Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Décision anticipée n° 2026.0179 du 21.04.2026
Impôt des sociétés · Scission partielle fiscalement neutre · Motifs économiques valables · Fraude ou évasion fiscale · Articles 11 & 18, §3, ctva · Article 4, § 2, ctva · Unité TVA
Résumé
La scission partielle de la société A qui vise à obtenir une structure plus logique avec des sociétés sœurs exerçant des activités clairement délimitées, répond au prescrit de l’article 183bis du CIR 92 et peut avoir lieu sous le régime de la neutralité fiscale en application de l’article 211, § 1er, du CIR 92.
Les opérations qui auront lieu entre les membres de l’unité TVA, en vertu de l’article 4, § 2, du CTVA, sont considérées comme des opérations internes de l’unité TVA et se situent par conséquent en dehors du champ d’application de la TVA.
Les transactions pour la TVA décrites dans la présente décision doivent dès lors avoir lieu avec application des articles 11 et 18, § 3, du CTVA.
La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te verkrijgen dat:
1.1 de voorgenomen partiële splitsing beantwoordt aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 211, §1, vierde lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB 92) en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking in de zin van artikel 183bis WIB 92 heeft;
1.2 voor de toepassing van de vennootschapsbelasting de boekhoudkundige en fiscale retroactiviteit van de beoogde partiële splitsing zal worden toegestaan;
1.3 de verrichtingen, die plaatsvinden tussen btw-plichtigen, allen lid van de btw-eenheid Z, ingevolge artikel 4, §2 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna W.BTW) worden aangemerkt als interne handelingen binnen de btw-eenheid en bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de btw vallen;
1.4 de partiële splitsing in de nieuw op te richten vennootschappen onder het toepassingsgebied valt van de artikelen 11 en 18, §3 van het W.BTW.
II. Beslissing
II.A. Inzake artikel 211, §1, WIB 92
2. De groep Q is in de afgelopen decennia uitgegroeid tot een vooraanstaande producent van producten P in de Benelux rond drie afzonderlijke productlijnen: P1, P2 en P3. Deze productlijnen verschillen zowel qua producten, doelmarkten en toepassingen als qua productie- en organisatiemodel.
3. Specifiek wat vennootschap A betreft (voor 100% aangehouden door de heer V), zijn deze 3 productlijnen aanwezig binnen de vennootschap. De bedoeling ligt voor om de structuur beter te stroomlijnen om tot een transparantere structuur te komen met een duidelijke afscheiding van de verschillende activiteiten binnen de groep in afzonderlijke vennootschappen. Deze doelstelling zal gerealiseerd worden via een partiële splitsing van vennootschap A naar respectievelijk vennootschappen B, C, D en E, waardoor:
• de onroerende goederen binnen vennootschap A (die allemaal worden aangewend voor de operationele activiteiten en waar geen specifieke schulden op rusten) zullen worden gecentraliseerd binnen vennootschap B, dat op heden reeds fungeert als (onder meer) vastgoedvennootschap binnen de groep;
• de productie- en R&D activiteiten m.b.t. producten P1 worden ondergebracht in vennootschap C;
• de commerciële activiteiten verbonden aan de productlijn P1 worden ondergebracht in vennootschap D;
• de activiteit P3 wordt ondergebracht in vennootschap E;
• vennootschap A zich enkel nog zal dienen toe te leggen op de productlijn P2.
en waardoor effectief een “mooie” structuur wordt bekomen met vijf zustervennootschappen met onderscheiden activiteiten.
4. De aanvragers hebben bevestigd dat de in vorig randnummer beschreven verrichting een met splitsing gelijkgestelde verrichting betreft die beantwoordt aan de definitie van artikel 2, §1, 6°/1, g), 1) WIB 92.
5. De aanvragers hebben aangegeven dat in het kader van de partiële splitsing één werknemer bij vennootschap A tewerkgesteld zal blijven en dat de overige werknemers zullen worden overgedragen rekening houdend met hun functie binnen de groep. Hieruit blijkt dat alle bestaande activiteiten binnen de partieel te splitsen vennootschap bij voortduur zullen worden verdergezet na doorvoering van de partiële splitsingen.
6. De fiscale aspecten van de partiële splitsingen kunnen als volgt worden samengevat:
6.1 de partieel te splitsen vennootschap A en de verkrijgende vennootschap B zijn de laatste jaren winstgevend en beschikken over een belastbare basis. Vennootschap C werd pas recent opgericht;
6.2 geen van de betrokken vennootschappen beschikt over fiscaal overgedragen bestanddelen;
6.3 vennootschappen B en C beschikken niet over vrijgestelde reserves waarvoor nog openstaande herbeleggings- of investeringsverplichtingen gelden. De verrichting strekt er dus niet toe om activa van vennootschap A aan te duiden als herbelegging bij deze verkrijgende vennootschappen met het oog op het verkrijgen van een vrijstelling of van een stelsel van gespreide taxatie;
6.4 de aanvragers bevestigen dat er, met uitzondering van de geplande schenking van 10% van de aandelen van vennootschap C, geen intentie bestaat om de aandelen van vennootschap A, B, C, D en E te vervreemden na doorvoering van de partiële splitsing.
7. De aanvragers hebben bevestigd dat de bepalingen van artikel 213 WIB 92 zullen worden nageleefd naar aanleiding van de partiële splitsing. Dit blijkt ook uit het overgemaakte ontwerp van de splitsingsstaat.
8. Op basis van de door de aanvragers verstrekte inlichtingen en de door de DVB gemaakte analyse kan worden aangenomen dat de partiële splitsing van vennootschap A plaatsvindt op basis van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis, WIB 92.
9. De verkrijgende vennootschappen zijn binnenlandse vennootschappen.
10. Derhalve kan worden besloten dat de partiële splitsing van vennootschap A belastingneutraal kan plaatsvinden in toepassing van artikel 211, §1, WIB 92.
II.B. Inzake de boekhoudkundige retroactiviteit op het vlak van de vennootschapsbelasting
11. De terugwerkende kracht van een vennootschapsakte is in de regel niet tegenstelbaar aan de Administratie. Van dit beginsel mag inzonderheid t.a.v. voormeld boekhoudkundig retroactiviteitsbeding slechts worden afgeweken wanneer de bedoelde retroactiviteitsclausule:
11.1 met de werkelijkheid overeenstemt en betrekking heeft op een korte periode: in dit verband kan een boekhoudkundige retroactiviteitsclausule van meer dan zeven maanden, in normale omstandigheden niet als een korte periode worden aangemerkt;
11.2 en een juiste toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat.
12. De aanvragers geven aan dat de partiële splitsing van vennootschap A zal worden doorgevoerd met een maximale boekhoudkundige retroactiviteitstermijn van 7 maanden. Er kan ook nog op gewezen worden dat het boekjaar van vennootschap B voorafgaand aan de partiële splitsing zal worden verlengd waardoor de retroactiviteitsperiode niet over de afsluitdatum van de respectievelijke vennootschappen heen loopt.
13. In het kader van de in randnummer 11.2 gestelde voorwaarde wordt inzonderheid gewezen op het feit dat de fiscale nettowaarden kunnen worden gemanipuleerd met het oog op een maximale overdracht van de overgedragen fiscale verliezen of overgedragen DBI-aftrek door deze fiscale nettowaarden op de boekhoudkundige retroactiviteitsdatum (in plaats van op de juridische datum van de verrichting) in aanmerking te nemen (zie dienaangaande randnummer 211/14 van de administratieve commentaar op het WIB 92). In casu beschikken de betrokken vennootschappen evenwel niet over overdragen fiscale verliezen en/of overgedragen DBI-aftrek.
14. Derhalve kan worden besloten dat de boekhoudkundige retroactiviteit op het vlak van de vennootschapsbelasting kan worden aanvaard voor de partiële splitsing van vennootschap A.
II.C. Inzake de partiële splitsing binnen de BTW-eenheid Z, vennootschap B en vennootschap C
15. Het stelsel van de btw-eenheid is geregeld bij artikel 11, eerste lid van de Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 dat aan de lidstaten de mogelijkheid biedt om op hun grondgebied gevestigde personen die in juridisch opzicht onafhankelijk zijn, maar op financieel, economisch en organisatorisch gebied nauw met elkaar zijn verbonden, als één belastingplichtige te beschouwen.
16. Artikel 4, §2 W.BTW vormt de omzetting van artikel 11, eerste lid van de Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006.
17. Artikel 4, §2, W.BTW bepaalt dat de in België gevestigde natuurlijke personen en rechtspersonen die zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch met elkaar verbonden zijn voor de toepassing van de Belgische btw-regels, in welbepaalde gevallen door de Koning bepaald, als één belastingplichtige kunnen worden aangemerkt.
18. De voorwaarden zijn vastgesteld in het Koninklijk Besluit nr. 55, van 9 maart 2007, met betrekking tot de regeling voor belastingplichtigen die een btw-eenheid vormen. In het geval er sprake is van zogenaamd één belastingplichtige vinden de verrichtingen tussen die aangemerkte personen plaats buiten de werkingssfeer van de Belgische btw. Verrichtingen tussen leden van dezelfde btw-eenheid worden gekwalificeerd als een zogenaamde “interne handeling”.
19. De vastgoedactiviteiten die momenteel binnen vennootschap A worden aangehouden zullen afgesplitst en ingebracht worden in vennootschap B. Het betreft het onroerend patrimonium dat wordt aangewend ter ondersteuning van de operationele activiteiten van de groep, inclusief de daaraan verbonden rechten, verplichtingen en passiva.
20. Daarnaast worden de productie- en R&D-activiteiten met betrekking tot producten P1 afgesplitst en ondergebracht in vennootschap C. Deze overdracht omvat alle relevante operationele activa en passiva, waaronder machines en uitrusting, tooling, intellectuele eigendomsrechten, octrooien en octrooiaanvragen, leverancierscontracten alsook het overgrote deel van de voorraden, lopende investeringen en de werknemers die functioneel verbonden zijn aan deze activiteiten.
21. De aanvrager verklaart dat op het ogenblik van de voorgenoemde 2 transacties, vennootschappen A, B en C leden zijn van de btw-eenheid Z.
22. De 2 verrichtingen die zullen plaatsvinden tussen btw-eenheid Z, vennootschap B en vennootschap C, allen lid van de btw-eenheid Z, zullen ingevolge artikel 4, §2 W.BTW worden aangemerkt als interne handelingen binnen de btw-eenheid en bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de btw vallen.
23. De DVB deelt mee dat zij over de voorafgaandelijke oprichting van een btw-eenheid en de daaraan gekoppelde voorwaarden geen uitspraak doet.
II.D. Inzake de artikelen 11 en 18, §3, W.BTW. Partiële splitsing tussen overdrager A en overnemers NewCo (vennootschap D) en NewCo (vennootschap E)
24. Overeenkomstig artikel 11 W.BTW wordt niet als een levering beschouwd, de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten. Artikel 18, §3, W.BTW bevat hetzelfde principe met betrekking tot diensten.
25. Deze artikelen zijn de omzetting in het Belgisch BTW Wetboek van de artikelen 19 en 29 van de Richtlijn 2006/112/CE van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (vroeger artikelen 5, paragraaf 8, en 6, paragraaf 5, van de zesde richtlijn 77/388/CE van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag).
26. In haar arrest van 27 november 2003 – zaak C-497/01, Zita Modes Sarl c. Administration de l’enregistrement et des domaines heeft het Europese Hof van Justitie verduidelijkt dat het begrip “overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap” moet worden uitgelegd dat daaronder valt de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat daaronder niet valt de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten.
De artikelen 11 en 18, §3, W.BTW zijn van toepassing wanneer de overdracht betrekking heeft op een geheel van elementen bestaande uit lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een economische activiteit kan worden verder gezet.
27. Naast het voortzetten van de activiteit is tevens vereist dat de overnemende entiteit op autonome wijze de activiteit kan verderzetten.
28. De commerciële activiteiten verbonden aan de productlijn P1 zullen afgesplitst worden van vennootschap A naar een nieuw op te richten vennootschap, vennootschap D. Vennootschap D zal als limited-risk distributor (LRD) optreden voor de productlijn P1 en instaan voor de distributie en commerciële exploitatie.
29. De activiteit P3 zal door vennootschap A worden ondergebracht in een nieuw op te richten vennootschap E. Vennootschap E zal de volledige P3-productlijn op zich nemen als een full-fledged distributor binnen de nieuwe groepsstructuur.
30. Alle actief- en passiefbestanddelen en andere middelen, met inbegrip van alle personeelsleden en contracten, die rechtstreeks betrekking hebben op de commerciële activiteit P1 zullen ingebracht worden in vennootschap D. De overdracht omvat onder meer de klantenrelaties, handelsvorderingen, commerciële voorraden en de medewerkers die functioneel aan deze activiteit zijn verbonden.
31. Alle actief- en passiefbestanddelen en andere middelen, met inbegrip van alle personeelsleden en contracten, die rechtstreeks betrekking hebben op de activiteit P3 zullen ingebracht worden in vennootschap E. De overdracht omvat onder meer de relevante leveranciers- en klantencontracten, voorraden en medewerkers die aan deze activiteit zijn verbonden.
32. Zowel de overdrager (vennootschap A) als de verkrijgers (vennootschappen D en E) zullen op het ogenblik van de transactie btw-plichtige zijn volgens art 4 §1 W.BTW met recht op aftrek van de btw volgens art 45, §1, W.BTW.
33. Rekening houdend met de aangebrachte elementen in de aanvraag kan worden vastgesteld dat de activiteiten op autonome wijze zullen worden verdergezet.
34. De hierboven beschreven transacties dienen derhalve met toepassing van de artikelen 11 en 18, §3, W.BTW te gebeuren.
35. De onderhavige beslissing is gebaseerd op de elementen zoals deze door de aanvragers vermeld werden. De DVB spreekt zich, ondanks het vermelde in randnummer 6.4 niet uit over de mogelijke toepassing van antimisbruikbepalingen (artikel 183bis of artikel 344, §1, WIB 92, …) ten gevolge van verrichtingen die niet omschreven zijn in deze beslissing, zoals bijvoorbeeld de verkoop van de aandelen van vennootschappen A, B, C, D en E. Bij een latere overdracht van deze aandelen is de onderhavige voorafgaande beslissing niet langer geldig, tenzij de DVB in een avenant aan de beslissing de geldigheid ervan zou bevestigen.
36. De DVB doet met deze beslissing geen uitspraak over de transfer pricing structuur en enige intra-groep transacties die hierop betrekking hebben, daarnaast doet deze beslissing tevens geen uitspraak over de transfer pricing methodologie en de marktconformiteit van de vergoedingen in het kader van de toekomstige transferpricing structuur na de partiële splitsing.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.