Assujetti, Location de brève durée de locaux, contribuable · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 15 décembre 2020

Rechercher
Texte en néerlandais

Assujetti, Location de brève durée de locaux, contribuable

https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujetti-location-breve-duree-locaux-tribunal-bruxelles-2020-12-15-169e

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
15 décembre 2020

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

83 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 15.12.2020

WF 702-15-19/010972

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Assujetti – Location de brève durée de locaux

Dispositions légales

Articles 44, § 3, 2° in fine et 53, § 1er, 1°, du Code de la TVA

Résumé

1) Les faits et les antécédents de procédure

L’administration a opéré différents contrôles sur place chez l’assujetti afin de constater qu’elle était concrètement son activité économique. Il a été constaté qu’il exerçait une activité devant être soumise à la TVA alors qu’aucune déclaration de commencement d’activité n’avait été déposée. L’infraction a été consignée dans un procès-verbal et une amende fiscale a été infligée. Sur base de ce procès-verbal, une contrainte a été décernée, rendue exécutoire et signifiée. La partie adverse a porté le litige devant le tribunal de première instance de Bruxelles par le biais d’une citation. Le tribunal de première instance a jugé la demande recevable mais non fondée.

2) Le jugement du tribunal de première instance

* L’assujettissement

La partie adverse estime que l’administration ne démontre pas qu’elle exerce une activité devant être soumise à la TVA. Le demandeur fait valoir qu'il ne loue les vitrines et les pièces attenantes utilisées dans l’exercice d’une activité de prostitution que par le biais d'un contrat de location ordinaire et que les parties communes sont nettoyées par une femme de ménage. Le demandeur considère que son activité n’est pas soumise à la TVA. Le fait qu'il ait introduit une demande afin d’obtenir un numéro d'identification à la TVA quelques mois plus tard n'est, selon lui, pas pertinent.

Toutefois, l'administration considère que l'activité du cocontractant dépasse une location immobilière purement passive de biens et que la modification législative ultérieure de l'article 44, §3, 2° in fine du Code de la TVA ne change rien à cette situation.

L'étendue de l'activité peut être déduite à juste titre par l'administration des constatations consignées dans le procès-verbal du 15/10/2018. Se référant aux éléments présentés et aux constatations reprises dans le procès-verbal, le tribunal juge que l’activité du demandeur dépasse la mise à disposition (location) purement passive d’un bien immeuble car, en l’espèce, l’activité ne se limite pas seulement à permettre l'utilisation du bien pendant une période déterminée.

Remarque

La partie adverse a acquiescé au jugement.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg Brussel, 8ste Kamer

Eindvonnis, 15 december 2020

Rol: 2019/447/A

In zake van:

De heer A.V.L., RRN ...., wonende te ..., Eisende partij, Vertegenwoordigd door ..., advocaat met kantoor te ...,

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, K.B.O. 0308.357.159, vertegenwoordigd door de Federale regering, in persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstigen van de Adviseur-generaal-Gewestelijk directeur van het Centrum KMO Brussel Il, dienst Expertise 2, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3408, Verwerende partij, Vertegenwoordigd door dhr. X, Adviseur,

In deze zaak, in beraad genomen op 17/11/2020, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:

Gelet op:

• de dagvaarding houdende verzet tegen een dwangbevel, betekend aan verweerder op 06/02/2019;

• de beschikking overeenkomstig artikel 747 Ger. W. van 05/04/2019;

• de syntheseconclusies voor verweerder, neergelegd ter griffie op 17/02/2020 (digitaal);

• de syntheseconclusie voor eiser, neergelegd ter griffie op 30/12/2019 (digitaal); en

• de stukken van verweerder, neergelegd ter griffie op 17/02/2020 (digitaal).

In toepassing van art. 748bis Ger. W. wordt enkel rekening gehouden met de laatste besluiten van partijen.

Gezien het akkoord van partijen om de zaak zonder mondelinge pleidooien in beraad te nemen, werden de debatten in de openbare terechtzitting van 17/11/2020 gesloten en werd de zaak in beraad genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15/06/1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

1. De voor huidig geding relevante feiten kunnen als volgt samengevat worden.

Op 03/10/2018 en 11/10/2018 werden er door het Nationaal Centrum Opsporingen, Team Opsporingen Brussel 3 bezoeken ter plaatse verricht op het adres 1030 Schaarbeek, Aarschotstraat 102 in het kader van een geplande opdracht "2018_TRAD_CNR_ELO - Uitbating bar zonder BTW-nummer". Hiervan werd een proces-verbaal opgesteld van 15/10/2018. Op 03/10/2018 werden de diensten ontvangen door een kuisvrouw (mevr. F••••) die verklaarde wekelijks op woensdag 2 u te komen poetsen op de sluitingsdag van de Bar Sunny Beach. Zij werd hiervoor betaald door eiser. Op 11/10/2018 werden de diensten van verweerder ontvangen door een dienster (mevr. D•••••••••-N••••••). Deze wenste niet mee te werken (omdat zij in het verleden al vragen had beantwoord) en verwees naar de 'patron'. Vervolgens werd besloten dat eiser de eigenaar en uitbater is van de Bar Sunny Beach. ·

Op 30/10/2018 werd op basis van deze vaststellingen een tweede proces-verbaal opgesteld, waarin wordt vastgesteld dat eiser op het adres de Bar Sunny Beach uitbaat zonder hiervoor een aangifte van begin activiteit voorzien in artikel 53, §1, 1° van het BTW-wetboek ingediend te hebben. Op grond van artikel 70, §4 van datzelfde wetboek wordt deze overtreding bestraft met een administratieve geldboete van 50,00 tot 5.000,00 EUR, vastgesteld op 500,00 EUR conform het barema voorzien bij Koninklijk Besluit nr. 44 van 09/07/2012. (stuk 1 verweerder)

Dit proces-verbaal werd eiser ter kennis gebracht op 30/10/2018.

Voor dit bedrag werd een dwangbevel met nummer 500/2033/57745 opgesteld op 10/12/2018, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14/12/2018. Dit dwangbevel werd betekend bij aangetekende brief van 11/01/2019.

Middels dagvaarding betekend op 06/02/2019, betwist eiser dit dwangbevel.

ll. VOORWERP VAN DE VORDERING

2. De vordering van eiser strekt er toe:

"Het middels dagvaarding aangetekend verzet van partij A.V.L. ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens het dwangbevel van de BELGISCHE STAAT dd. 11.01.2019 teniet te doen en te zeggen voor recht dat dit geen verdere gevolgen kan hebben.

De BELGISCHE STAAT te veroordelen tot de kosten van huidige procedure, in hoofde van partij A.V.L. heden begroot als volgt:[...]"

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiser.

III. BEOORDELING

III.1. De ontvankelijkheid

3. Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering niet. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. De vordering is ontvankelijk.

III.2. Ten gronde

4.1. In een eerste punt werpt eiser op dat de aanvullende conclusies van verweerder dienen geweerd te worden uit de debatten aangezien deze eiser niet tijdig werden medegedeeld.

Verweerder wijst er op dat eiser een bijkomende termijn om te concluderen werd aangeboden.

4.2. Deze discussie is evenwel achterhaald. Verweerder heeft immers de laatste besluiten neergelegd ter griffie op 17/02/2020 en van deze besluiten wordt de wering niet gevraagd. Bijgevolg is de discussie over eerder neergelegde conclusies niet meer aan de orde.

5.

5.1. Eiser meent (punt C.2 en C.3 laatste besluiten) dat het bewijs niet wordt geleverd dat hij een BTW-plichtige activiteit uitoefent.

In het proces-verbaal van 15/10/2018 worden geen feitelijke elementen aangehaald waarom eiser de betreffende bar zou uitbaten. Er is geen drank, geen materiaal, etc. Eiser verhuurt enkel raamprostitutieruimten en de verklaring van de poetsvrouw heeft enkel betrekking op de gemeenschappelijke delen. De ruimtes worden enkel ter beschikking gesteld via een gewone huurovereenkomst. Dit is niet BTW-plichtig. Mevrouw D•••••••••-N•••••• verwijst ten onrechte naar eiser als 'patron', aangezien hij enkel verhuurder is. Nergens staat het woord 'Bar' vermeld.

Dat hij nadien een aanvraag tot BTW-identificatienummer deed, zou niet relevant zijn. Het dwangbevel is gebaseerd op vernoemd proces-verbaal. Bovendien was de onroerende verhuur voor korte termijn op het moment van de vaststellingen (art. 44, §3, 2°, in fine W.BTW) nog niet te beschouwen als een belastbare activiteit.

Verweerder wijst er op dat eiser zelf op 10/05/2019 een aanvraag tot BTW-identificatie deed voor de BTW onderworpen activiteit uit de verhuur van kamers op korte termijn (stuk 3 verweerder).

In de motivatie opgenomen in het verzet tegen dwangbevel voert eiser aan dat hij "raamprostitutieruimten" verhuurt. Dit is een belastbare activiteit van verhuur van kamers op korte termijn. De activiteit van eiser overschrijdt trouwens de loutere passieve onroerende verhuur, zodat deze BTW-plichtig is. De wijziging ingevoerd vanaf januari 2019 (art. 44, §3, 2°, in fine W.BTW) doet hieraan geen afbreuk.

5.2. Terecht wijst eiser erop dat het feit dat hij op 10/05/2019 (stuk 3 verweerder) een aanvraag tot BTW-identificatie deed met de melding als BTW-plichtige activiteit: "verhuur kamers korte termijn", op zich niet kan beschouwd worden als een erkenning dat hij in 2018 BTW-plichtig was. De betreffende wijziging van art. 44, §3, 2° in fine W.BTW (met name de invoering van uitzondering op de BTW-vrijstelling voor onroerende verhuur voor "de terbeschikkingstelling, voor andere doeleinden dan bewoning, van uit hun aard onroerende goederen, voor een periode van niet meer dan zes maanden. [...]") was in 2018 nog niet van toepassing.

5.3. Terecht wijst verweerder er wel op dat eiser in zijn dagvaarding houdende verzet tegen het dwangbevel zelf aanhaalt dat hij raamprostitutieruimten verhuurt en instaat voor de schoonmaak van de gemeenschappelijke delen.

Verder kan de omvang van de activiteit door verweerder met recht en reden afgeleid worden uit de vaststellingen van het proces-verbaal 15/10/2018. Op de sluitingsdag was immers een poetsvrouw aanwezig en de op 11/10/2018 aanwezige dienster verwees naar eiser als 'patron'. Eiser brengt van zijn eenzijdige beweringen van het tegendeel (dat het kuisen enkel de gemene delen zou betreffen en dat de dienster een huurster zou zijn) niet het minste bewijs bij.

Op basis van de voorliggende gegevens en de vaststellingen van het proces-verbaal blijkt dat de verhuur door eiser de loutere passieve verhuur van een onroerend goed uit zijn aard overschrijdt, vermits deze zich niet beperkt tot het laten gebruiken van het goed gedurende een bepaalde periode (vgl. Brussel 17/11/2017, FJF 2018 (samenvatting), afl. 3, 110).

Of dat er aldus sprake is van een 'bar' in de gebruikelijke betekenis (verschaffen van drank, etc.) is niet relevant. Eiser is reeds te beschouwen als BTW-belastingplichtige op basis van voorgaande gegevens.

Dit middel van eiser is niet gegrond.

6. De vordering van eiser is bijgevolg niet gegrond.

IV. DE KOSTEN

7. De vordering van eiser is niet gegrond. Eiser wordt bijgevolg veroordeeld tot de kosten van het geding.

Verweerder werd niet bijgestaan door een advocaat, zodat geen rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden in hoofde van deze partij.

De zaak betreft een fiscaal geschil zodat in toepassing van art. 279/1 en 162, 4° W.Reg. geen rolrechten verschuldigd zijn (Punt Il Cire. nr. 2019/C/26 van 15/02/2019 betreffende de hervorming van de rolrechten).

Dispositif

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch niet gegrond,

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding en begroot deze kosten als volgt

* in hoofde van verweerder niet verder te begroten; en

* in hoofde van eiser begroot op € 253,21 (dagvaarding, verminderd met de hierna volgende bijdrage) en€ 20,00 (bijdrage begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand),

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 8ste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 15 december 2020.

Waar aanwezig waren en zitting namen:

Ondertekeningen

Les noms de personnes physiques que la version diffusée par le SPF Finances laissait en clair ne sont pas republiés ici : ils sont réduits à leur initiale. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.

Textes cités

2
CTVA art. 443 occurrences
CTVA art. 533 occurrences

Décisions similaires

8