Tribunal de première instance de Bruxelles, 6 janvier 1989 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 6 janvier 1989

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Bruxelles, 6 janvier 1989Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-bruxelles-1989-01-06-84f5

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
6 janvier 1989

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

51 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 06.01.1989

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL; 25ste KAMER

AR 77.495

Verzet tegen dwangbevel

Eindvonnis

na tegenspraak t.o.v. verweerder en bij verstek t.o.v. verweerster en bij verstek t.o.v. verweerster.

IN ZAKE VAN :

De heer J. M., bediende, wonende en gehuisvest te …, …,

eiser,

vertegenwoordigd Mter. D. B. loco Mter. J. J. M., advocaat te …, …,

tegen :

1. De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de ontvanger van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, Van Orleystraat 15, 1000 Brussel,

verweerder,

vertegenwoordigd door Mter D. W., advocaat te …, …,

2. SA F. D. M. J. P., … - France,

verweerster,

niet verschijnende,


Na beraad spreekt de Rechtbank volgend vonnis uit :

Gelet op :

- de verzet-dagvaarding d.d. 13.4.1977 betekend door gerechtsdeurwaarder C. S. te ….,

- de besluiten van verweerder neergelegd ter griffie alhier d.d. 7.4.1981 rn f. f. 23.5.1987,

- de besluiten van eiser neergelegd ter griffie alhier d.d. 9.9.1987 en d.d. 13.3.1981,

- de besluiten van verweerder neergelegd ter griffie alhier d.d. 24.2.1981, d.d. 29.7.1986 en d.d. 9.3.1987,

Gehoord de advocaten van partijen in hun pleidooien ter openbare terechtzitting d.d. 27.10.1988;

Gehoord het Openbaar Ministerie ter zitting d.d. 27.10.1988;


Overwegende dat de eis strekt tot het horen zeggen voor recht dat eiser niet gehouden is de bedragen aan belasting, boeten, interesten en kosten van hem bij dwangbevel van 31 maart 1977 gevorderd, te betalen; dat eerste verweerder integendeel vraagt dat het dwangbevel zijn volle uitwerking zal hebben;

Overwegende dat eiser daarenboven vraagt dat, indien het dwangbevel zijn uitvoering dient te krijgen tweede verweerster zou veroordeelt worden om hem te vrijwaren;

Overwegende dat tweede verweerster alhoewel behoorlijk opgeroepen niet verschijnt noch bij monde van een raadsman besluiten neemt;

Overwegende dat naar aanleiding van de debatten gebleken is dat eiser bij monde van zijn raadsman enkel nog de Rechtbank verzocht uitspraak te doen omtrent de regelmatigheid van het dwangbevel mede de eis in vrijwaring : zodat de Rechtbank niet meer hoeft in te gaan op de andere onderdelen van de eis van eiser;

Overwegende dat de Rechtbank vaststelt dat met betrekking tot het verrechtvaardigen van de eis in vrijwaring, eiser in zijn ondertekend exploot van dagvaarding geen feit aanhaalt waarop de rechtbank die rechtsregel toe te passen heeft op grond van dewelke er zou kunnen aanzien worden dat verweerster vrijwaring al dan niet een recht van eiser zou hebben miskend; dat derhalve de eis in vrijwaring als ontoelaatbaar af te wijzen is;

Overwegende dat wat de bezwaren betreft gericht tegen het dwangbevel er vooreerst dient vastgesteld dat eiser akkoord gaat met het feit dat hij in zijn hoedanigheid ven vertegenwoordiger fiscale verplichtingen op zich genomen heeft meer in het bijzonder aansprakelijkheid in zijn hoedanigheid van zelfstandig vertegenwoordiger alhier te lande van tweede verweerster ten opzichte van de Administratie van de Belastingen over de toegevoegde waarde;

Overwegende bijgevolg dat eerste verweerder zich terecht beroept op de toepassing van artikel 55 van het BTW-wetboek om eiser hoofdelijk aan te spreken;

Overwegende dat eiser verder geen middelen laat gelden of kan laten gelden om de overgangsmaatregel niet als wettelijk en naar behoren gelegd te doen aanzien;

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Rechtsprekende na tegenspraak ten opzichte van eerste verweerder en bij verstek ten opzichte van tweede verweerster;

Gehoord het eensluidend advies van het Openbaar Ministerie;

Verklaart de eis in verzet zoals gericht tegen eerste verweerder toelaatbaar doch ongegrond en wijst eiser er van af;

Zegt dat het dwangbevel uitgevaardigd op 25.2.1977 en uitvoerbaar verklaard op 21 maart 1977 zijn volle uitwerking zal hebben;

Verklaart de tussenvordering zoals gericht tegen tweede verweerster niet toelaatbaar;

Veroordeelt eiser tot de kosten; begroot op 13.121 fr. (1.700 + 1.525 + 9.900) voor eiser, op 9.900 fr. voor verweerder en niet begroot voor verweerster.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 25ste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, d.d. 6 januari 1989, waar aanwezig waren en zitting namen :

de heren :

G., alleenrechtsprekend rechter,

D. B., griffier,

J. S., Substituut Proc. des Konings.

D. B. G.

Textes cités

1
CTVA art. 551 occurrence

Décisions similaires

8