Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 09.10.2013
(12/1440/A)
Taxe sur la valeur ajoutée- Le lieu de la prestation de service - Droit de déduction - Contrainte
12/1440/A
Résumé
Facturation entre deux entreprises liées (toutes les deux déclarées en faillite après). Il n'a pas été démontré que le but était d'éviter l'impôt.
La décision est publiée uniquement dans la langue originale
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 09.10.2013
AR 12/1440/A
Texte intégral
Corps de la décision
In de zaak van:
Mr. I. R., advocaat, kantoor houdende te … in zijn hoedanigheid van curator van nv A. S&L te … met ondernemingsnummer … en failliet verklaard bij vonnis van 28 januari 2010 van de rechtbank van Koophandel te D.,
EISER Q.Q., vertegenwoordigd door mr. W.H., advocaat te…;
TEGEN:
1. De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door en in de persoon van de Minister van Financiën, de heer Steven Vanackere, tot wiens bevoegdheid het onderwerp van het geschil behoort, met kabinet gevestigd, met vennootschapszetel te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14,
voor zoveel als nodig:
2. De Rekenplichtige Ambtenaar van het btw-Ontvangkantoor te Sint-Niklaas, kantoor houdende te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2.
VERWEERDER, voor wie optreden, de heer K.V.D. en mevrouw A.V.D.S., adviseurs, inspecteurs bij een fiscaal bestuur.
Vonnist de rechtbank als volgt:
I. DE RECHTSPLEGING
De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 11 september 2013 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder de gedinginleidende dagvaarding, betekend op 10 april 2012 en de conclusies van de partijen en hun stukkenbundels.
II. DE VORDERING
De eiser q.q. formuleert de vordering als volgt:
"De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Zich het proces-verbaal van 22 november 2010 van onwaarde te horen verklaren en het dwangbevel met referte 410/1123/48049, dat op 18 februari 2011 werd uitgevaardigd, dat op 23 februari 2011 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard en dat met aangetekende brief van 1maart 2011 werd ter kennis gebracht van [de eiser q.q.], te vernietigen en van nu/en generlei waarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de ermee van nv A. L. C. Sound & Light in faillissement gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn, behalve het nagevorderde bedrag van 607,44 euro btw, meer 60 euro geldboete en de betreffende interesten;
Zich te horen veroordelen om alle op grond van voormelde vordering ten onrechte ingehouden of beslagen bedragen en alle ten onrechte betaalde bedragen, inzonderheid het tegoed ten bedrage van 147.318,65 euro terug te betalen, meer de moratoire interesten in toepassing van artikel 91
§3 w.btw met ingang van 1 april 2010, onder aftrek van het nagevorderde bedrag van 607,44 euro btw, meer 60 euro geldboete en de betreffende interesten;
[De verweerder] te veroordelen tot de kosten van het geding, in elk geval tot betaling van de kosten van huidige dagvaarding en de rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van [de eiser q.q.]."
III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL.
1. De NV A. S. & L. (hierna eiseres) en de NV A.P. waren beiden actief in gespecialiseerde beeld-, verlichting- en geluidstechnieken. Beide vennootschappen verzorgden wederzijds prestaties voor elkaar en hebben dezelfde bestuurders.
In navolging van het verzoekschrift van 24 november 2009 werd de procedure tot gerechtelijke reorganisatie ingeleid, hetgeen bij vonnis van 7 december 2009 van de rechtbank van koophandel te D. werd open verklaard.
2. Op 15 december 2009 werd bij de NV A.P. een BTW-controle uitgevoerd. Ter gelegenheid van deze controle werd vastgesteld dat deze vennootschap bepaalde prestaties aan de eiseres (huuropbrengsten, verhuur van materiaal) helemaal niet had gefactureerd, noch de BTW had aangerekend of afgedragen.
In de minnelijke inregelstelling werd vastgesteld dat 600.000,00 EUR geboekt werd als 'nog te innen opbrengsten' en werd opgenomen in de balans van 31/12/2007 op rekening 404.000 'Nog te innen opbrengsten'.
Dit bedrag van 600.000,00 EUR werd nadien eveneens opgenomen op dezelfde activarekening 404.000 'Te innen opbrengsten' in de daaropvolgende balans van 31/03/2009 (verlengd boekjaar).
De belastbare handelingen werden echter niet opgenomen in de daartoe bestemde btw-aangifte.
3. Op 31 december 2009, hetzij 19 dagen voor de inregelstelling voor akkoord werd ondertekend, werd door de NV A.P. aan de eiseres een bedrag van 600.000,00 EUR, meer 126.000,00 EUR BTW gefactureerd voor "het gebruik van gebouwen materialen".
4. Op 19 januari 2010 ondertekende de NV A.P. de minnelijke inregelstelling voor akkoord.
Onder het RCIV nummer … werd volgende schuld ten aanzien van de NV A.P. ingeschreven:
- BTW :195.693.10 EUR
- Boete : 34.600.00 EUR
- Intresten : 9.994.71 EUR
- Totaal : 240.287,81 EUR
De NV A.P. deed dan ook aangifte van deze handelingen in haar periodieke BTW-aangifte voor de maand december 2009.
5. De eiseres bracht deze factuur ook in haar BTW-aangifte van 22 januari 2010 met betrekking tot de maand december2009 in. Het BTW-bedrag van 126.000,00 EUR werd in aftrek gebracht. De eiser verzocht om teruggaaf van het totale BTW-tegoed van 147.318,65 EUR, waarin het bedrag van 126.000,00 EUR was verrekend.
6. Op 28 januari 2010 werden beide vennootschappen failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te D.
7. Tijdens de BTW - controles op 25 maart 2010, 1 april 2010 en 27 mei 2010 bij de eiser q.q. werden diverse onregelmatigheden en overtredingen inzake de BTW-wetgeving vastgesteld: zoals een niet-aangeven omzet door het niet inschrijven van facturen en inbreuken inzake de teruggave van de in aftrek gebrachte BTW (artikel 79, §2, WBTW).
8. Bij brief van 13 augustus 2010 ontving de eiser q.q. een correctieopgave waarin met betrekking tot de periode van 1 januari 2008 tot 28 januari 2010 volgende BTW-navordering werd opgenomen:
- 607,44 EUR aan BTW gelet op het niet opnemen in het boek voor uitgaande facturen en in de BTW- aangifte van een van NV A. S. & L. uitgaande factuur van 2.892,56 EUR in hoofdsom en 607,44 EUR BTW;
- 126.000,00 EUR aan BTW bij toepassing van artikel 79 §2, tweede lid WBTW;
- 12.660,00 EUR aan geldboete;
- wettelijke interesten vanaf 21 februari 2010.
9. Bij email van 10 september 2010 verzond de eiser q.q. het niet-akkoord met deze navordering, behoudens met betrekking tot het nagevorderde bedrag van 607,44 EUR aan BTW, 60,00 EUR aan geldboete en de hierop verschuldigde interesten.
10. Bij brief van 16 september 2010 ontving de eiser q.q. een nieuwe correctieopgave waarin rekening werd gehouden met het niet-akkoord.
De navordering werd daarin vastgesteld op:
- 607,44 EUR aan BTW gelet op het niet opnemen in het boek voor uitgaande facturen en in de btw-aangifte van een van nv A. S. & L. uitgaande factuur van 2.892,56 EUR, meer 607,44 EUR BTW;
- 60,00 EUR aan geldboete;
- wettelijke interesten vanaf 21 februari 2010.
Bij brief van 17 september 2010 deelde de verweerder mee dat werd teruggekomen op de brief van 16 september 2010 en dat de correctieopgave verstuurd bij brief van 13 augustus 2010 "wel degelijk van kracht bleef'.
Bij brief van 28 september 2010 deelde de eiser q.q. het akkoord namens de NV A. S. & L. met de correctie-opgave van 16 september 2010 mee.
11. In het proces-verbaal van 22 november 2010 bevestigde de verweerder de navordering die werd geformuleerd in de initiële correctieopgave van 13 augustus 2010. (zie hoger punt 6).
12. Op 18 februari 2011 vaardigde de administratie een dwangbevel uit, dat was geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 23 februari 2011. Volgende BTW navordering ten laste van de eiser q.q. werd daarin opgenomen:
- 126.607,44 EUR BTW;
- 12.660,00 EUR geldboete;
- wettelijke interesten vanaf 21 februari 2010;
- moratoire interesten te rekenen vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel;
- de vervolging- en gerechtskosten.
Dit dwangbevel werd bij aangetekend verzonden brief van 1 maart 2011 aan de eiser q.q. ter kennis gebracht.
13. Op 8 maart 2011 werd het gedeeltelijk niet-akkoord aan de verweerder meegedeeld. Een akkoord werd gegeven met betrekking tot de som van 607,44 EUR BTW, meer 60,00 EUR geldboete en de betreffende interesten.
Bij brief van 5 augustus 2011 werd de verweerder verzocht standpunt in te nemen met betrekking tot voormeld niet-akkoord.
Bij brief van 25 januari 2012 bevestigde de verweerder het proces-verbaal van 22 november 2010.
14. De eiseres betwist het proces-verbaal en het daaropvolgende dwangbevel en betekende op 10 april 2012 het dagvaardingsexploot.
IV. BESPREKING.
1. De eiser q.q. betwist de inbreuken op artikel 53, §1, lid 1, 2° en 3° en artikel 53octies, §1, lid 3 WBTW niet.
Deze inbreuk heeft betrekking op het niet opnemen van de verkoopfactuur nr. … d.d. 22.01.10 aan klant BVBA T. C. ten bedrage van 2.892,56 EUR, meer 607,44 EUR BTW.
2. Nopens de beweerde inbreuk op artikel 79, §2. WBTW.
2.1.
De beweerde inbreuk heeft betrekking op de inkomende factuur van de NV A.P. nr. … d.d. 31.12.09 ten bedrage van 600.000,00 EUR, meer 126.000,00 EUR BTW.
Artikel 79, §2, WBTW luidt als volgt:
"Ingeval van misbruik dient degene die de belasting op de betreffende handelingen in aftrek heeft gebracht, de aldus als BTW afgetrokken bedragen aan de Staat terug te storten.
De persoon die de belasting in aftrek heeft gebracht geheven van de goederen en de diensten die hem worden geleverd, van de goederen die hij heeft ingevoerd en van de intracommunautaire verwervingen die hij heeft verricht, is er toe gehouden de aldus afgetrokken bedragen aan de Staat terug te storten als hij, op het tijdstip waarop hij deze handeling heeft verricht, wist of moest weten dat de verschuldigde belasting, in de ketting van de handelingen, niet werd of zal worden gestort aan de Staat met de bedoeling de belasting te ontduiken. "
De verweerder is van oordeel dat de voorwaarden voorzien in artikel 79, §2, WBTW vervuld zijn en wijst daarvoor op volgende gegevens:
- de bestuurders van de beide vennootschappen waren dezelfde;
- de vennootschapszetel van beide vennootschappen is dezelfde;
- beide vennootschappen oefenden gelijkaardige bedrijfsactiviteiten uit.
De verweerder meent een misbruik te kunnen afleiden uit de gelijklopende historiek van de beide vennootschappen, meer bepaald: de procedure tot gerechtelijke reorganisatie werd in dezelfde periode ingeleid, de onregelmatigheden in de schoot van de NV A.P. hebben hoofdzakelijk betrekking op de eiseres, het opmaken van de factuur d.d. 31.12.2009 nog voor de inregelstelling voor akkoord werd ondertekend op 19.01.2010, de aanvraag tot uitstel om te reageren op de correctieopqave van 21 december 2009 tot eind januari, de indiening van de BTW-aangifte van de NV A.P. op 21 januari 2010 en de indiening van de aangifte door de eiseres op 22 januari 2010, het faillissement van beide vennootschappen op 28 januari 2010.
De verweerder betwist de regelmatigheid van de factuur niet. Evenmin betwist zij de levering van de gefactureerde diensten of de maatstaf van heffing. De betrokken factuur werd door de NV A.P. uitgeschreven aan de eiseres nadat bij deze vennootschap een BTW-controle plaatsvond die resulteerde in een voor akkoord ondertekende inregelstelling. De verdere ketting van handelingen in de schoot van de eiseres passen in een correcte toepassing van de BTW-regelgeving.
Het opmaken van de factuur van de NV A.P. moet aanzien worden als een verantwoordbare regularisatie van de vastgestelde inbreuk.
Op dat ogenblik stond reeds vast dat de beide bedrijven vennootschappen in moeilijkheden waren en was het voortbestaan van deze beide bedrijven reeds bedreigd.
Uit de historiek van de handelingen die de respectievelijke vennootschappen hebben verricht, kan niet zonder meer afgeleid worden dat de bedoeling aanwezig was om de belastingen te ontduiken.
De eiser q.q. merkt ter openbare terechtzitting op dat tot op heden nog steeds de mogelijkheid bestaat dat de verweerder bij de afwikkeling van de faillissementsprocedure van de NV A.P. als bevoorrechte schuldeiser vooralsnog betaald wordt.
In de gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verweerder niet heeft aangetoond dat de bedoeling aanwezig was om de belasting te ontduiken.
De vordering is aldus in die mate gegrond.
V. DE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING.
De eiseres begroot de rechtsplegingsvergoeding op 5.500,00 EUR.
De vordering situeert zich in de schijf van 100.000,01 EUR tot 250.000,00 EUR zodat overeenkomstig artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek de rechtsplegingsvergoeding kan vastgesteld worden op het basisbedrag van 5.500,00 EUR.
Gezien de verweerder in het ongelijk gesteld wordt, moet hij overeenkomstig artikel 1017, 1e lid van het Gerechtelijk Wetboek, de kosten van het geding dragen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK.
Recht doende op tegenspraak.
Met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet ter zake
dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond.
Vernietigt het dwangbevel uitgevaardigd op 18 februari 2011, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 23 februari 2011 met RVIZnummer …
Verwijst de verweerder tot de kosten van het geding en begroot deze tot dusver als volgt:
- langs de zijde van de eiseres : 5500,00 EUR
- langs de zijde van de verweerder : 0,00 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op woensdag negen oktober tweeduizend dertien, waar aanwezig waren:
de heer C.S., toegevoegd rechter, voorzitter van deze kamer,
mevrouw M.C., griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.