank en maken nu juist het voorwerp van het geschil uit.

2.2. De beweerde schending van de motiveringsplicht.

Het dwangbevel inzake BTW maakt zowel de titel uit voor de vestiging van de belastingschuld als de aanvang van de invordering.

In voorliggende zaak is het dwangbevel, waaruit de belastingschuld moet blijken, gemotiveerd op grond van een bijgevoegd, voor eensluidend verklaard afschrift van een proces-verbaal.

Dit proces-verbaal dat overeenkomstig artikel 59, § 1 van het W.BTW geldt tot bewijs van het tegendeel, maakt een onafscheidelijk geheel uit met het dwangbevel en maakt de juridische grondslag uit van de vordering van de verweerder.

De motivering die in het dwangbevel werd weerhouden, en deze in het bijgevoegde proces-verbaal, kunnen in aanmerking genomen worden om de geldigheid van het dwangbevel te beoordelen.

In principe is een dwangbevel geldig zodra het de belastingplichtige in staat stelt het voorwerp en de eis van de Belgische Staat te laten kennen en de gegrondheid ervan na te gaan, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank in casu het geval is.

2.3. Nopens de beweerde meeromzet.

De grief van de eiseres is ter zake onduidelijk vermits zij geen opgave van doet van wat als ten onrechte aangemerkte meeromzet door de verweerder dan wel werd weerhouden.

Blijkens de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal kan de rechtbank enkel besluiten dat de verweerder niets anders dan de omzet van de verkopen als uitgangspunt werd genomen.

2.4. Nopens de toepassing van de regeling van een gemengde Btw­belastingplichtige.

Blijkens de oprichtingsakte van de eiseres d.d. 16 februari 1990 werd het maatschappelijk doel van de vennootschap als volgt omschreven :

- het beheer van roerend en onroerend vermogen (aankoop, verkoop, verhuring, verkaveling),

- het afsluiten en beheren van verzekeringen en het optreden als tussenpersoon inzake leningen, kredietopeningen en financieringen.

De eiseres houdt voor dat zij deze statutaire activiteiten nooit heeft verricht en dat voor Btw-doeleinden enkel de werkelijk uitgeoefende activiteiten in aanmerking mogen genomen worden. Zij beweert haar activiteiten bestonden uit het beheren, kopen en verkopen van onroerende goederen en in beperkte mate het verhuren.

In het proces-verbaal werd de vaststelling opgenomen dat de eiseres naast de verkoop van onroerende goederen ook onroerende goederen verhuurt.

Er is blijkbaar geen betwisting omtrent de verhuur van onroerende goederen, doch de eiseres beweert dat zij niet als gemengd belastingplichtige kan beschouwd worden, gezien de verhuuractiviteit minder dan 15% bedraagt.

De administratie stelde de totale omzet vast als volgt :

In 2006 :

- belastbaar met BTW : … EUR

- niet belastbare sector : … EUR

De verhouding werd berekend op 86/14.

In 2007 :

- belastbaar met BTW : … EUR

- niet belastbare sector : … EUR

De verhouding werd berekend op 77/23.

Uit de cijfergegevens blijkt effectief dat de eiseres enerzijds handelingen verricht die aan de BTW zijn onderworpen (zoals de verkoop van nieuwe gebouwen overeenkomstig artikel 44, §3, 1°a W.BTW en anderzijds handelingen die vrijgesteld zijn van de BTW overeenkomstig artikel 44, §3, 1°a, 4° en 5° W.BTW. Voor de eerstgenoemde handelingen geldt het recht op aftrek (artikel 44 W.BTW) terwijl voor de twee soort handelingen er geen recht op aftrek is (artikel 45 §1 W.BTW).

De eiseres meent desondanks niet het statuut van gemengd belastingplichtige opgelegd te kunnen krijgen gezien de omzet van de huur beneden de 15% ligt en verwijst naar een arrest van het Hof van Justitie (zaak nr. 50/87). De rechtbank kan de vergelijking met dit arrest niet volgen gezien de feitelijke omstandigheden niet vergelijkbaar zijn. In het arrest wordt namelijk uitgegaan van inkomsten uit verhuur van onroerende goederen die minder dan 1/15 van de waarde van die goederen bedragen, terwijl in casu het verhoudingsgetal is gebaseerd op de omzet van de eiseres.

De rechtbank stelt derhalve vast dat de eiseres een gemengd belastingplichtige is en ten onrechte een aftrek van BTW heeft verricht voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat (artikel 45, §1, W.BTW).

De administratie heeft terecht op grond van artikel 46 § 1 W.BTW de verhouding van het recht op aftrek op pro rata basis bepaald.

De eiseres kan niet gevolgd worden wanneer zij van oordeel is dat de berekening dient gebaseerd te worden op het werkelijk verbruik, zoals in artikel 46, §2, W.BTW is voorzien. Zij heeft immers geen verzoek daartoe gericht en een vergunning om het recht op aftrek uit te oefenen met inachtneming van het werkelijk gebruik verleend gekregen.

De grief van de eiseres is ongegrond.

2.5. Nopens de schending van artikel 12, §1, 1.1° W.BTW.

De verklaring van de eiseres omtrent het jaar van verhuring, de ingebruikname als privé-woning of voor de uitoefening van de bedrijfsactiviteit, werd dit in het Proces-Verbaal geacteerd.

De eiseres heeft als beroepsoprichter de bedoeling "geregeld de gebouwen die zij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen", te verkopen of er een zakelijk recht op te vestigen, binnen de termijn waarin het gebouw nog als nieuw wordt aangemerkt voor de toepassing van de BTW (art. 12, § 2 Btw-Wetboek). De gebouwen die zijn bestemd voor de verkoop vormen geen bedrijfsmiddel en behoren boekhoudkundig tot de voorraden. Anders dan de BTW op de bouwkosten, die volgens de normale regels volledig en onmiddellijk aftrekbaar zijn, is dit niet het geval bij de onttrekking van bedrijfsmiddelen. (Beslissing nr. ET 77.712 van 28 april 1994).

De onttrekking wordt gelijkgesteld met een levering van een goed. Met als gevolg dat de ingebruikneming van een voorraadgoed als bedrijfsmiddel moet worden aangegeven als een 'levering' van het betrokken goed, waarop in principe BTW verschuldigd is.

De beroepsoprichter moet, wanneer een nieuw gebouw, bestemd voor de verkoop (voorraad), wordt verhuurd (bedrijfsmiddel), de onttrekking ervan aangeven. Op deze onttrekking is BTW, die niet aftrekbaar is, verschuldigd. Het gebouw wordt immers verhuurd, hetgeen onder de vrijstellingsregel, zoals voorzien in artikel 44, § 3, 2° W.BTW, valt. Mocht het gebouw alsnog worden verkocht voor het verstrijken van de 'nieuw-termijn' kan de BTW op de onttrekking toch nog in aftrek worden gebracht.

De onroerende goederen die de eiseres in eigen gebruik heeft genomen of privé worden aangewend, worden ook als een onttrekking van bedrijfsmiddelen aanzien, waarop eveneens BTW verschuldigd is.

De eiseres betwist de maatstaf van heffing en de verschuldigde BTW niet.

De grief van de eiseres is ongegrond.

2.6. Nopens het rechtzekerheidsbeginsel.

De eiseres is slecht geplaatst zich inzake te beroepen op het rechtszekerheidsbeginsel, gezien zij naar aanleiding van een Btw-controle in 1994 met betrekking tot de jaren 1991 en 1992, werd gewezen op haar statuut van gemengd belastingplichtige en zich tevens akkoord verklaard heeft over een ten onrechte terugstorting van een commissie die betrekking had op een niet belaste activiteit.

Uit dit gegeven moet afgeleid worden dat zij kennis moet hebben van het bestaan van aftrekbeperkingen voor handelingen die op grond van artikel 44 W.BTW vrijgesteld zijn van de BTW. Niettegenstaande dit alles blijkt de eiseres dit te hebben genegeerd. De eiseres kan geen recht putten uit het feit dat zij heeft volhardt in een incorrecte toepassing van de Btw-regelgeving.

2.7. Nopens de opgelegde boeten.

De rechtbank kan de eiseres volgen wanneer zij argumenteert dat de feitenrechter de volle bevoegdheid heeft om te appreciëren of de opgelegde boete evenredig en verantwoord is. De verweerder betwist dit evenwel niet.

De aan de eiseres opgelegde boete werd in toepassing van artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 en van artikel 1 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987. zoals voorzien in tabel H (10% van de overdreven aftrek) en van tabel G, rubriek V (20%) vastgesteld en verminderd tot … EUR.

Rekening houdende met de verschuldigde BTW ten bedrage van … EUR en met het feit dat de eiseres niettegenstaande zij naar aanleiding van een controle 1994 manifest op de hoogte moest zijn van haar statuut van gemengd belastingplichtige, toch heeft volhard in een incorrecte toepassing van de Btw­regelgeving, komt het de rechtbank voor dat de opgelegde boetes evenredig zijn met de gepleegde inbreuken.

De vordering van de eiseres is ongegrond.

3. Nopens de rechtsplegingsvergoeding.

De partijen begroten de rechtsplegingsvergoeding op … EUR.

De waarde van de vordering situeert zich in de schijf van … EUR tot … EUR zodat overeenkomstig artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek de rechtsplegingsvergoeding kan vastgesteld worden op het geïndexeerd basisbedrag van … EUR.

Gezien de eiseres in het ongelijk gesteld wordt, dient zij overeenkomstig artikel 1017, 1e lid van het Gerechtelijk Wetboek de gerechtskosten te dragen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak.

Met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet ter zake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk, doch ongegrond.

Verwijst de eiseres in de kosten van het geding, langs de zijde van de eiseres te begroten op … EUR en langs de zijde van de verweerder te begroten op de rechtsplegingsvergoeding van … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op woensdag zestien mei tweeduizend en twaalf aanwezig waren :

- de heer C. S., toegevoegd rechter, voorzitter van deze kamer,

- mevrouw G. L., griffier.

G. L. C. S.

Textes cités

2
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 121 occurrence

Décisions similaires

8