Exemption, Bâtiments anciens tranformés · Décisions anticipées

Aller au texte
Juriel

2015.170 26 mai 2015

Rechercher
Texte en néerlandais

Exemption, Bâtiments anciens tranformésTVA - Exemption - Article 44, § 3, 1°,a) du CTVA - Bâtiments anciens tranformés - Taux - Rubrique XXXI du tableau A de l’annex de l’ AR nr. 20

https://juriel.be/fr/rulings/2015-170-exemption-article-44-ctva-batiments-5aea

Numéro
2015.170
Date
26 mai 2015

Sur le document

Collection
Décisions anticipées
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

162 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2015.170 dd. 26.05.2015

TVA · Exemption · Article 44, § 3, 1°,a) du CTVA · Bâtiments anciens tranformés · Taux · Rubrique XXXI du tableau A de l’annex de l’ AR nr. 20

Résumé

La société X est propriétaire d’un immeuble à appartements et de bureaux et de quelques maisons mitoyennes, qu’elle fait transformer et rénover en unités de logement séparées par la société Y et les propose ensuite à la vente.

Tant dans les immeubles à appartement et de bureaux que dans les maisons, on conserve la majeure partie de la structure portante existante, de sorte qu’après l’exécution des travaux, les unités de logement doivent être considérées comme des bâtiments anciens.

Après l’exécution des travaux, la vente des unités de logement est exonérée, conformément à l’article 44, § 3, 1°, a) du Code de la TVA.

Le taux réduit de 6 pct. visé à la rubrique XXXI du tableau A de l’annexe à l’AR n° 20, est d’application sur les travaux visés dans la rubrique et relatif aux bâtiments susmentionnés.

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. Concreet wordt via een voorafgaande beslissing bevestiging gevraagd dat:

1.1. Het gerenoveerde onroerend goed A niet als een ‘nieuw’ gebouw in de zin van circulaire 16/1973 van 28 juni 1973 en de btw-handleiding nr. 152/2 wordt beschouwd.

1.2. Het gerenoveerde onroerend goed B niet als een ‘nieuw’ gebouw in de zin van circulaire 16/1973 van 28 juni 1973 en de btw-handleiding nr. 152/2 wordt beschouwd.

1.3. Beide onroerend goed projecten bijgevolg met vrijstelling van btw kunnen vervreemd worden in toepassing van artikel 44, §3, 1° WBTW.

1.4. De renovatie van de onroerende goederen door vennootschap Y in opdracht van vennootschap X kan gebeuren aan het btw-tarief van 6% overeenkomstig tabel A, XXXI, van de bijlagen bij het koninklijk besluit nummer 20, gelet op het feit dat beide gebouwen reeds meer dan 15 jaar in gebruik zijn genomen op het ogenblik dat de btw opeisbaar wordt op de eerste facturen van aannemers-dienstverleners actief in het kader van de verbouwing.

II. Omschrijving van de voorgenomen verrichting

II.A. Project A

2. Het project is eigendom van X.

3. Het bestaande woon- en kantoorgebouw wenst men om te vormen tot een appartementsgebouw met appartementen en garages. Er is geen wijziging in de bestemming van het gebouw, met uitzondering van het feit dat de bestaande kantoren tevens worden omgevormd naar appartementen. De totale gebouwoppervlakte wijzigt bovendien niet. De totale kostprijs van de werken exclusief btw zal evenwel ten minste 60% bedragen van de uiteindelijke verkoopwaarde van het gebouw op het tijdstip van voltooiing van de werken, de grond buiten beschouwing gelaten. Er wordt benadrukt dat de dragende muren quasi integraal behouden blijven, tevens blijft de traphal behouden en blijft de liftkoker op de bestaande plaats. Eigenlijk wordt het gebouw gestript en terug vernieuwd.

4. De bouwwerkzaamheden worden door vennootschap X uitbesteed aan vennootschap Y. Deze laatste heeft tevens de erkenning als algemeen aannemer.

II.B. Project B

5. Het tweede project is tevens eigendom is van X.

6. Dit betreft een verbouwing tot rijwoningen met bestemmingswijziging van werkplaats naar de vroegere bestemming: rijwoningen. De totale kostprijs van de werken exclusief btw zal opnieuw ten minste 60% bedragen van de uiteindelijke verkoopwaarde van het gebouw op het tijdstip van voltooiing van de werken, de grond buiten beschouwing gelaten.

7. Gelijkaardig aan het Project X worden de bouwwerkzaamheden verricht door Y in opdracht van X.

III. Motivering van de aanvrager

III.A. Vrijstelling inzake btw

8. Het begrip ‘nieuw’ gebouw vindt men terug in artikel 44, §3, 1°, a) WBTW. In circulaire 16/1973 van 28 juni 1973 en de btw-handleiding nr. 152/2 wordt het begrip ‘nieuw’ gebouw uitgebreid tot verbouwingen, zoals de renovatie van een oud gebouw dat de eigenschappen krijgt van een nieuw gebouw. Voormelde circulaire voorziet het volgende:

9. Voor de toepassing van de hier bedoelde minimummaatstaf van heffing.

Het gaat om de oprichting van een nieuw gebouw in de volgende gevallen:

- Oprichting van een gebouw waaraan normaal een kadastraal inkomen als gebouw wordt toegekend;

- Oprichting van een gebouw na afbraak van een ander gebouw of welk onroerend goed ook;

- Verandering aan een bestaand gebouw welke van die aard is dat de structuur en de bestemming van het vroegere gebouw worden gewijzigd; zo wordt de volledige verbouwing van een oud herenhuis tot een modern flatgebouw als oprichting van een nieuw gebouw aangemerkt; de minimummaatstaf van heffing is daarentegen niet toepasselijk op eenvoudig verbeteringswerk dat de structuur en de bestemming van een gebouw niet wijzigt;

- Oprichting bij een bestaand gebouw van daaraan al of niet palende bijgebouwen, die een eigen functie hebben; als oprichting van een nieuw gebouw worden dus onder meer aangemerkt, de oprichting bij een bestaand gebouw van: een garage, bergplaats, schuur, stal, washuis, enz.; overigens is het zonder belang dat de bijgebouwen al of niet een van het hoofdgebouw gescheiden kadastraal inkomen hebben; vereist is evenwel dat de oprichting van een bijgebouw ten minste aanleiding geeft tot herziening van het oorspronkelijke kadastrale inkomen;

- Oprichting op een bestaand gebouw van een nieuw verdieping; zoals voor het geval onder 4) is het overigens zonder belang dat de nieuwe verdieping al of niet een eigen kadastraal inkomen heeft, maar er is ten minste vereist dat er een herziening plaats heet van het kadastrale inkomen.’

10. De btw-handleiding is op dit punt echter veel nauwkeuriger dan de circulaire:

‘Dient in de geest van de tekst van artikel 44, §3, 1° WBTW niet alleen een pas opgericht gebouw als een nieuw gebouw te worden aangemerkt, doch ook een reeds vroeger opgericht gebouw. Dit wanneer het gebouw op een zodanige wijze wordt verbouwd dat het hierdoor de kenmerken verkrijgt van een nieuw gebouw.

In dit opzicht kunnen drie duidelijk onderscheiden onderstellingen worden gemaakt, nl.

In het eerste geval: wegens de in het oude gebouw uitgevoerde werken heeft dit gebouw een ingrijpende wijziging in zijn wezenlijke elementen ondergaan, met name in zijn aard, zijn structuur en in zijn bestemming (cfr. circ. Nr. 16/1973, nr. 10.3°). In die onderstelling gaat het ontegensprekelijk om een nieuw gebouw, welke overigens ook de kostprijs is van de werken die werden uitgevoerd om deze wijziging tot stand te brengen. Dit in vergelijking met de waarde van het gebouw vóór deze wijziging.

In het tweede geval: de werken die aan het oude gebouw werden uitgevoerd, hebben het gebouw niet in zijn wezenlijke elementen gewijzigd, maar hadden tot doel hetzij de instandhouding van het gebouw te verzekeren, hetzij het comfort ervan te verbeteren, zoals dit het geval is bij het plaatsen van centrale verwarming; het inrichten van een badkamer; het bijbouwen van een garage; het vernieuwen van dakbedekking, enz…

In die onderstelling gaat het niet om een gebouw dat in zijn wezenlijke elementen wijzigingen heeft ondergaan. De doorverkoop van dit gebouw of de vestiging, overdracht en wederoverdracht van zakelijke rechten- andere dan het eigendomsrecht- die slaan op een dergelijk gebouwen dit na de uitvoering van de werken, kan dus geenszins tot de werkingssfeer van de btw behoren. Zelfs niet wanneer het kadastraal inkomen van het goed werd verhoogd en de kosten van de uitgevoerde werken zeer hoog oplopen in vergelijking met de waarde van het goed in de staat waarin het zich bevond vóór de aanvang van de werken.

Derde geval: wanneer de uitgevoerde werken van die aard zijn dat ze een belangrijke wijziging aan het gebouw met zich brengen, doch dat het niettemin moeilijk is te bepalen of het gebouw een ingrijpende wijziging in zijn wezenlijke elementen heeft ondergaan, kan evenwel worden aanvaard dat het gaat om een nieuw gebouw. Dit wanneer de kostprijs (exclusief btw) van de door de eigenaar zelf of door derden voor zijn rekening uitgevoerde werken, tenminste 60 pct. Bereikt van de verkoopwaarde van het gebouw waaraan de werken worden uitgevoerd – de grond buiten beschouwing gelaten- op het tijdstip van de voltooiing van die werken.

Dit derde geval houdt enerzijds rekening met de waarde van de aan het gebouw zelf uitgevoerde materiële werken – met inbegrip van de noodzakelijke afbraakwerken – en anderzijds met de verkoopwaarde van het afgewerkte gebouw, bepaald rekening houden met art. 32, tweede lid WBTW en art. 36 WBTW. Bovendien is het zonder belang dat in de waarde van de aldus uitgevoerde werken, de waarde van de werken – die het comfort verhogen – begrepen is.

Overigens kan het aldus te verbouwen gebouw als nieuw – in de zin van wat hiervoor werd gezegd – worden beschouwd zonder de daadwerkelijke uitvoering van de werken af te wachten. Dit voor zover de omvang ervan – evenals de wijziging van het kadastraal inkomen – vaststaan.

Opdat de overdracht onder bezwarende titel van het verbouwde gebouw bedoeld in het 1) en 3) hiervoor een levering uitmaakt die aan de belasting kan worden onderworpen, is daarenboven nog vereist:

- Dat de uitgevoerde verbouwing aanleiding geeft tot de wijziging van het kadastraal inkomen dat aan het gebouw was toegekend vóór de aanvang van de werken;

- Dat de beoogde handeling plaatsheeft binnen de termijn bepaald in art. 44, §3, 1° WBTW;

- Dat de persoon – in wiens hoofde de btw opeisbaar is – ten opzichte van de administratie het belang van de uitgevoerde werken aantoont. Teneinde eventuele moeilijkheden bij de bewijsvoering te voorkomen, is het in dit opzicht raadzaam de vergunning – waarbij de gemeentelijke overheid de toelating tot het uitvoeren van de bedoelde werken heeft verleend – voor te leggen. Dit wanneer het afleveren van zulke vergunningen ingevolge de van kracht zijnde stedenbouwkundige reglementeringen verplicht is (Besl. Nr. ET19.497 van 20 februari en 29 april 1976; BTW-Rev. Nr. 28, blz. 29, nr. 595).’

III.A.1. Project A

11. Zoals hiervoor vermeld werd het Project aangekocht door X aan maatschappij Z met de bedoeling de appartementen te renoveren.

12. Volgende werken zullen worden uitgevoerd:

12.1. Afbraak binnenmuren, merendeel niet dragend;

12.2. Afbraak chape;

12.3. Gedeeltelijke vervanging 2 dragende binnenmuren door potrellen;

12.4. Vervangen ramen;

12.5. Vernieuwen elektriciteit, sanitair en centrale verwarming;

12.6. Isoleren gevel;

12.7. Vervangen balustrades balkon;

12.8. Vervangen garagepoorten;

12.9. Nieuwe chape;

12.10. Nieuwe vloerbekleding;

12.11. Plaatsen nieuwe keukens;

12.12. Plaatsen stijlwanden in gyproc;

12.13. Renoveren traphal, blijft op dezelfde plaats behouden;

12.14. Renoveren liftkooi, blijft op dezelfde plaats behouden;

12.15. Vervangen parlofonen.

13. De volledige structuur van het gebouw blijft derhalve quasi intact.

14. Aangezien er door bovenvermelde werken geen wijzigingen worden uitgevoerd aan zijn wezenlijke en dragende structuur, meent de aanvrager te kunnen stellen dat er voor de doorverkoop van deze appartementen geen btw van toepassing is (en dat zij bijgevolg kunnen worden vervreemd onder toepassing van het registratierecht).

15. De aanvrager haalt nog aan dat de administratie in een aantal dossiers in 2011 heeft bevestigd dat een gebouw dat reeds geruime tijd in gebruik werd genomen, nooit meer als nieuw kan worden beschouwd. In het Btw-Wetboek wordt immers niet bepaald dat een verbouwd oud gebouw het voorwerp kan zijn van een eerste ingebruikneming (vgl. artikel 12, lid 2, 2de alinea van de btw-richtlijn 2006/112/EG van 28 december 2006). In die omstandigheden kan een verbouwd oud gebouw voor de toepassing van de uitzonderingen op de vrijstelling van artikel 44, §3,1° WBTW strikt genomen nooit worden aangemerkt als ‘nieuw’.

16. De heffing van de btw onder welbepaalde voorwaarden ten aanzien van de levering van een verbouwd gebouw of ten aanzien van de vestiging, overdracht of wederoverdracht van een zakelijk recht op een verbouwd oud gebouw, is dan ook een toegeving van de administratie. Die toegeving kan niet worden ingeroepen indien de in dit verband door de administratie bepaalde voorwaarden niet vervuld zijn.

III.A.2. Project B

17. Ook dit project werd aangekocht door X met de bedoeling de oude rijwoningen te renoveren naar hedendaagse wooneenheden voor alleenstaanden en jonge koppels.

18. Voor dit project worden de volgende werkzaamheden gepland:

18.1. Plaatsen van binnenmuren; een zeer groot deel van de bestaande binnenmuren blijft behouden. Er werden door de vorige eigenaars tevens gaten in de binnenmuren gemaakt, die nu opnieuw worden gedicht ;

18.2. Vernieuwen riolering;

18.3. Vervangen vloerplaat die rot was van ouderdom, opnieuw houten vloerplaat;

18.4. Renoveren dak +65cm optrekken, creatie tussenverdiep;

18.5. Plaatsen nieuwe keukens;

18.6. Plaatsen nieuwe badkamers;

18.7. Plaatsen elektriciteit, sanitair en centrale verwarming.

19. Opnieuw blijft de volledige structuur van de oorspronkelijke rijwoningen intact en wordt er noch aan de structuur, noch aan de bestaande oppervlaktes van de oorspronkelijke rijwoningen gewijzigd. Hoewel er een wijziging is in bestemming – van werkplaats naar rijwoningen – wordt er wel teruggekeerd naar de oorspronkelijke bestemming, namelijk rijwoningen. Dit blijkt ook duidelijk uit de afgeleverde stedenbouwkundige vergunning die in bijlage aan deze aanvraag werd toegevoegd.

20. Aangezien er door bovenvermelde werken geen wijzigingen worden uitgevoerd aan zijn oorspronkelijke structuur, meent de aanvrager ook voor deze doorverkoop te kunnen stellen dat er geen btw van toepassing is en dat zij bijgevolg kunnen worden vervreemd onder toepassing van het registratierecht. Dit zelfs indien de werken meer dan 60% bedragen van de verkoopwaarde van het gebouw.

III.B. Toepassing van het btw-tarief van 6% op verbouwingen

21. Daarnaast wenst de aanvrager graag de bevestiging te krijgen dat de verbouwingswerken die Y verricht in opdracht van de huidige eigenaar X ingevolge de aannemingsovereenkomst, in toepassing van tabel A, XXXI in de bijlagen bij het koninklijk besluit nr. 20, kunnen gebeuren tegen het btw-tarief van 6%.

22. Dit tarief kan worden toegepast indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

22.1. De handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;

22.2. De handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt;

22.3. De handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste vijftien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van verschuldigdheid van de btw dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22 WBTW;

22.4. De handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract, geregistreerd is als zelfstandig aannemer overeenkomstig de artikelen 400 en 401 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992; (ingevolge cassatiearrest niet meer van toepassing);

22.5. De door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of het klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.

23. Aanvrager meent dat aan het voorgaande voldaan is, waardoor het btw-tarief van 6% van toepassing is:

23.1. Beide projecten betreffen een grondige renovatie.

23.2. De aanvrager veronderstelt dat de appartementen/rijwoningen allemaal privaat bewoond zullen worden. Indien niet, dan zal achteraf een rechtzetting naar het tarief van 21% gebeuren.

23.3. De gebouwen zijn reeds meer dan 15 jaar oud op het ogenblik van opeisbaarheid van de btw op de facturen van de dienstverleners (aannemers) actief in het kader van de verbouwingswerken.

23.4. X wordt beschouwd als eindverbruiker.

23.5. De attesten zullen worden opgesteld.

IV. Beslissing

Uit het door de DVB gedane analyse blijkt het volgende:

IV.A. Toepassing van de vrijstelling van artikel 44, § 3, 1° WBTW

24. Overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, a) WBTW is de levering van een uit zijn aard onroerend goed vrijgesteld van btw. Eén van de voorwaarden, waaronder de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw daarentegen aan de btw wordt onderworpen, is dat het een nieuw gebouw betreft (zijnde wanneer de vervreemding wordt verricht uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming).

25. In de geest van de tekst van artikel 44, § 3, 1° WBTW dient evenwel niet alleen een pas opgericht gebouw als nieuw te worden aangemerkt, doch ook een reeds vroeger opgericht gebouw, dat op zodanige wijze werd verbouwd dat het hierdoor de kenmerken van een nieuw gebouw verkrijgt.

26. In randnummer 152/2 van de btw-handleiding (2012) worden 3 mogelijke situaties beschreven.

27. Geval 2 betreft de situatie waarbij de werken die aan het oude gebouw werden uitgevoerd, dat gebouw niet in zijn wezenlijke elementen hebben gewijzigd. Dit betreft een feitenkwestie. De doorverkoop van dit gebouw of van een gedeelte van dit gebouw en bijhorend terrein na uitvoering van de werken kan dus in principe niet aan de btw worden onderworpen, zelfs niet wanneer het kadastraal inkomen van het goed werd verhoogd en de kosten van de uitvoerde werken zeer hoog oplopen in vergelijking met de waarde van het goed in de staat waarin het zich bevond voor de aanvang van de werken.

28. In dit verband wordt opgemerkt dat geval 3 moet worden beschouwd als een administratieve toegeving en dus niet tegen de belastingplichtige kan worden ingeroepen.

IV.A.1. project A.

29. In casu wordt een bestaand woon- en kantorengebouw verbouwd tot een appartementsgebouw met appartementen en garages die door X zullen worden verkocht. X treedt op als bouwheer en laat de werken uitvoeren door Y.

30. De aanvrager bevestigt dat het gebouw in kwestie meer dan 15 jaar oud is.

31. Op basis van de inlichtingen moet worden besloten dat het gebouw wordt gerenoveerd en verbouwd naar appartementen en garages die individueel zullen worden verkocht, maar dat de bestaande structuur (dragende muren, dragende metselwerken, dragende betonstructuren, kolommen, trappenhallen, liftschachten, dragende balken, enz.) grotendeels behouden blijft. De vermelde aanpassingen aan die structuur hebben niet tot gevolg dat er sprake kan zijn van nieuwe appartementen.

Er worden geen nieuwe gedeelten aan het bestaande gebouw toegevoegd en er worden geen nieuwe verdiepingen gebouwd op het bestaande gebouw.

Aldus moet worden besloten dat de appartementen en garages in kwestie, na de hierboven omschreven renovatie- en verbouwingswerken, oude gebouwen betreffen zodat de verkoop van deze appartementen en garages dient te worden vrijgesteld van btw op basis van artikel 44, § 3, 1°, a) WBTW.

IV.A.2. Project B

32. In casu worden arbeidershuisjes verbouwd tot woningen die door X zullen worden verkocht. X treedt op als bouwheer en laat de werken uitvoeren door Y.

33. De aanvrager bevestigt dat de huizen in kwestie meer dan 15 jaar oud zijn.

34. Op basis van de overgemaakte inlichtingen moet worden besloten dat de huizen worden gerenoveerd en verbouwd en individueel zullen worden verkocht, maar dat de bestaande structuur (dragende muren, dragende metselwerken, enz.) grotendeels behouden blijft. De vermelde aanpassingen aan die structuur hebben niet tot gevolg dat er sprake kan zijn van nieuwe huizen.

Aldus moet worden besloten dat de huizen in kwestie, na de hierboven omschreven renovatie- en verbouwingswerken, oude gebouwen betreffen zodat de verkoop van deze huizen dient te worden vrijgesteld van btw op basis van artikel 44, § 3, 1°, a) WBTW.

IV.B. toepassing van het verlaagd tarief van 6 pct. van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20 van 20.07.1970.

35. Rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20 van 20 juli 1970 bepaalt:

§ 1. Het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in paragraaf 3 worden onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld:

1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;

2° de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt;

3° de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste vijftien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van opeisbaarheid van de btw dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22, § 1 of artikel 22bis van het Wetboek;

4° de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker […];

5° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.

§ 2. Worden aangemerkt als eindverbruikers in de zin van deze bepaling, voor het werk in onroerende staat en de andere handelingen omschreven in § 3, met betrekking tot de woningen daadwerkelijk gebruikt voor de huisvesting van bejaarden, leerlingen en studenten, minderjarigen, thuislozen, personen in moeilijkheden, personen met een psychische stoornis, mentaal gehandicapten en psychiatrische patiënten, de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke personen die beheren:

1° verblijfsinrichtingen voor bejaarden welke door de bevoegde overheid zijn erkend in het kader van de wetgeving inzake bejaardenzorg;

2° internaten die zijn toegevoegd aan scholen of universiteiten of die ervan afhangen;

3° jeugdbeschermingstehuizen en residentiële voorzieningen die op duurzame wijze, in dag- en nachtverblijf, minderjarigen huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid in het kader van de wetgeving op de jeugdbescherming of de bijzondere jeugdbijstand;

4° opvangtehuizen die in dag- en nachtverblijf thuislozen en personen in moeilijkheden huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid.

5° psychiatrische verzorgingstehuizen die op een duurzame wijze in dag- en nachtverblijf personen met een langdurige en gestabiliseerde psychische stoornis of mentaal gehandicapten huisvesten en die door de bevoegde overheid erkend zijn;

6° gebouwen waar, ten titel van een initiatief van beschut wonen erkend door de bevoegde overheid, het op een duurzame wijze huisvesten in dag- en nachtverblijf en het begeleiden van psychiatrische patiënten plaatsheeft.

§ 3. Worden beoogd:

1° het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed;

2° prestaties die erin bestaan een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt;

3° iedere handeling, ook indien niet beoogd in 2° hierboven, die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw:

a) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel of aan de radiatoren;

b) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van al de vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;

c) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen;

d) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;

e) van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of een badkamer is uitgerust;

f) van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst;

4° iedere handeling, ook indien niet beoogd in 2° hierboven, die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbekleding of -bedekking als de plaatsing ervan in een gebouw ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;

5° het aanhechten, het plaatsen, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, van goederen bedoeld in 3° en 4° hierboven;

6° de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van de hierboven bedoelde handelingen.

§ 4. Het verlaagd tarief is in geen geval van toepassing op:

1° werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;

2° werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midget-golfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties.

36. De voorwaarde van de aanpassing van het gebouw aan zijn bestemming van privéwoning moet op zijn minst voldaan zijn na uitvoering van de werken, maar het is niet vereist dat het gebouw reeds aan deze bestemming was aangepast voor deze uitvoering. Het verlaagd tarief is bijgevolg toepasselijk, voor zover alle overige voorwaarden vervuld zijn, op de omvorming van een kantoorgebouw in een appartementsgebouw (randnr. 39 circ. 86/006).

37. In circulaire nr. 6 dd. 22.08.1986 wordt onder randnr. 76 aanvaard dat ondernemingen die oude woningen, waarvan ze eigenaars zijn ingevolge aankoop of een andere wijze van verwerving, renoveren en daarna verkopen of verhuren, in de geest van de regeling kunnen worden aangemerkt als eindverbruiker zonder dat er nog een onderscheid hoeft gemaakt te worden naargelang ze deze gebouwen bestemmen voor de verhuur of de verkoop.

38. Voor de toepassing van het verlaagd tarief volstaat het trouwens niet dat het gebouw aangepast is aan zijn bestemming van bewoning; daarenboven is er inderdaad vereist dat het daarvoor werkelijk wordt gebruikt. Wanneer er twijfel bestaat omtrent de werkelijke bestemming is principieel het normaal tarief van toepassing. Het tarief van 6 pct. kan slechts behouden blijven indien de bestemming van privéwoning overeenstemt met de werkelijkheid. Evenzo kan het normale tarief, toegepast wegens de bestaande twijfel, worden herzien indien het gebouw uiteindelijk wordt gebruikt als privé-woning, hetgeen het tarief van 6 pct. rechtvaardigt (z. randnr. 40 van circ. 86/006).

39. De aanvrager bevestigt dat de gebouwen reeds meer dan 15 jaar oud zijn op het ogenblik van de opeisbaarheid van de btw op de facturen van de dienstverleners (aannemers) in het kader van de verbouwingswerken.

40. Bij de 2 voorgelegde projecten kan op basis van de door de aanvrager overgemaakte inlichtingen a priori inderdaad worden verondersteld dat de wooneenheden na de werken hoofdzakelijk zullen worden gebruikt als privé-woning.

*

* *

Gelet op de artikelen 20 tot 23 van voormelde wet van 24 december 2002 alsmede op de overwegingen zoals vermeld in deel IV beslist het College van de DVB in zitting van 26 mei 2015 dat :

41. rekening houdend met bovenstaande, de verkopen door X van de hierboven omschreven appartementen en garages vrijgesteld zijn door artikel 44, § 3, 1°, a) WBTW;

42. rekening houden met bovenstaande, de verkopen door X van de hierboven omschreven huizen vrijgesteld zijn door artikel 44, § 3, 1°, a) WBTW;

43. rekening houdend met het hierboven vermelde, het verlaagd tarief van 6 pct. zoals bedoeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20 kan worden toegepast op de werken in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in § 3 van voormelde rubriek XXXI (met uitsluiting uiteraard van de handelingen vermeld in § 4 van rubriek XXXI) die door Y worden verricht voor X m.b.t. de twee hierboven vermelde projecten voor zover:

43.1. een rechtzetting gebeurt naar het normale tarief (21 pct), wanneer nadien (bij de later verkoop) m.b.t. één of meer de wooneenheden van bovenvermelde projecten zou blijken dat de wooneenheid toch niet hoofdzakelijk zou worden gebruikt voor privébewoning;

43.2. de voorwaarde zoals vermeld in §1, 5° van voormelde rubriek XXXI wordt nageleefd.

Textes cités

5
CTVA art. 4414 occurrences
CTVA art. 221 occurrence
CTVA art. 22bis1 occurrence
CTVA art. 321 occurrence
CTVA art. 361 occurrence

Jurisprudence

1

Belgique

1

Voir le document