Assujettissement, disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 21 février 2013

Rechercher
Texte en néerlandais

Assujettissement, disposition pénale, amende administrative, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-disposition-penale-amende-administrative-tribunal-hasselt-2013-02-21-e3d9

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
21 février 2013

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

107 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 21.02.2013

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE AR nr. 11/3279/A

NV E. TMPS, met maatschappelijke zetel te …, … met ondernemingsnummer …

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. T. loco mr. M. M., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Administratie van de BTW, registratie en domeinen in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12 en de e.a. inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 43 vertegenwoordigd door de gewestelijke Directeur van de BTW-directie te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40.

verweerder,

vertegenwoordigd door de heer A., de gewestelijk directeur van het controlecentrum Hasselt-Beringen.

EN IN ZAKE AR nr. 11/3280/A

NV E. TMPS, met maatschappelijke zetel te …, … met ondernemingsnummer …

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. T. loco mr. M. M., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Administratie van de BTW, registratie en domeinen in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12 en de e.a. inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 43 vertegenwoordigd door de gewestelijke Directeur van de BTW-directie te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40.

verweerder,

vertegenwoordigd door de heer V., inspecteur bij een fiscaal bestuur verbonden aan de gewestelijke directie van de BTW Hasselt.

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

Inzake AR nr. 11/3279/A :

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 19.12.2011;

- de conclusies neergelegd ter griffie op 22.03.2012, tweede conclusies tegelijkertijd synthesconclusies neergelegd ter griffie op 24.07.2012, syntheseconclusies neergelegd ter griffie op 21.11.2012 en stukken van verweerder;

- de eerste besluiten neergelegd ter griffie op 01.06.2012, eerste besluiten;

- neergelegd ter griffie op 04.06.2012, synthesebesluiten neergelegd ter griffie op 02.10.2012 en stukken van eiseres.

Inzake AR nr. 11/3280/A :

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 19.12.2011;

- de eerste conclusie neergelegd ter griffie op 30.03.2012, tweede conclusie neergelegd ter griffie op 25.07.2012, syntheseconclusies neergelegd ter griffie op 26.11.2012 en stukken van verweerder;

- de eerste besluiten neergelegd ter griffie op 01.06.2012, eerste besluiten neergelegd ter griffie op 04.06.2012, synthesebesluiten neergelegd ter griffie op 02.10.2012 en stukken van eiseres.


Inzake AR nr. 11/3279/A werden door verweerder de conclusies pas op 30.05.2012 overgemaakt aan eiseres daar waar bij beschikking overeenkomstig art. 474, § 2 Ger.W. werd gestipuleerd dat verweerder uiterlijk tegen 02.04.2012 diende te concluderen.

Deze conclusies dienen dan ook geweerd te worden uit de debatten.

I. SAMENVOEGING

Ter wille van een goede rechtsbedeling dienen de twee zaken met AR nr. 11/3279/A en AR nr. 11/3280/A te worden samengevoegd.

II. FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiseres heeft uit hoofde van haar aangegeven economische activiteit van het vervaardigen van andere producten van kunststof de hoedanigheid van BTW­belastingplichtige en is bij toepassing van art. 4 W.BTW onderworpen aan de BTW­wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten. Eiseres is geregistreerd als belastingplichtige onder BTW-nummer BE ….

Ingevolge een controle uitgevoerd op 06.05.2011 en 09.05.2011werden bij eiseres een aantal inbreuken tegen de BTW-wetgeving vastgesteld.

Deze overtredingen werden opgenomen in een correctieopgave van 04.07.2011 die door de gedelegeerd bestuurder van eiseres voor akkoord ondertekend werd met uitzondering van de boeten en de intresten (zie stuk 1, bundel verweerder).

Bij aangetekend schrijven van 15.07.2011 verzocht eiseres om kwijtschelding van boeten en intresten (zie stuk 2, bundel verweerder).

Bij beslissing van de Gewestelijke Directeur van het Controlecentrum Hasselt-Beringen van 23.09.2011 werd het verzoek tot kwijtschelding van boetes afgewezen (zie stuk 3, bundel verweerder).

Bij beslissing van de Gewestelijke Directeur van de BTW te Hasselt van 04.10.2011 werd het verzoek tot kwijtschelding interesten afgewezen (zie stuk 4 , bundel verweerder).

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 19.12.2011 werd door eiseres een vordering in rechte ingesteld (inzake AR nr. 11/3279/A).

De vordering beoogt de directorale beslissing van 04.10.2011 teniet te doen en te zeggen dat deze geen rechtsgevolgen kan hebben en dat de nalatigheidsintresten gevestigd op naam van eiseres volledig dienen te worden kwijtgescholden. Tevens vordert eiseres de kosten van het geding ten laste te leggen van de Belgische Staat.

Bij afzonderlijk verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 19.12.2011 werd door eiseres een vordering in rechte ingeleid ( inzake AR nr. 11/3280/A).

Deze vordering beoogt te horen zeggen voor recht dat de administratieve geldboete gevestigd op naam van verzoeker volledig dient te worden kwijtgescholden, minstens herleid tot 10 % en/of gepaard te laten gaan met uitstel. Tevens vordert eiseres de kosten van het geding ten laste te leggen van de Belgische Staat.

III. BEOORDELING

1. De ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

A. MET BETREKKING TOT DE ADMINISTRATIEVE BOETE

1. Eiseres streeft de kwijtschelding van de opgelegde geldboeten na, minstens de herleiding tot 10 % en/of gepaard met een uitstel.

2. Krachtens artikel 70, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 84 van dat wetboek wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens artikel 1, laatste lid, van het Koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing ten aanzien van de overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

In casu werden de wettelijke boeten verminderd overeenkomstig de vastgestelde barema's.

Voor de rubrieken A1 en A4 van de correctieopgave, zijnde aftrekovertredingen voor een bedrag van … euro en … euro werd een boete toegepast van 5 % van de ten onrechte afgetrokken belasting. Voor de rubrieken C1, C2 en C3 van de correctieopgave zijnde omzetovertredingen voor bedragen van … euro (niet doorfactureren van belastbare handelingen) … euro (BTW op voordelen GSM's) en … euro (BTW op voordelen voertuigen) bedraagt de boete 20 %.

De opgelegde boeten werden berekend volgens de tabellen G en H gevoegd bij het KB nr. 41 tot vaststelling van de proportionele geldboeten op het vlak van de BTW. De toegepaste boeten zijn de reeds verminderde boeten ervan uitgaande dat de overtredingen niet werden begaan met het oogmerk om de belasting te ontduiken.

De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde boeten van 5 en 20 % voor een bedrag van … euro een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR.

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 W.BTW te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

De rechter kan met volle rechtsmacht toezicht uitoefenen op de administratieve beslissing tot weigering van de kwijtschelding of de vermindering van een fiscale geldboete en dat dit toezicht de rechter moet mogelijk maken na te gaan of die beslissing in feite of in rechte verantwoord is en of zij alle wetsbepalingen en algemene beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel.

Om uit te maken of er sprake is van een schending van dat evenredigheidsbeginsel moet worden nagegaan of de opgelegde sanctie gerechtvaardigd is, gelet op alle relevante factoren. Het zorgvuldigheidsbeginsel, waarvan het evenredigheidsbeginsel een uitloper is, houdt immers in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van een overheidsbesluit alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen. Als materiële component zit hierin onder meer vervat dat de voor de belanghebbende nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (W. Lambrechts, «Het zorgvuldigheidsbeginsel», in I. Opdebeek, Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1993, 30-31).

Het evenredigheidsbeginsel impliceert m.a.w. dat wordt nagegaan of de beslissing, rekening gehouden met het doel dat wordt nagestreefd, in het concrete geval niet disproportioneel bezwarend is voor de particulier die door die beslissing wordt getroffen (zie conclusie van toenmalig advocaat-generaal M. D. S. vóór Cass. 15 juni 2004, TROS 2004, 247-248). Er is immers sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel wanneer de door de overheid gemaakte keuze een kennelijke wanverhouding tussen het algemeen belang en het particulier belang tot gevolg heeft.

De uitsluiting van de opportuniteitsbeoordeling kan evenwel niet tot gevolg hebben dat deze boete niet kan worden verminderd.

In casu dient te worden nagegaan of de opgelegde boete in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

Het staat vast dat de gevorderde administratieve boete verschuldigd is doordat eiseres niet of niet tijdig de door haar verschuldigde BTW heeft afgedragen, hetgeen door eiseres niet betwist wordt.

Verder dient vastgesteld dat er facturen met aanrekening van BTW moesten uitgereikt worden aan twee zusterondernemingen en dat de schuld in twee opeenvolgende jaarrekeningen was opgenomen. Het betreft achterstallige facturatie van voor 01.0.1.2009, de schuld stond immers al vermeld in de balans per 31.12.2008. Eiseres had de facturen kunnen opnemen in één van de periodieke aangiften in te dienen in de periode tussen 01.01.2009 en 06.05.2011,dag waarop de controle is aangevangen.

Het is op grond van de hoger geciteerde feitelijkheden duidelijk dat eiseres bijzonder onnauwkeurig heeft gehandeld. Zij dient de gevolgen te dragen van haar gebrek aan zorgvuldigheid bij het vervullen van de opgelegde wettelijke verplichtingen.

Nu de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt immers niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor een fout welke is te wijten aan een vergaande onvoorzichtigheid van eiseres, sluit in de gegeven omstandigheden het opleggen van geldboeten ten bedrage van 5 en 20 % aan bij de feiten.

De vordering van eiseres is op dit punt dan ook ongegrond.

Eiseres verzoekt de rechtbank om de geldboete minstens gepaard te laten gaan met een uitstel.

De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde boeten evenwel in functie van het nagestreefde doel in het concreet geval enigszins disproportioneel belastend te zijn voor de belastingplichtige en dit vergeleken met het voordeel dat het algemeen belang eruit kan halen. Een proportionele en evenwichtige sanctionering kan worden bereikt door het verlenen van uitstel van de helft van de geldboete gedurende een termijn van drie jaar (vgl. GwH 6 november 2008,nr. 157/2008 (prejudiciële vraag), Arr. GwH 2008, afl. 5, 2495, BS 23 januari 2009 (uittreksel), 4201, Fisc.Act. 2009 (samenvatting), afl. 4, 11, JLMB 2009, afl. 36, 1688, RGCF 2010 (samenvatting), afl. 1, 73, RGCF 2010, afl. 2, 118, noot F. Koning, «Le pouvoir d'appréciation et d'individualisation du juge fiscal sur les amendes administratives», (RGCF 2010, afl. 2, 123-131), RW 2008-2009 (samenvatting), afl. 13, 559, TBP 2010 (weergave F. Debaedts), afl. 1,47).

De vordering van eiseres wat betreft het te verlenen uitstel is dan ook in die mate gegrond.

B. De nalatigheidsintresten

Krachtens artikel 84bis W.BTW mag de bevoegde gewestelijk directeur van de BTW, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen voor alle in artikel 91, § 1 en 2 bedoelde interesten of voor een deel ervan.

Uit artikel 84bis W.BTW volgt dat eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van zijn wettelijke verplichting om nalatigheidsinteresten te betalen en dat de mogelijkheid om deze vrijstelling te bekomen een gunstmaatregel is die, volgens de tekst van dit artikel, enkel kan verleend worden door de gewestelijk directeur.

Alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de gewestelijk directeur valt, valt met volle rechtsmacht onder de controle van de rechtbank, behoudens wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de gewestelijk directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing, in welk geval de rechtbank de gewestelijk directeur zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (vgl. Cass. 4 maart 2004 inzake rolnr. C030346N, http://www.cass.be ; Cass. 17 april 2000, Arr. Cass. 2000, 258 en Cass. 2 februari 1998, R.W. 1998-99, 1142).

Nu eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van zijn wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen en nu artikel 84bis W.BTW uitdrukkelijk aan de gewestelijk directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent de vrijstelling van de nalatigheidsinteresten, mag de rechtbank niet in de plaats treden van de gewestelijk directeur.

Bovendien dient te worden opgemerkt dat de verschuldigdheid van nalatigheidsinteresten een loutere schadeloosstelling is wegens de vertraging in de betaling van de BTW-schuld zodat deze verschuldigdheid geenszins een straf is en aldus geen strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1. EVRM.

Aangezien fiscale geschillen geen geschillen zijn over burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6.1. EVRM en aangezien de verschuldigdheid van nalatigheidsinteresten evenmin een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1. EVRM, heeft de rechtbank over deze verschuldigdheid geen controle met volle rechtsmacht op grond van artikel 6.1. EVRM (vgl. EHRM 14 september 2004, F.J.F. No. 2005/126; EHRM 12 juli 2001, T.F.R. 2001, 94 en Cass. 23 januari 1992, Pas. 1992, I, nr. 269, p. 453).

Bijgevolg heeft de rechtbank geen rechtsmacht om vrijstelling van nalatigheidsinteresten te verlenen en heeft zij enkel rechtsmacht om te oordelen over de wettelijkheid van de bestreden beslissing van de gewestelijk directeur.

De beslissing van de gewestelijk directeur dient te beantwoorden aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

De bestreden beslissing beantwoordt aan deze motiveringsvereiste wanneer deze beslissing door haar inhoud geen twijfel laat omtrent de juridische en feitelijke overwegingen die hieraan ten grondslag liggen en die op voldoende wijze aan de belastingschuldige kenbaar moeten worden gemaakt teneinde hem toe te laten de gegrondheid ervan te beoordelen.

De gewestelijk directeur beschikt met betrekking tot de "bijzondere gevallen" bedoeld in artikel 84bis W.BTW over een zeer ruime beoordelingsbevoegdheid en hij dient zich niet te voegen naar de ministeriële toelichtingen of circulaires, welke slechts als aanbeveling gelden; de beslissing van de gewestelijk directeur moet berusten op rechtens aanvaardbare motieven die steun vinden in werkelijk bestaande feiten.

Uit artikel 84bis W.BTW volgt aldus dat de gewestelijk directeur een discretionaire bevoegdheid uitoefent zodat de motivering van zijn beslissing dan ook van belang is en er dan ook meer uitleg moet worden verschaft dan bij een gebonden bevoegdheid.

Dit houdt in dat de beslissing adequaat de juridische en de feitelijke overwegingen vermeldt waarop ze steunt.

Evenwel is geen gedetailleerde uiteenzetting geboden : het volstaat dat de bestemmeling de betekenis van de beslissing begrijpt en inziet waarom het bestuur zo en niet anders beslist heeft. De rechtbank stelt vast dat er in de directorale beslissing geantwoord werd op de elementen aangehaald in het verzoek tot kwijtschelding.

In de directorale beslissing van 04.10.2011 wordt verwezen naar de directorale beslissing van 23.09.2011 getroffen inzake het verzoek tot kwijtschelding van de opgelegde geldboeten. In deze beslissing wordt uitdrukkelijk gesteld welke overtredingen er werden begaan door eiseres : "(...) het loutere feit dat NV E. - TMPS niet of niet tijdig haar fiscale verplichtingen, vervat in de BTW-wetgeving is nagekomen, meer bepaald het factureren van verstrekte diensten en het tijdig aan de Belgische Staat doorstorten van de hierover verschuldigde BTW, dient te worden aangemerkt als een zeer ernstige inbreuk Volgens de balans en de resultatenrekening waren de diensten verstrekt voor andere vennootschappen voltooid op 31 december 2009 en bijgevolg was op dat tijdstip de BTW verschuldigd. Gezien de grootte van de betreffende bedragen en het tijdsverloop tot aan de controle kan bezwaarlijk aangenomen worden dat het niet-factureren van de prestaties louter veroorzaakt werd door een "vergetelheid" beantwoordt de beslissingen van de gewestelijke directeur aldus aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen zodat deze beslissingen aldus wettelijk zijn.

De gewestelijk directeur heeft niet op een kennelijk onredelijke manier de kwijtschelding van de nalatigheidsintresten geweigerd.

De vordering van eiseres is op dit punt derhalve ongegrond.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS, 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art 13 en 14).

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag (zie Cass., 12 maart 2010, F.J.F., 2010/183).


Gelet op de art 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Voegt de dossiers met rolnummers AR nr. 11/3279/A en 11/3280/A samen;

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond,

Bevestigt de bij toepassing van artikel 70 W.BTW opgelegde geldboete ten bedrage van … euro met dien verstande dat uitstel wordt verleend voor de betaling van de helft van deze geldboete voor een termijn van drie jaar;

Beveelt de teruggave van de bedragen die door eiseres gebeurlijk boven de helft van deze geldboete reeds zouden zijn betaald en/of ingehouden, bedragen die moeten worden vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke interesten vanaf de datum van betaling of inhouding;

Veroordeelt verweerder tot de ¼ kosten van het geding en vereffent deze kosten aan de zijde van eiseres op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A op het gerechtshof te Hasselt op 21.02.2013 alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., rechter,

Mevrouw L. G., griffier.

L. G. M. C.

Textes cités

3
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 841 occurrence

Décisions similaires

8