Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Décision anticipée n° 2025.0611 du 20.01.2026
Impôts des sociétés · Bénéfice · Art. 49 · Avantage anormal ou bénévole · Anti-abus
TVA · Unité de TVA · Location immobilière
Résumé
Le Collège a décidé que
1. L’acquisition par B des actifs nécessaires à la ligne pilote et la vente ultérieure d’une partie des droits de propriété sur ces actifs à C :
1.1. En l’absence de produit ou de charge comptable (aucun effet dans le compte de résultats), cette transaction ne peut pas non plus donner lieu à une base imposable (bénéfice/perte) dans le chef de B, conformément à l’article 24 du CIR 92 ;
1.2. Ne donne lieu à aucun avantage anormal ou bénévole accordé ou retiré dans le chef de B au sens des dispositions contenues dans les articles 26, 79, 206/3, § 1er du CIR 92 ;
2. La location par B de ses droits de propriété sur les actifs de R&D à A :
2.1. Répond aux conditions prévues à l’article 49 du CIR 92 et est donc considérée comme une charge fiscalement déductible dans le chef de A ;
2.2. Ne donne lieu à aucun avantage anormal ou bénévole accordé ou retiré dans le chef de B ou A au sens des dispositions contenues dans les articles 26, 79, 206/3, § 1er du CIR 92 ;
3. La mise à disposition à titre gratuit des actifs de R&D sous les droits de propriété C par C à A jusqu’au moins #### :
3.1. En l’absence de produit ou de charge comptable (aucun effet dans le compte de résultats), cette transaction ne peut pas donner lieu à une base imposable (bénéfice/perte) dans le chef de A, conformément à l’article 24 du CIR 92 ;
3.2. Ne donne lieu à aucun avantage anormal ou bénévole accordé ou retiré dans le chef de A au sens des dispositions contenues dans les articles 26, 79, 206/3, § 1er du CIR 92 ;
4. Le transfert de propriété (attendu) des droits de propriété C sur les actifs R&D de C à A au plus tôt le #### :
4.1. En l’absence de produit ou de charge comptable (aucun effet dans le compte de résultats), cette transaction ne peut pas donner lieu à une base imposable (bénéfice/perte) dans le chef de A, conformément à l’article 24 du CIR 92 ;
4.2. Ne donne lieu à aucun avantage anormal ou bénévole accordé ou retiré dans le chef de A au sens des dispositions contenues dans les articles 26, 79, 206/3, § 1er du CIR 92 ;
5. A et B ne se placent pas, avec les transactions susmentionnées, ni les transactions susmentionnées dans leur ensemble, en dehors du champ d’application d’une ou plusieurs dispositions du CIR 92, et aucun avantage fiscal contraire à l’objectif ou aux objectifs de ces dispositions n’est prétendu. Dans ce cadre, ils souhaitent également obtenir la confirmation que ces transactions n’ont pas pour but d’obtenir un tel avantage et que le choix de l’ensemble de ces transactions se justifie par des motifs économiques autres que la volonté d’éviter les impôts sur les revenus au sens de l’article 344, § 1er du CIR 92 ;
6. La livraison d’une partie des droits de propriété sur les actifs de R&D de B à C est exemptée de TVA sur la base de l’article 42, § 3, 3° du Code de la TVA, et cette exemption de la vente n’a aucune incidence sur le droit à la déduction de la TVA de B (respectivement l’unité TVA « GROUPE A unité TVA ») en ce qui concerne l’achat des actifs de R&D concernés.
7. La location des actifs au sein de l’unité TVA « GROUPE A unité TVA » est considérée comme une opération interne à l’unité TVA et n’entre pas dans le champ d’application de la TVA.
8. Dans le cas où A et/ou B ne font plus partie de l’unité TVA (« GROUPE A unité TVA ») ou si l’unité TVA (« GROUPE A unité TVA ») cesse d’exister, ils peuvent faire usage de l’option d’imposition prévue à l’article 44, § 3, 2°, d) du Code de la TVA.
9. B bénéficie d’un droit à déduction de la TVA complet (respectivement l’unité TVA belge « GROUPE A unité TVA »), étant donné que A utilise la ligne pilote pour ses activités économiques (imposables) qui donnent droit à la déduction de la TVA.
La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te verkrijgen dat:
Vanuit een Belgisch vennootschapsbelasting-perspectief:
1.1. De verwerving door B van de benodigde activa voor de pilootlijn en de daaropvolgende verkoop van een deel van de eigendomsrechten op deze activa aan C:
1.1.1. Bij afwezigheid van een boekhoudkundige opbrengst of kost (geen effect in de resultatenrekening) deze transactie op grond van artikel 24 WIB92 ook geen belastbare basis (winst/verlies) tot gevolg kan hebben in hoofde van B;
1.1.2. Geen aanleiding geeft tot een verleend of verkregen abnormaal of goedgunstig voordeel in hoofde van B in de zin van de bepalingen vervat in de artikelen 26, 79, 206/3, §1 WIB 92;
1.2. De verhuur door B van haar eigendomsrechten op de activa A:
1.2.1. Voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel 49 WIB 92 en aldus als fiscaal aftrekbare kost kwalificeert in hoofde van A;
1.2.2. Geen aanleiding geeft tot een verleend of verkregen abnormaal of goedgunstig voordeel in hoofde van B of A in de zin van de bepalingen vervat in de artikelen 26, 79, 206/3, §1 WIB92;
1.3. De kosteloze terbeschikkingstelling van de activa onder C eigendomsrechten door C aan A tot minstens ####:
1.3.1. Bij afwezigheid van een boekhoudkundige opbrengst of kost (geen effect in de resultatenrekening) deze transactie op grond van artikel 24 WIB92 geen belastbare basis (winst/verlies) tot gevolg kan hebben in hoofde van A;
1.3.2. Geen aanleiding geeft tot een verleend of verkregen abnormaal of goedgunstig voordeel in hoofde van A in de zin van de bepalingen vervat in de artikelen 26, 79, 206/3, §1 WIB92;
1.4. De (verwachte) eigendomsoverdracht van de C eigendomsrechten op de activa van C naar A ten vroegste op ####:
1.4.1. Bij afwezigheid van een boekhoudkundige opbrengst of kost (geen effect in de resultatenrekening) deze transactie op grond van artikel 24 WIB92 geen belastbare basis (winst/verlies) tot gevolg kan hebben in hoofde van A;
1.4.2. Geen aanleiding geeft tot een verleend of verkregen abnormaal of goedgunstig voordeel in hoofde van A in de zin van de bepalingen vervat in de artikelen 26, 79, 206/3, §1 WIB92.
1.5. A en B zich met bovenstaande transacties, alsook bovenstaande transacties in hun geheel niet buiten het toepassingsgebied van één of meerdere bepalingen van het WIB92 plaatsen, noch aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel dat strijdig is met de doelstelling(en) van die bepalingen. In dit kader wensen zij ook bevestiging te verkrijgen dat deze transacties niet tot doel hebben een dergelijk voordeel te verkrijgen en dat de keuze voor het geheel van deze transacties verantwoord is door economische motieven die losstaan van het ontwijken van inkomstenbelasting in de zin van artikel 344, §1 WIB92;
Vanuit een Belgisch BTW-perspectief:
1.6. De toepassing van de vrijstelling van btw overeenkomstig artikel 42, §3, 3° van het Belgische Btw-Wetboek (artikel 151, 1, aa) van de EU-BTW-Richtlijn 2006/112/EG11) voor de levering van een deel van de eigendomsrechten op de activa aan C. Deze verkoop heeft geen invloed op het recht op aftrek van btw van B (resp. de btw-eenheid “A GROEP BTW eenheid”) met betrekking tot de aankoop van de betrokken activa;
1.7. Het feit dat de verhuur tussen de belastingplichtigen binnen de “A GROEP BTW eenheid” volgens artikel 4, § 2 van het Btw-Wetboek wordt aangemerkt als een interne handeling binnen de btw-eenheid en bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de btw valt;
1.8. Het feit dat als A en/of B niet langer deel zou uitmaken van de “A GROEP BTW eenheid” of de btw-eenheid “A GROEP BTW eenheid” stopt te bestaan, A en B gebruik kunnen maken van de optie tot belastingheffing voorzien in artikel 44, §3, 2°, d) van het btw-wetboek;
1.9. Het feit dat B een volledig recht op aftrek van btw heeft (respectievelijk de Belgische btw-eenheid “A GROEP BTW eenheid”) aangezien A de pilootlijn gebruikt voor haar economische (belastbare) activiteiten die een recht op aftrek van btw verlenen
II. Beslissing
2. De aanvragers hebben in de aanvraag de voorwaarden vervat in de artikelen 21 en 22 van de voormelde wet van 24 december 2002 nageleefd.
3. De aanvragers zijn A en B, twee entiteiten die zullen instaan voor de uitrol van de pilootlijn.
4. Onderhavige vraag heeft betrekking op de fiscale gevolgen van de (intragroep-) transacties en verrichtingen in het kader van de uitrol van de pilootlijn, m.n.:
4.1. De verwerving van de activa;
4.2. Gebruik van de activa tot minstens ####;
4.3. Gebruik van de activa na ten vroegste ####.
5. Vragen III.A tot en met III.D hebben betrekking op vragen inzake de Vennootschapsbelasting en vragen III.E tot en met III.H hebben betrekking op Belasting over Toegevoegde Waarde.
6. Het toepassingsgebied van de registratierechten werd niet geanalyseerd noch beoordeeld door de Dienst Voorafgaande Beslissingen.
II.A. Geen belastbare winst
7. De aanvragers wensen de bevestiging te verkrijgen dat, bij afwezigheid van een boekhoudkundige opbrengst of kost (geen effect in de resultatenrekening) de beschreven transacties geen belastbare basis (winst/verlies) tot gevolg kunnen hebben - in het kader van de Belgische vennootschapsbelasting. Dit onder voorbehoud dat de beschreven transacties niet onder één van de afwijkende bepalingen vallen, zoals die zijn voorzien in de Belgische vennootschapsbelasting wetgeving.
Wettelijk kader
8. Het WIB92 voorziet sinds 2019 (1) expliciet in een doorwerking van het (Belgisch) boekhoudrecht als basis voor de bepaling van de belastbare basis in de Belgische vennootschapsbelasting.
[(1) Artikel 5 Wet van 17 maart 2019 tot aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen, BS 10 mei 2019, 45450.]
9. Met name stelt artikel 24, derde lid, WIB92 sinds de aanpassing in 2019 het volgende:
"De belastbare winst wordt, onder voorbehoud van de afwijkende bepalingen in dit Wetboek, in de bijzondere wetsbepalingen met betrekking tot de inkomstenbelastingen en in de tot uitvoering ervan genomen besluiten, vastgesteld overeenkomstig de Belgische wetgeving met betrekking tot de boekhoudkundige verplichtingen van ondernemingen."
10. Op grond van artikel 24, derde lid, WIB 92, wordt de belastbare winst dus in principe vastgesteld in lijn met de Belgische boekhoudkundige regels, tenzij er afwijkende bepalingen in de Belgische vennootschapsbelasting van toepassing zijn die in een specifieke afwijking voorzien.
11. Waar de boekhoudkundige verwerking van transacties in lijn wordt geacht te zijn met de Belgische boekhoudkundige regels en de boekhoudkundige behandeling geen aanleiding geeft tot een erkenning van een boekhoudkundige opbrengst/kost, is er in principe ook geen opbrengst/kost die de belastbare basis in de vennootschapsbelasting impacteert.
12. Bij afwezigheid van een boekhoudkundige opbrengst of kost, zijn de "Belgische verrekenprijsbepalingen" (artikel 26, 79 en 206/3 WIB 92) de enige afwijkende bepalingen in de Belgische vennootschapsbelasting die de Belgische belastbare winst/basis in casu kunnen impacteren.
Toepassing in casu
13. De volgende transacties hebben geen erkenning van boekhoudkundige opbrengst of kost tot gevolg:
13.1. De verwerving door B van de benodigde activa voor de pilootlijn, de daaropvolgende verkoop van een deel van de eigendomsrechten op deze activa aan C.
13.2. De kosteloze terbeschikkingstelling van de activa onder C eigendomsrechten door C aan A tot minstens ####.
13.3. De (verwachte) overdracht van de C eigendomsrechten m.b.t. de activa door C naar A ten vroegste op ####.
Conclusie
14. Op basis van het bovenstaande kan besloten worden dat, door de uitwerking van artikel 24, derde lid WIB 92 deze transacties niet tot een erkenning van belastbare winst/basis leiden, onder voorbehoud dat deze transacties niet onder het toepassingsgebied van de Belgische verrekenprijsbepalingen (artikel 26, 79, 206/3 WIB92) vallen.
II.B. Inzake de aftrekbaarheid van de beroepskosten
15. De aanvragers wensen de bevestiging te verkrijgen dat de betalingen die A verricht voor de huur van de eigendomsrechten van B op de activa voldoen aan de voorwaarden voorzien in artikel 49 WIB92 en aldus als fiscaal aftrekbare kost kwalificeren in hoofde van A.
Wettelijk kader
16. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 49 WIB92 zijn als beroepskosten aftrekbaar, de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden én waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken […] Als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen worden beschouwd, de kosten die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt.
17. Opdat kosten fiscaal in mindering kunnen worden gebracht als beroepskost dienen de kosten in principe cumulatief te voldoen aan volgende voorwaarden:
17.1. Annualiteitsvoorwaarde: de kosten zijn tijdens het desbetreffende boekjaar gedragen.
De kosten dienen als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen te worden beschouwd. De kosten dienen te worden beschouwd als tijdens het belastbaar tijdperk gedaan of gedragen indien de kosten (i) in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of (ii) het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt.
17.2. Finaliteitsvoorwaarde: de kosten zijn opgelopen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Kosten zijn slechts aftrekbaar voor zover ze een noodzakelijk verband vertonen met de door de belastingplichtige uitgeoefende beroepsactiviteiten, die op hun beurt verenigbaar moeten zijn met het verkrijgen of behouden van (belastbare) inkomsten. Om aftrekbaar te zijn, dienen de kosten er niet op gericht te zijn inkomsten binnen hetzelfde belastbaar tijdperk te verkrijgen of behouden; evenmin is het noodzakelijk dat de verrichting zelf door haar specifieke aard opbrengsten genereert. Het is niet vereist dat de gemaakte kosten nog tijdens datzelfde tijdperk aanleiding geven tot belastbare inkomsten. (2)
[(2) Cass. 22 december 1964, Pas., 1965, 1,41; Cass. 17 December 1970, Arr.Cass. 1971, 397; Brussel 6 Januari 1997, FJF nr. 97/161, waarbij interesten voor de financiering van een beroepsinvestering worden aangenomen ondanks het feit dat deze niet onmiddellijk inkomsten opleveren; Cass. 3 december 2004 Fiscoloog nr. 971, p. 9.]
17.3. Echtheidsvoorwaarde: onderliggende documentatie wat betreft het bestaan en het bedrag van de kosten dient beschikbaar te zijn.
Toepassing in casu
18. De belastingplichtigen zijn van oordeel dat de betalingen die A verricht voor de huur van de eigendomsrechten van B op de activa voldoen aan de voorwaarden voorzien in artikel 49 WIB92 - en aldus als fiscaal aftrekbare kost kwalificeert in hoofde van A - op basis van volgende elementen:
19. Annualiteitsvoorwaarde: de huurbetalingen worden door A gedragen en geboekt in het jaar waarin ze verschuldigd zijn aan B op grond van de huurovereenkomst en de gerelateerde facturen en kunnen bijgevolg worden beschouwd als zeker en vaststaand.
20. Finaliteitsvoorwaarde: het doel van de voorgenomen transactie (huur) bestaat erin A in staat te stellen haar operationele verantwoordelijkheden uit te voeren en een succesvolle realisatie van de pilootlijn te garanderen. De gemaakte kosten in hoofde van A geven haar de mogelijkheid om intellectuele eigendom met betrekking tot de pilootlijn te ontwikkelen en dit met de intentie om hieruit inkomsten te genereren. Aldus kunnen de huurbetalingen in hoofde van A worden beschouwd als kosten gemaakt of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, in lijn met de finaliteitsvoorwaarde.
21. Echtheidsvoorwaarde: het bestaan en het bedrag van de huurkosten vloeit voort uit de huurovereenkomst tussen A en B. Daarnaast zal de echtheid ook kunnen worden aangetoond door middel van bv. de huurfacturen, bankuittreksels m.b.t. de betalingen.
Conclusie
22. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de huur betaald of gedragen door A voor de activa kwalificeren als fiscaal aftrekbare kosten overeenkomstig artikel 49 WIB92.
II.C. Geen abnormaal of goedgunstig voordeel
23. De aanvragers wensen eveneens de bevestiging te verkrijgen dat artikelen 26, 79, 206/3 §1 WIB92 (‘Belgische verrekenprijsbepalingen’) niet van toepassing zijn op volgende transacties:
23.1. De verwerving door B van de benodigde activa voor de pilootlijn de daaropvolgende verkoop van een deel van de eigendomsrechten op deze activa aan C;
23.2. De verhuur door B van de activa aan A;
23.3. De kosteloze terbeschikkingstelling van de activa door C aan A tot minstens ####;
23.4. De (verwachte) eigendomsoverdracht van de activa van C naar A ten vroegste op ####.
Wettelijk kader
24. Artikel 26 WIB92 stelt:
"Wanneer een in België gevestigde onderneming abnormale of goedgunstige voordelen verleent, worden die voordelen, [onverminderd de toepassing van artikel 49 en onder voorbehoud] van het bepaalde in artikel 54, bij haar eigen winst gevoegd, tenzij die voordelen in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger.
Niettegenstaande de in het eerste lid vermelde beperking worden de abnormale of goedgunstige voordelen bij de eigen winst gevoegd wanneer die voordelen worden verleend aan:
1° een in artikel 227 vermelde belastingplichtige ten aanzien waarvan de in België gevestigde onderneming zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt;
2° een in artikel 227 vermelde belastingplichtige of aan een buitenlandse inrichting die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waar zij gevestigd zijn, aldaar niet aan een inkomstenbelasting zijn onderworpen of aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling zijn onderworpen dan die waaraan de in België gevestigde onderneming is onderworpen;
3° een in artikel 227 vermelde belastingplichtige die belangen gemeen heeft met de in 10 of 20 vermelde belastingplichtige of inrichting."
25. Artikel 79 WIB92 stelt:
"Beroepsverliezen worden niet afgetrokken van het gedeelte van de winst of de baten dat voortkomt uit abnormale of goedgunstige voordelen die de belastingplichtige, in welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen uit een onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt."
26. Artikel 206/3, §1 WIB 92 stelt:
"Van het resultaat dat overeenkomstig artikel 206/2 is vastgesteld, worden de bestanddelen afgetrokken waarop geen van de in de artikelen 199 tot 206, 536 en 543 bepaalde aftrekken, noch compensatie met het verlies van het belastbare tijdperk, mag worden verricht:
het gedeelte van het resultaat dat voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen bedoeld in artikel 79;
[…]’
27. Overeenkomstig de samenlezing van de artikelen 79 en 206/3, §1 WIB 92, is het niet toegestaan om fiscale verliezen van vorige boekjaren of het verlies van het belastbare tijdperk af te trekken van het gedeelte van het resultaat dat voortvloeit uit abnormale of goedgunstige voordelen die de belastingplichtige, op welke wijze ook, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen van een onderneming waarmee zij in een band van wederzijdse afhankelijkheid staat.
28. Artikel 26 WIB 92 daarentegen viseert abnormale of goedgunstige voordelen die door de belastingplichtige worden toegekend. Deze toegekende voordelen moeten worden toegevoegd aan de belastbare basis van de belastingplichtige. In tegenstelling tot de regeling voor verkregen voordelen, laat de wet in principe wel toe dat op deze voordelen die toegevoegd werden aan de belastbare basis een aftrek van fiscale verliezen of een compensatie met het verlies van het belastbare tijdperk wordt toegepast.
29. Voor de toepassing van de artikelen 26, 79 en 206/3 §1 WIB92 is vereist dat er sprake is van een voordeel dat door een Belgische vennootschap wordt ontvangen of toegekend. De bepaling van artikel 26, eerste lid, WIB92 is in principe echter niet van toepassing wanneer de verkrijger van het abnormale of goedgunstige voordeel (toegekend door een binnenlandse vennootschap) zelf ook een binnenlandse vennootschap is (dat wil zeggen een belastingplichtige die onderworpen is aan de Belgische vennootschapsbelasting). Dit laat echter de toepassing van de artikelen 79 en 206/3, §1 WIB92 op diezelfde rechtspersoon onverlet. (3)
[(3) Corn. IB 92, nr. 26/14; M./ nr 302, 9.3.1993, Sen. Cooreman, Bull. 729, blz. 1904.]
30. Een voordeel wordt geacht aanwezig te zijn wanneer er sprake is van een verrijking in de vorm van een winstverschuiving ten gunste van de verkrijger, zonder dat daar een gelijkwaardige (d.w.z. adequate en effectieve) tegenprestatie tegenover staat.
31. Daarnaast moet worden beoordeeld of het voordeel als "abnormaal" of "goedgunstig" kan worden gekwalificeerd.
31.1. Een voordeel wordt als abnormaal beschouwd wanneer het strijdig is met de normale gang van zaken of met de gevestigde gebruiken. (4)
[(4) Cass., 3 december 1982, Bull.Bel., 1985, nr. 635, 76; Gent, 29 april 1999, A.F.T., 1999, 315.]
31.2. Een goedgunstig voordeel betreft een voordeel dat wordt toegekend om niet, zonder enige verplichting of tegenprestatie, met andere woorden: buiten de uitvoering van een verbintenis. (5)
[(5) Zie o.a. Parl.St. Kamer, BZ 1991-92, nr. 444/9, 107; Cass. 4 december 2020, F.19.0043; Cass. 31 oktober 1979, Bull.Bel. 1980, 2356; Antwerpen 10 mei 1994, AFT 1994, 292; Gent 9 april 2019, rolnr. 2018/AR/21; Rb. Luik 11 september 2017, nr. 16/1170/A; zie ook Com.IB 1992, art. 26/16.]
32. Het abnormale of goedgunstige karakter van de transacties moet in principe worden geanalyseerd en beoordeeld, rekening houdend met wat in een identieke of soortgelijke situatie gebruikelijk is.
33. Bij deze beoordeling dienen de economische omstandigheden van het ogenblik, rekening houdend met de respectievelijke situatie van de partijen alsook de feitelijke elementen van de zaak (m.a.w. analyse in concreto), in acht genomen te worden. In dit verband stelde het Hof van Cassatie (6) dat, bij de beoordeling of de voordelen die een belastingplichtige geniet "abnormaal of goedgunstig zijn", moet worden nagegaan of de bedoelde voordelen onder abnormale omstandigheden werden verkregen in het raam van verrichtingen die niet op grond van economische doelstellingen - maar enkel op grond van fiscale oogmerken - kunnen worden verklaard.
[(6) Cass., 31 oktober 1979, Arr. Cass., 1979-80, p.278 en Cass., 3 december 1982, Bull.Bel., 1985, nr. 635, 76; Gent, 29 april 1999, A.F.T., 1999, 315.]
34. Abnormale of goedgunstige voordelen kunnen in principe slechts worden verleend aan, of verkregen worden door, ondernemingen die zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een band van wederzijdse afhankelijkheid bevinden.
35. Volgens artikel I.1,1°,§1 WER wordt een onderneming gedefinieerd als een "natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, een rechtspersoon, of een andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid".
36. Uit het commentaar op het WIB 92 blijkt dat wederzijdse afhankelijkheid bestaat als een niet-Belgische onderneming directe controle heeft over Belgische ondernemingen en vice versa, of als Belgische en buitenlandse ondernemingen door (minstens) een derde worden gecontroleerd of deel uitmaken van dezelfde groep. (7)
[(7) Comm. WIB 92 nr. 26/36.]
37. Het Belgische Hof van Cassatie heeft verduidelijkt dat feitelijke wederzijdse afhankelijkheid volstaat, zonder dat juridische of economische controle nodig is. Dit kan voortvloeien uit aanhoudende overeenstemmende belangen en het vermogen om elkaars beslissingen te beïnvloeden. (8)
[(8) Cass. (le k.) AR F.21.0038.N, 6 januari 2023 (KODIAC bv/BELGISCHE STAAT) (rolnr : F.21.0038.N).]
Toepassing in casu
38. De aanvragers zijn van mening dat, hoewel er wel een band van wederzijdse (technische) afhankelijkheid bestaat tussen de belastingplichtigen, er geen band van wederzijdse afhankelijkheid is van de belastingplichtigen ten aanzien van C, zoals beoogd onder artikel 26 WIB92.
39. De belastingplichtigen onderling bevinden zich in een relatie van wederzijdse (technische) afhankelijkheid, maken ook deel uit van dezelfde btw-eenheid en kwalificeren als een onderneming volgens het WER.
40. C daarentegen maakt geen deel uit van dezelfde btw-eenheid als de belastingplichtigen. Daarnaast hebben de belastingplichtigen ook geen belang in C en kwalificeert C niet als een onderneming zoals gedefinieerd in het WER. Zoals eerder aangehaald' valt C onder de uitzondering in artikel 1.1,1°, tweede alinea WER: "elke publiekrechtelijke rechtspersoon die geen goederen of diensten op een markt aanbiedt; ...". C kwalificeert aldus niet als een onderneming.
41. Zelfs indien C zou kwalificeren als een onderneming staan de belastingplichtigen ten aanzien van C niet onder gemeenschappelijke controle en heeft C geen aanhoudend zeggenschap over het bestuur of management van A of B.
42. C heeft in die zin geen belang in de belastingplichtigen of omgekeerd. Er is dan ook geen band van wederzijdse afhankelijkheid tussen C en de belastingplichtigen.
43. Bij de beoordeling van het abnormale of goedgunstige karakter van transacties dient rekening worden gehouden met de economische omstandigheden op het moment van de transactie(s), evenals met de feitelijke elementen van de zaak.
44. In het kader van de voorgenomen set-up en de beschreven transacties kunnen de meest relevante omstandigheden worden samengevat als volgt:
44.1. De voorgenomen samenwerking en transacties sluiten, na extensief overleg en uitgebreide onderhandelingen tussen de betrokken partijen, volledig aan bij de doelstellingen van de E en dienen het gezamenlijke belang van alle betrokkenen in het kader van het succes van de pilootlijn. De oprichting van de pilootlijn is gericht op het stimuleren van economische groei en technologische innovatie binnen de EU.
44.2. Het strategische belang van de pilootlijn voor de Europese Unie, en de daarmee samenhangende noodzaak tot duurzame verankering van de door de EU gefinancierde infrastructuur binnen de EU, vereisten dat de set-up en de contractuele afspraken afgestemd werden op dit bredere belang, rekening houdend met het belang van elk van de individuele partijen. Deze overeenkomst waarborgt dat de door de EU gefinancierde infrastructuur op duurzame wijze wordt geïntegreerd in de Europese economie. Dit draagt niet alleen bij aan economische stabiliteit, maar versterkt ook de bescherming van de geopolitieke belangen van de EU.
44.3. Het principe van de vereiste cofinanciering opgelegd door de EU en de financieringsmethode heeft aanleiding gegeven tot de huurovereenkomst die is afgesloten tussen A en B. Via deze huurovereenkomst realiseert B een rendement op de verhuurde activa. Dit rendement wordt geacht marktconform te zijn en stemt overeen met het rendement dat de X in dergelijke contexten als aanvaardbaar beschouwt.
45. Bovengenoemde elementen alsook de onderhandelde afspraken en contractuele overeenkomsten dienen in acht genomen te worden genomen bij de beoordeling van de voorgenomen transacties in het licht van artikel 26, 79 en 206/3 WIB 92 en met name of de voorgenomen transacties geacht worden aanleiding te geven tot een toegekend/verkregen abnormaal of goedgunstig voordeel in hoofde van A en B.
Evaluatie per transactie
46. De verwerving door B van de benodigde activa voor de pilootlijn en de daaropvolgende verkoop van een deel van de eigendomsrechten op deze activa aan C:
Volgens de aanvragers kan deze transactie niet worden beschouwd als een transactie waarbij een abnormaal of goedgunstig voordeel is toegekend/verkregen door B, op basis van volgende elementen:
46.1. De transactie kadert in het opzetten van de pilootlijn, waarbij tussen de betrokken partijen werd overeengekomen dat B zou instaan voor de verwerving van de benodigde activa. De daaropvolgende verkoop van een deel van de eigendomsrechten op deze activa aan C vormt een onderdeel van de voorwaarden die door de EU zijn opgelegd om de duurzame verankering van deze activa binnen Europa te waarborgen.
46.2. Gelet op de hierboven geschetste omstandigheden, kan niet worden gesteld dat B een abnormaal of goedgunstig voordeel toekent aan C door het respectieve deel van een deel van de eigendomsrechten op de activa (met name de activa onder C eigendomsrechten) aan C over te dragen zonder daarbij een netto-opbrengst te realiseren.
46.3. De overdracht van eigendomsrechten gebeurt op basis van de voorwaarden die een reflectie zijn van de economische realiteit en de afspraken binnen het door de EU goedgekeurde samenwerkingskader. Gezien de strategische waarde van deelname aan de pilootlijn, mag worden aangenomen dat andere partijen, indien zij door de EU waren geselecteerd voor deelname, gelijkaardige afspraken zouden hebben gemaakt met de EU en C.
46.4. De transactie is geenszins fiscaal gemotiveerd, maar kadert in een ruimer economisch en industrieel beleid van de EU, gericht op het versterken van de strategische autonomie. De gehanteerde structuur vloeit voort uit Europese regelgeving en de financieringsmodaliteiten van X. Deze transactie is noodzakelijk voor de realisatie van de pilootlijn en kan dan ook niet worden beschouwd als een transactie die aanleiding geeft tot een toegekend of verkregen abnormaal of goedgunstig voordeel in hoofde van B.
46.5. Ten slotte kan worden gesteld dat deze transactie in principe buiten het toepassingsgebied van de artikelen 26, 79 en 206/3, §1 WIB92 valt, aangezien er geen sprake is van een band van wederzijdse afhankelijkheid tussen B en C.
47. De verhuur door B van de activa aan A:
Volgens de aanvragers kan de voorgenomen transactie ook niet worden beschouwd als een transactie waarbij B een abnormaal of goedgunstig voordeel zou toekennen/verkrijgen of dat A een abnormaal of goedgunstig voordeel zou toekennen/verkrijgen, met name omdat:
47.1. De transactie is ingegeven door legitieme economische doelstellingen, met name het operationeel maken van de pilootlijn in overeenstemming met de voorwaarden van het project. Daarbij wordt rekening gehouden met zowel de vereisten verbonden aan de Europese financiering als met de financieringsstructuur voorzien door de X. De verhuur van de infrastructuur aan A is noodzakelijk om de onderzoeksactiviteiten effectief te kunnen uitvoeren en vormt een essentieel onderdeel van de praktische implementatie van het project. Deze transactie kadert in een bredere publiek-private samenwerking die gericht is op het bevorderen van technologische innovatie en het versterken van de strategische autonomie van de EU.
47.2. De overeengekomen vergoeding vormt een gelijkwaardige en adequate tegenprestatie voor het gebruik van de activa, in lijn met de contractuele bepalingen die het resultaat zijn van onderhandelingen tussen de betrokken partijen. Het in de huurovereenkomst vastgelegde percentage is afgestemd op het rendement dat B dient te realiseren ten aanzien van X, als tegenprestatie voor de ontvangen kapitaalinbreng. Dit rendement bedraagt #%, en de overeengekomen huurprijs is marktconform — een beoordeling die ook bevestigd werd door de X. Op basis van de beschikbare documentatie kan worden geconcludeerd dat de overeengekomen vergoeding marktconform is en in essentie overeenstemt met wat onder normale marktvoorwaarden gebruikelijk is.
47.3. De transactie is geenszins fiscaal gemotiveerd, maar kadert binnen een ruimer economisch en industrieel beleid van de Europese Unie, dat gericht is op het versterken van de strategische autonomie. De gehanteerde structuur vloeit voort uit Europese regelgeving en de financieringsmodaliteiten voorzien door de X. Deze transactie is essentieel voor de realisatie van de pilootlijn en kan dan ook niet worden gekwalificeerd als het toekennen of verkrijgen van een abnormaal of goedgunstig voordeel.
47.4. Gelet op deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat A of B een abnormaal of goedgunstig voordeel verleent of verkrijgt in het kader van de huurovereenkomst tussen beide partijen.
48. De kosteloze terbeschikkingstelling door C van de activa aan A, voor een periode tot minstens ####.
Volgens de aanvragers kan de voorgenomen transactie niet worden beschouwd als een transactie waarbij een abnormaal of goedgunstig voordeel is verkregen/verleend door A, met name omdat:
48.1. De transactie kadert in het opzetten van de pilootlijn waarbij het door de partijen werd overeengekomen dat A, als hostingentiteit, dient in te staan voor de ontwikkeling en exploitatie.
48.2. In het kader van de door de EU opgelegde vereisten inzake de duurzame verankering van activa binnen de Europese Unie, heeft C de eigendomsrechten op de betrokken activa verworven van B. Deze activa worden vervolgens kosteloos ter beschikking gesteld aan A als hostingentiteit. Dit in tegenstelling tot het alternatieve scenario waarbij C de middelen rechtstreeks aan A zou toekennen voor de aankoop van de activa, wat niet zou voldoen aan de EU-vereisten inzake verankering.
48.3. De kosteloze terbeschikkingstelling van de activa is inherent aan de doelstellingen van C en de voorwaarden verbonden aan het gebruik van Europese middelen. De transactie is economisch verantwoord en maakt integraal deel uit van de overeengekomen structuur. A werd, na het doorlopen van objectieve selectieprocedures, aangeduid als hostingentiteit. Indien een andere entiteit binnen de EU was geselecteerd, zou C in principe op gelijkaardige wijze de activa kosteloos ter beschikking hebben gesteld. Er is dus geen sprake van een afwijking van normale marktpraktijken.
48.4. Bovendien rust op A de verplichting om, als tegenprestatie voor de kosteloze terbeschikkingstelling, de pilootlijn te ontwikkelen en uit te bouwen. Hoewel C geen monetaire vergoeding ontvangt, levert A een (in)directe tegenprestatie door uitvoering te geven aan de doelstellingen van C, met name de realisatie van een strategisch belangrijke onderzoeksinfrastructuur.
48.5. De transactie is geenszins fiscaal gemotiveerd, maar kadert in een breder economisch en industrieel beleid van de EU, gericht op het versterken van de strategische autonomie. De gehanteerde structuur is opgelegd door Europese regelgeving en sluit aan bij de financieringsmodaliteiten voorzien door X. De transactie is noodzakelijk voor de uitvoering van het project en kan dan ook niet worden beschouwd als het toekennen of verkrijgen van een abnormaal of goedgunstig voordeel.
48.6. Onder deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat A een abnormaal of goedgunstig voordeel verkrijgt van C naar aanleiding van de kosteloze terbeschikkingstelling van de activa.
48.7. Ten slotte kan worden gesteld dat deze transactie in principe buiten het toepassingsgebied valt van de artikelen 26, 79 en 206/3, §1 VVIB 92, aangezien er geen sprake is van een band van wederzijdse afhankelijkheid tussen A en C.
49. De verwachte eigendomsoverdracht van de activa van C naar A, ten vroegste op ####.
Deze voorgenomen transactie kan volgens de aanvragers niet worden beschouwd als een transactie waarbij een abnormaal of goedgunstig voordeel is verkregen door A, met name omdat:
49.1. De transactie kadert in de oprichting van de pilootlijn, waarbij tussen de betrokken partijen werd overeengekomen dat A, als hostingentiteit, verantwoordelijk is voor de ontwikkeling en exploitatie van deze infrastructuur.
49.2. In het kader van de door de EU opgelegde vereisten inzake de duurzame verankering van de activa binnen de Europese Unie, heeft C de eigendomsrechten op de betrokken activa verworven van B. Deze activa worden vervolgens kosteloos ter beschikking gesteld aan A als hostingentiteit. Dit in tegenstelling tot het alternatieve scenario waarbij C de middelen rechtstreeks aan A zou toekennen voor de aankoop van de activa, wat niet zou voldoen aan de EU-vereisten inzake verankering.
49.3. De (mogelijke) kosteloze eigendomsoverdracht van de activa is inherent aan de doelstellingen van C en aan de voorwaarden verbonden aan het gebruik van Europese middelen. De transactie is economisch verantwoord en maakt integraal deel uit van de overeengekomen structuur. A werd, na het doorlopen van objectieve selectieprocedures, aangeduid als hostingentiteit. Indien een andere entiteit binnen de EU was geselecteerd, zou C in principe op gelijkaardige wijze de eigendomsrechten op deze activa kosteloos overgedragen hebben. Er is dus geen sprake van een afwijking van normale marktpraktijken.
49.4. Bovendien rust op A de verplichting om, als tegenprestatie voor de (mogelijke) kosteloze eigendomsoverdracht, de pilootlijn te ontwikkelen en uit te bouwen. Hoewel C geen monetaire vergoeding ontvangt, levert A een (in)directe tegenprestatie door uitvoering te geven aan de doelstellingen van C, met name de realisatie van een strategisch belangrijke onderzoeksinfrastructuur.
49.5. De transactie is geenszins fiscaal gemotiveerd, maar kadert binnen een ruimer economisch en industrieel beleid van de Europese Unie, gericht op het versterken van de strategische autonomie. De gehanteerde structuur is opgelegd door Europese regelgeving en sluit aan bij de financieringsmodaliteiten voorzien door X. De transactie is noodzakelijk voor de uitvoering van het project en kan dan ook niet worden beschouwd als het toekennen of verkrijgen van een abnormaal of goedgunstig voordeel.
49.6. Onder deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat A een abnormaal of goedgunstig voordeel verkrijgt van C naar aanleiding van de kosteloze eigendomsoverdracht van de activa.
49.7. Ten slotte kan gesteld worden dat deze transactie in principe buiten het toepassingsgebied valt van de artikelen 26, 79 en 206/3, §1 WIB 92, aangezien er geen sprake is van een band van wederzijdse afhankelijkheid tussen A en C.
Conclusie
50. Op basis van het voorgaande kan gesteld worden dat de voorgenomen transacties, zoals hierboven beschreven, geen aanleiding geven tot het toekennen of verkrijgen van een abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van de artikelen 26, 79 en 206/3, §1 WIB92, in hoofde van A en B.
II.D. Geen fiscaal misbruik
51. De aanvragers wensen de bevestiging te verkrijgen dat volgende verrichtingen alsook het geheel van de verrichtingen niet kan aangemerkt worden als fiscaal misbruik in de zin van artikel 344,§1 WIB92:
51.1. De verwerving door B van de benodigde activa voor de pilootlijn en de daaropvolgende verkoop van een deel van de eigendomsrechten op deze activa aan C;
51.2. De verhuur door B van de activa aan A;
51.3. De kosteloze terbeschikkingstelling van de activa door C aan A tot minstens ####; en
51.4. De (verwachte) eigendomsoverdracht van de activa van C naar A ten vroegste op ####.
Wettelijk kader
52. Artikel 344, §1 WIB 92 voorziet in de Belgische algemene misbruikbepaling en stelt het volgende:
§ 1 Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of andere in artikel 340 bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik. Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of
2° een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van inkomstenbelastingen.
Indien de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
53. De programmawet van 29 maart 2012 (9) introduceerde de (nieuwe) Belgische binnenlandse algemene antimisbruikregel in artikel 344, §1 WIB92. Deze wettelijke antimisbruikbepaling heeft het concept van "fiscaal misbruik" in het Belgische belastingrecht geïntroduceerd.
[(9) Programmawet van 29 maart 2012, BS 6 april 2012, 22143.]
54. Een rechtshandeling (of een geheel van rechtshandelingen) (10) is niet bindend jegens de belastingautoriteiten indien zij kunnen aantonen, zelfs door middel van vermoedens, dat er sprake is van fiscaal misbruik.
[(10) Een rechtshandeling is een handeling die vrijwillig tot stand wordt gebracht met het oog op het genereren van rechtsgevolgen (bijvoorbeeld een overeenkomst); H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil Belge, I, Brussel, Bruylant, 1939, nr.17.]
55. Fiscaal misbruik doet zich voor in het geval:
55.1. Een belastingplichtige zichzelf, in strijd met de doelstellingen van een bepaling van het WIB 92 of KB/WIB 92, buiten het toepassingsgebied van deze bepaling plaatst door middel van de verrichting(en); of
55.2. Een verrichting tot stand brengt die aanleiding geeft tot een fiscaal voordeel zoals voorzien in het WIB 92 of KB/WIB 92 en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van de bepaling en waarbij (het kunnen) verkrijgen van het voordeel in wezen het doel is van de verrichting en het verkrijgen van het voordeel essentieel is voor de doelstellingen van de verrichting(en).
56. De algemene antimisbruikbepaling zoals voorzien in artikel 344, §1 WIB 92 bevat, in lijn met de jurisprudentie van het HvJ (11), zowel een objectief als een subjectief element. Aan beide elementen dient tegelijkertijd te worden voldaan om te kunnen spreken van fiscaal misbruik. (12)
[(11) HvJ 21 februari 2016, C-255/02; Halifax; HvJ 12 september 2016, C-196/04.]
[(12) Grondwettelijk Hof, 30 Oktober 2013, nr. 141/2013, overweging B.20.3.]
57. Het objectief element omvat het ontstaan van een rechtshandeling (of een geheel van rechtshandelingen) die resulteert in een situatie waarin de respectievelijke wetsbepalingen worden gefrustreerd, gelet op het feit dat:
57.1. De belastingplichtige een verrichting heeft gesteld waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstelling van een bepaling van het WIB92 of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of
57.2. De belastingplichtige een verrichting heeft gesteld waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van het WIB92 of de ter uitvoering ervan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling.
58. Volgens de voorbereidende werkzaamheden van de antimisbruikbepaling en het Grondwettelijk Hof zou de "frustratie" van de doelstellingen van de desbetreffende belastingbepaling een "volstrekt kunstmatige constructie" moeten inhouden. (13) Met betrekking tot het objectieve element van de antimisbruikbepaling zou een transactie als een "(volstrekt) kunstmatige constructie" kunnen worden beschouwd indien deze:
[(13) Memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 24 februari 2012, doc 2081/001, p. 115; Grondwettelijk Hof 30 oktober 2013, nr.141/2013, overweging B 4.1.]
58.1. Niet de economische doelstellingen van een desbetreffende belastingbepaling nastreeft; of
58.2. Niet verband houdt met de economische realiteit; of
58.3. Niet plaatsvindt onder commerciële of financiële marktomstandigheden. (14)
[(14) Circulaire Ci.RH.81/616.207 (AFZ 3/2012 — AAF 17/2012 — AAPD 4/2012) van 4 mei 2012.]
59. Het subjectief element houdt in dat de keuze van de belastingplichtige voor de rechtshandeling of geheel van rechtshandelingen hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend, werd ingegeven door fiscale motieven.
60. Wat het subjectieve element betreft, stelt het Grondwettelijk Hof verder dat om als fiscaal misbruik te kwalificeren: "de verrichting uitsluitend moet zijn gemotiveerd door de zorg de belasting te ontwijken of dat op een dermate essentiële wijze moet zijn dat de eventuele andere doelstellingen van de verrichting als verwaarloosbaar of zuiver kunstmatig moeten worden beschouwd, niet alleen op economisch vlak, maar ook gelet op andere, met name persoonlijke of familiale, relevante overwegingen." (15)
[(15) B. PEETERS, "De algemene fiscale antimisbruikbepalingen. Een commentaar in het licht van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof', AFT 2014, afl. 5,28; Grondwettelijk Hof, 30 oktober 2013, nr. 141/2013, BS 2 januari 2014, overweging B.20.3.]
Toepassing in casu
61. Volgens de aanvragers zijn de transacties uitsluitend gedreven door de economische doelstellingen van de bredere strategische samenwerking tussen de belastingplichtigen en de EU. De manier waarop deze samenwerking tot stand komt, via de voorgenomen transacties, is volledig in lijn met de doelstellingen van de E.
62. De pilootlijn is opgezet om de economische groei en innovatie binnen de regio te stimuleren. Door te investeren in deze pilootlijn, positioneert de EU zich strategisch om te concurreren op de wereldwijde markt. De doelstellingen zijn gericht op het versterken van de Europese technologische soevereiniteit en het verminderen van de afhankelijkheid van niet-EU leveranciers. De samenwerking is tenslotte gericht op het stimuleren van innovatie en economische groei binnen de EU.
63. Het geheel van de verschillende overeenkomsten zijn essentieel voor de EU om zich ervan te verzekeren dat de door de EU gefinancierde pilootlijn stevig verankerd is in de EU-economie, om zo de economische en politieke belangen van de EU te beschermen. In dat opzicht kadert de huidige structuur ook binnen de bredere financieringsstrategie van de EU om de industrie in Europa te ondersteunen.
64. Aanvragers merken hierbij op dat de huidige set-up in essentie hetzelfde resultaat oplevert als wanneer de EU-financiering rechtstreeks aan A zou worden verstrekt via kapitaalsubsidies. In het geval van rechtstreekse kapitaalsubsidies zou A de gesubsidieerde activa dienen op te nemen als kapitaalsubsidies in de balans. Gezien de gefinancierde investeringen in casu voor 100% zouden gefinancierd worden door kapitaalsubsidies, zou de afschrijving en de ten laste neming van de kapitaalsubsidie boekhoudkundig matchen.
65. X stelt deze investering ter beschikking via een investering via B. Omdat een rechtstreekse kapitaalsubsidie niet mogelijk is, moet deze investering gebeuren via een financiering op lange termijn, die een marktconform rendement moet realiseren. Daarom zal A over de activa - die aan B toebehoren - kunnen beschikken via de huurovereenkomst afgesloten tussen A en B. Het rendement van #% is vastgesteld door X op basis van toetsing aan principes die geacht worden het marktconforme karakter te reflecteren. Deze werkwijze kan dan ook niet beschouwd worden als een verkapte/vergeldende subsidie.
66. De verplichtingen die werden opgelegd, zoals de naleving van de EU-regelgeving en de specifieke voorwaarden vastgelegd in de verschillende overeenkomsten, zijn essentieel om ervoor te zorgen dat de financiering op een transparante en verantwoorde manier wordt gebruikt en dat de beoogde doelstellingen van de pilootlijn worden bereikt.
67. De hierboven vermelde transacties dienen dus gezien te worden in het licht van een langdurig en strategisch belangrijk project met als doel het realiseren van de pilootlijn en het ontwikkelen van de daarmee samenhangende intellectuele eigendom. Gezien de vereiste van de EU om bij dergelijke projecten tot een cofinanciering te komen, werd door X in een corresponderende investering voorzien.
68. Vanuit het perspectief van A is haar aanstelling als primaire hostingentiteit voor de pilootlijn volledig in lijn met haar belangen en statutaire doel. Door deze rol op zich te nemen, krijgt A de mogelijkheid om intellectuele eigendom met betrekking tot de pilootlijn te ontwikkelen en dit met de intentie om hieruit inkomsten te genereren, bijvoorbeeld via het verlenen van licenties aan Europese ondernemingen, dan wel over de mogelijkheid te beschikken de intellectuele eigendom verder te ontwikkelen.
Conclusie
69. Op basis van voorgaande elementen kan geconcludeerd worden dat de structuur en voorgenomen transacties verantwoord worden door louter zakelijke en economische motieven. Bijgevolg kan niet gesteld worden dat de partijen als motief (of één van de hoofdmotieven) het verkrijgen van een fiscaal voordeel heeft, zoals voorzien in artikel 344, §1 WIB92.
II.E. Vrijstelling btw overeenkomstig artikel 42, §3, 3° btw
70. Aanvragers wensen bevestiging te verkrijgen dat de verkoop door B van een deel van de eigendomsrechten op de activa aan C met toepassing van de vrijstelling van btw is, op basis van artikel 42, §3, 3° wbtw.
Wettelijk kader
71. Artikel 42, § 3,3° wbtw bepaalt de leveringen, de invoeren van goederen en de diensten verricht voor de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank of voor de door de Europese Gemeenschappen opgerichte organen waarop het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen van toepassing is, zulks binnen de beperkingen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij dat protocol, bij de overeenkomsten tot toepassing van dat protocol of bij de vestigingsovereenkomsten, en voor zover zulks niet leidt tot verstoring van de mededinging.
72. Artikel 42, §3, 3° van het Btw-Wetboek is de omzetting van artikel 151, 1, a bis) van de EU-btw-Richtlijn 2006/112/EG.
73. Aanvragers verklaren dat C een Europese instelling is zoals bedoeld in artikel 42, §3, 3° van het Btw-Wetboek en is gedekt is door de vrijstellingen die voorzien zijn in het Protocol van voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie.
74. De btw-vrijstelling is niet toegestaan voor economische handelingen die leiden tot verstoring van de mededinging.
Toepassing in casu
75. B beoogt om een deel van de activa te verkopen aan C met toepassing van de vrijstelling van btw volgens artikel 42, §3, 3° wbtw.
76. De verkoop is rechtstreeks gelinkt aan de uitoefening van de functies van C.
77. Met de huidige opzet via de verkoop van een deel van de activa wil C controle houden over de activa en verzekeren dat deze worden ingezet zoals voorzien in de E.
78. Eénieder, die zich in een gelijkaardige situatie bevindt en goederen zou leveren aan of diensten zou verrichten voor C zou de vrijstelling van artikel 42, §3, 3° wbtw (rekening houdend met het specifieke statuut van C) kunnen inroepen mits men voldoet aan de door de wet opgelegde voorwaarden alsook de deelnamevereisten door de betrokken partijen.
79. Gezien dat éénieder zich kandidaat kan/kon stellen, het proces in volledige transparantie verloopt, ieder verkozene kan terugvallen op de vrijstelling van artikel 42, §3, 3° van wbtw mits men voldoet aan de voorwaarde, is er volgens de DVB geen sprake van een concurrentiestoring.
Conclusie
80. Op basis van het voorgaande kan B de vrijstelling van artikel 42, §3, 3° wbtw voor de voorgenoemde uitgaande handelingen verricht aan C toepassen mits verwijzing naar artikel 42, §3, 3° wbtw op deze facturen.
II.F. Huur binnen de btw-eenheid ‘A groep btw eenheid’ toepassing artikel 4, §2 W.btw
81. Aanvragers wensen de bevestiging te verkrijgen dat de onderling afgesloten huurovereenkomst buiten het toepassingsgebied van BTW valt overeenkomstig artikel 4, §2 wbtw en wordt aangemerkt als interne handeling binnen de btw eenheid.
Wettelijk kader
82. Het stelsel van de btw-eenheid is geregeld bij artikel 11, eerste lid van de Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 dat aan de lidstaten de mogelijkheid biedt om op hun grondgebied gevestigde personen die in juridisch opzicht onafhankelijk zijn, maar op financieel, economisch en organisatorisch gebied nauw met elkaar zijn verbonden, als één belastingplichtige te beschouwen.
83. Artikel 4, § 2 wbtw vormt de omzetting van artikel 11, eerste lid van de Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006.
84. Artikel 4, § 2, wbtw bepaalt dat de in België gevestigde natuurlijke personen en rechtspersonen die zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch met elkaar verbonden zijn voor de toepassing van de Belgische btw-regels, in welbepaalde gevallen door de Koning bepaald, als één belastingplichtige kunnen worden aangemerkt.
85. De voorwaarden zijn vastgesteld in het Koninklijk Besluit nr. 55, van 9 maart 2007, met betrekking tot de regeling voor belastingplichtigen die een btw-eenheid vormen. In het geval er sprake is van zogenaamd één belastingplichtige vinden de verrichtingen tussen die aangemerkte personen plaats buiten de werkingssfeer van de Belgische btw. Verrichtingen tussen leden van dezelfde btw-eenheid worden gekwalificeerd als een zogenaamde “interne handeling”.
Toepassing in casu
86. B en A, hierna “belastingplichtigen”, zullen een huurovereenkomst afsluiten met betrekking tot de activa.
87. De aanvrager verklaart dat beide belastingplichtigen leden zijn van de btw-eenheid “A GROEP BTW eenheid”.
Conclusie
88. De huur van de activa tussen A en B wordt overeenkomstig artikel 4, § 2 van het Btw-Wetboek aangemerkt als een interne handeling binnen de btw-eenheid en valt dus buiten het toepassingsgebied van btw.
89. De DVB deelt mee dat over de voorafgaandelijke oprichting van een btw-eenheid en de daaraan gekoppelde voorwaarden geen uitspraak wordt gedaan.
II.G. Optionele btw-verhuur overeenkomstig artikel 44, §3,2°,d) W.btw
Wettelijk kader
90. Op grond van artikel 44 §3 2° d) W.BTW zijn de volgende diensten uitgesloten van de btw-vrijstelling voor de verhuur van uit hun aard onroerende goederen:
“ de verhuur van een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat door de huurder uitsluitend wordt gebruikt voor de economische activiteit die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent, mits de verhuurder en de huurder gezamenlijk opteren om die verhuur te belasten. Als een gebouw of een gedeelte van een gebouw tegelijk wordt verhuurd met het bijhorend terrein, moet de optie worden uitgeoefend ten aanzien van beide onroerende goederen samen. “
91. Verder wordt in deze wetsbepaling ook nog de volgende voorwaarde gesteld:
“De optie kan enkel worden uitgeoefend voor overeenkomsten die betrekking hebben op gebouwen of gedeelten van gebouwen waarvoor de belasting op de handelingen bedoeld in artikel 19, § 2, derde lid, met betrekking tot het gebouw zelf en die bijdragen tot de oprichting ervan, ten vroegste op 1 oktober 2018 voor de eerste keer opeisbaar is.”
92. De optie tot belastingheffing voor de verhuur is onderworpen aan twee grondvoorwaarden:
92.1. De verhuur moet betrekking hebben op gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met inbegrip van het bijhorende terrein.
92.2. De betrokken goederen moeten worden verhuurd aan een belastingplichtige huurder die de betrokken goederen gebruikt in het kader van de economische activiteit die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent.
93. De belastingheffing op de verhuur van gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met inbegrip van het bijhorende terrein, is naast de twee grondvoorwaarden ook onderworpen aan een vormvoorwaarde:
93.1. De belastingheffing op de onroerende verhuur is maar mogelijk mits daarvoor uitdrukkelijk wordt geopteerd. De optie tot belastingheffing moet gezamenlijk worden uitgeoefend door de verhuurder en de huurder;
93.2. De optie geldt voor de gehele duur van de huurovereenkomst (artikel 44, § 3, 2°, d), tweede lid W.BTW) en is dus definitief en onherroepelijk (behalve indien in de loop van de huurovereenkomst niet meer aan de grondvoorwaarden zou zijn voldaan, bijvoorbeeld omdat de huurder de hoedanigheid van belastingplichtige verliest). De verhuurder en de huurder kunnen dus niet terugkomen op deze optie vóór het einde van de huurovereenkomst.
93.3. Ten slotte moet het gebouw, voorwerp voor de optionele heffing als een nieuw gebouw kunnen aangemerkt worden waarbij de btw op de werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek met betrekking tot het gebouw die specifiek bijdragen tot de oprichting ervan, opeisbaar is geworden vanaf 01.10.2018.
Toepassing in casu
94. B en A hebben op datum #### een huurovereenkomst afgesloten met betrekking tot de activa.
95. Uit artikel # van deze overeenkomst blijkt dat beide partijen hebben geopteerd om deze dienst principieel aan btw te onderwerpen (als uitzondering op de van btw vrijgestelde onroerende verhuur).
96. B verhuurt de activa aan A die deze inzet voor haar economische activiteit die haar de hoedanigheid van belastingplichtige verleent.
97. B en A behoren momenteel tot de btw-eenheid “A GROEP BTW eenheid”. De huur van bovenvermelde activa wordt bijgevolg volgens artikel 4, § 2 wbtw aangemerkt als een interne handeling binnen de btw-eenheid en valt dus buiten het toepassingsgebied van btw.
98. A heeft het recht om de gehuurde activa van B aan het einde van de huurperiode tegen de restwaarde te verwerven. Indien A van deze optie gebruik wenst te maken in de toekomst, verklaart de aanvrager dat deze aankoop ook binnen de btw-eenheid zal plaatsvinden en buiten toepassingsgebied van btw zal vallen.
99. A en B gaan er ook van uit dat in het geval minstens één van hen niet langer deel uitmaakt van de btw-eenheid “A GROEP BTW eenheid” of de btw-eenheid “A GROEP BTW eenheid” stopt te bestaan, zij gebruik kunnen maken van de optie tot belastingheffing voorzien in artikel 44, §3, 2°, d) wbtw op voorwaarde dat het een zuivere onroerende btw verhuur is en A de goederen gebruikt voor zijn economische activiteit(en).
Conclusie
100. Het huurcontract m.b.t. de activa voldoet volgens de rulingdienst aan de voorwaarden opgelegd volgens artikel 44 § 3, 2°, d) wbtw om te worden verhuurd onder optionele stelsel van onroerende verhuur indien de verrichting niet kan vallen onder artikel 4, § 2 wbtw.
101. Volledigheidshalve merkt de DVB op dat de bouwdelen die verhuurd zullen worden onder de optie van artikel 44 §3 2°, d) wbtw onderworpen zijn aan de 25-jarige herzieningstermijn.
102. De aanvrager dient zich ertoe te verbinden mogelijke wijziging(en) btw technisch op te volgen en spontaan eventuele rechtzettingen door te voeren.
II.H. Recht op aftrek
103. Volgens artikel 45, §1 wbtw, waarin het beginsel van het recht op aftrek is vastgesteld, mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
104. Het recht op aftrek wordt bepaald op het niveau van de btw-eenheid. Het lid A ageert als een belastingplichtige met een volledig recht op aftrek. Zij verricht geen activiteiten buiten het toepassingsgebied van btw.
105. B zal de pilootlijn binnen de btw-eenheid verhuren aan A die deze zal gebruiken voor haar economische belastbare activiteiten die een recht op aftrek van btw verlenen.
106. A zal de intellectuele eigendom(men) met betrekking tot de pilootlijn ontwikkelen en dit met de intentie om hieruit inkomsten te genereren, bijvoorbeeld via het verlenen van licenties aan Europese ondernemingen.
107. Bijgevolg bevestigt de DVB dat de voorgenoemde verrichting recht op aftrek van de btw verleent overeenkomstig artikel 45, §1 wbtw.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.