Tribunal de première instance de Louvain, 8 octobre 2010 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Louvain 8 octobre 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Louvain, 8 octobre 2010Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-louvain-2010-10-08-87c8

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Louvain
Date
8 octobre 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

54 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Louvain du 08.10.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK, twaalfde kamer

Zitting : 8 oktober 2010

Eindvonnis

Rol nr. : 06/2699/A

Inzake :

S. J., zonder gekend beroep, wonende te …, ….

eiser,

ter zitting vertegenwoordigd door meester V. loco meester B., advocaat te …, ….

tegen :

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en inkomstensfiscaliteit - Sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te 3001 Leuven, Philipssite 3 A bus 2

verweerder,

ter zitting vertegenwoordigd door meester C., advocaat te …, ….

I. Procedure

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

De rechtbank nam onder meer kennis van :

- het verzoekschrift op tegenspraak op 20 december 2006 ter griffie neergelegd;

- de neergelegde conclusies en stukken;

- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.

De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 10 september 2010.

II. De vorderingen

Eiser verzet zich tegen vier dwangbevelen die door de administratie van de btw werden uitgevaardigd. Het betreft de volgende dwangbevelen :

- dwangbevel RCIV nr. … op 5 januari 1995 uitgevaardigd door het BTW-ontvangkantoor Leuven;

- dwangbevel RCIV nr. … op 5 januari 1995 uitgevaardigd door het BTW-ontvangkantoor Leuven;

- dwangbevel RCIV nr. … op 5 januari 1995 uitgevaardigd door het BTW-ontvangkantoor Leuven;

- dwangbevel RCIV nr. … op 18 juni 2002 uitgevaardigd door het BTW-ontvangkantoor Leuven;

III. Beoordeling

1. De vorderingen zijn ontvankelijk. De ontvankelijkheid wordt trouwens niet betwist en de rechtbank ziet geen ambtshalve aan te voeren redenen om de vordering niet ontvankelijk te verklaren.

2. Eiser voert aan dat de BTW-schuld verjaard is.

3. Voor het dwangbevel RCIV nr. … nam de verjaringstermijn een aanvang op 21 april 1988. Binnen de vijfjarige verjaringstermijn ondertekend eiser op 26 januari 1993 een afstand van de verlopen termijn van verjaring.

De dwangbevelen RCIV nrs. …, … en … werden betekend op 18 januari 1995. De verjaringstermijn was voor deze vorderingen toen nog niet verstreken.

4. Eiser werd bij vonnis d.d. 17 januari 1995 van de rechtbank van koophandel te Leuven failliet verklaard.

Verweerder deed aangifte van schuldvordering in het faillissement op 6 februari 1995. Deze aangifte stuit de verjaring en de verjaring blijft voor de algemeen bevoorrechte schuldeisers en de gewone schuldeisers geschorst tot de sluiting van het faillissement (Cass., 19 januari 2009, http://jure.juridat.just.fgov.be ; Cass., 13 november 1997, Arr. Cass. 1997, 1125; Bull. 1997, 1178; BTW-Revue 1998, 597; FJF 1998, 579; JDF 1998, 42; Pas. 1997, I, 1178; RW 1997-98,1287; TBH 1998, 103, noot).

De verjaring was geschorst tot 2 december 1997, datum sluiting van het faillissement.

Verweerder heeft daarna in 2002 en in 2006 telkens tijdig de verjaring gestuit.

De vordering van verweerder opgenomen in de dwangbevelen is niet verjaard.

5. Het dwangbevel RCIV nr. … werd uitgevaardigd op grond van een proces-verbaal van 19 oktober 1992. In dit proces-verbaal staat te lezen dat de controle-ambtenaar, na eiser per aangetekend schrijven van 5 februari 1992 te hebben verwittigd van een controle op de zetel van zijn onderneming op 3 maart 1992, vaststelde dat na herhaald aanbellen niet werd opengedaan.

De controle-ambtenaar heeft terecht geoordeeld dat eiser zijn recht op aftrek niet bewees. Eiser heeft nagelaten de documenten die dit recht op aftrek bewijzen over te leggen, zodat deze aftrek terecht geweigerd werd.

6. Het dwangbevel RCIV nr. … werd uitgevaardigd op grond van een bijzondere rekening opgemaakt ingevolge artikel 8, § 1, van het koninklijk besluit nr. 24 van 29 december 1992. Deze bijzondere rekening werd op 27 december 1994 aan eiser toegezonden. De aangifte in het faillissement geldt daarenboven als ingebrekestelling. De rechten van de verdediging van eiser werden geëerbiedigd.

7. Voor de kosten van betekening dwangbevel beschikt verweerder reeds over een uitvoerbare titel. Deze kosten dienen niet opgenomen te worden bij de gerechtskosten.

8. De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing (artikel 92bis BTW-wetboek).

De rechtbank mag de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis niet toestaan.

Dispositif

IV Uitspraak

Dit vonnis wordt gewezen op tegenspraak en in eerste aanleg.

De vordering is ontvankelijk maar ongegrond.

De rechtbank veroordeelt eiser tot de kosten. Deze kosten moeten voor eiser niet begroot worden omdat zij te zijnen laste blijven en worden voor verweerder begroot op 3.000,00 euro (rechtsplegingsvergoeding).

Dit vonnis is uitgesproken tijdens de gewone en openbare terechtzitting van de 12de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 8 oktober 2010.

De zetel is ais volgt samengesteld :

L. W., ondervoorzitter, alleen zetelend rechter

M. L'E., griffier.

M. L.’E. L. W.

Textes cités

2
AR no 24 art. 81 occurrence
CTVA art. 92bis1 occurrence

Décisions similaires

8